Angst als maatschappelijk gevaar

Het zevende zegel

Sinds haar ontstaan is de mensheid bang geweest. Voor van alles. Aangezien de beschaving nog steeds niet is ondergegaan, bedenken we weer nieuwe, eigentijdse, redenen om bang te kunnen zijn.

IN DE AFGELOPEN weken werden we dankzij Martin Bosma, Hans Jansen en andere helderzienden weer eens getrakteerd op rivieren van bloed, de noodzaak van D-day en horden levensgevaarlijke gekken die op het punt staan ons de kop af te hakken. Noemer van deze en andere vreselijkheden is angst - angst voor de ondergang. Nog even en de samenleving of wereld zoals wij die kennen of gekend hebben, de wereld ook die wij liefhebben, zal voorbij zijn. Onze kinderen zullen in Australië wonen. Nederland zal islamitisch zijn. Homo’s worden opgesloten, vrouwen gestenigd en wij of onze nazaten zullen op straffe van de dood een sik dragen en het merendeel van de dag op een matje doorbrengen, ogen richting Mekka.
Het zijn bekende riedels, oud als de menselijke tijd en, zo weten we uit het verleden, nuttiger dan het beste oorlogstuig. Heel de christelijke samenleving, van de vroege Middeleeuwen tot een flink eind in de twintigste eeuw, was doortrokken van bijbelse hel en verdoemenis. Hoeveel volwassenen en kinderen zullen de ruiters van de Apocalyps niet door hun hoofd hebben zien denderen? Hoevelen zullen niet gehuiverd hebben bij het krijten van de arend die, na het verbreken van het zevende zegel, wee, wee schalde tot de armzaligen die het miserabele stukje ruimte bevolkten dat aardkloot heet. Beelden en woorden, zo weten wij, waren niets dan fictie. Fraai maar toch: fictie. Maar zo werd het door onze voorvaderen niet ervaren. Hel en verdoemenis waren werkelijk als God en bijbel.
In de negentiende en vooral twintigste eeuw verdween de christelijke eindtijdmythe uit het zicht. Maar de profetie en daarbij horende angsten bleven en na de Eerste Wereldoorlog wonnen ze aan kracht. Nieuwe christenen namen de plaats in van de oude, om het in de woorden van Menno ter Braak te zeggen. Spenglers Untergang des Abendlandes, Ortega’s Opstand der horden, Huizinga’s In de schaduwen van morgen - hun cultuurpessimisme ging erin als koek en bevorderde het politieke succes van onder meer fascisten en communisten. Op magistrale wijze wisten eerstgenoemden de bevolking te doordringen van de gedachte dat communisten en joden, het liefst in één adem genoemd, de wereldheerschappij zouden grijpen, tenzij…
Juist doordat beide politieke polen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog met succes gebruik maakten van heilsverwachtingen en ondergangsprofetieën, twee zijden van een en dezelfde medaille overigens, raakte het midden verscheurd. Daar ligt de symbolische betekenis van het conflict tussen Chamberlain en Churchill. Laatstgenoemde begreep dat de tijden veranderd waren en preekte uit noodzaak eveneens bloed, zweet en tranen, erop of eronder. Het werd uiteindelijk het eerste maar eenmaal zo ver keerde de nuchterheid niet terug. Vanaf het eind van de jaren veertig luidde in het Westen de dominante overtuiging dat communistische hordes ieder moment de grens konden overschrijden om aan alle westerse verworvenheden een eind te maken. Opnieuw werd de voorspelling besloten met een tenzij.
In de loop van de jaren zestig en zeventig waren er steeds meer mensen, vooral jongeren, die van deze, wat zij noemden rechtse, apocalyptiek weinig moesten hebben. Maar nuchter waren ook zij niet. Nog even, zo voorspelden zij, en heel de wereld zou kapitalistisch zijn en wij niet meer dan robotten in dienst van een bewustzijnsindustrie. Tenzij.
In de loop van de jaren tachtig bleken beide voorspellingen onjuist. Het kapitalisme toonde zich, alle nadelen ten spijt, een relatief milde samenlevingsvorm en het communisme werd ondanks de hoogdraverijen van voor- en tegenstanders ontmaskerd als een wrakkig systeem. Meer nog: dat was het altijd geweest, we zouden veel geld en energie verspild hebben aan een fictie. Onzin, volhardden de diehards van de Koude Oorlog: juist dankzij dat geld en die energie was de fictie geen werkelijkheid geworden. Het debat werd oeverloos - en onoplosbaar. Gelukkig hoefde het ook niet te worden opgelost. Want terwijl de waarschuwende jongeren één voor één verdwenen in de raderen van het poldersysteem zeeg het communisme als een pudding ineen. Het tijdperk van de grote nuchterheid leek aangebroken. Het zevende zegel kon richting museum.
Er waren in de jaren negentig wel al enkelen die opnieuw apocalyptische taal uitsloegen, nu over de horden die ons vanuit de arme en islamitische wereld overspoelden, maar ze werden nauwelijks serieus genomen. Over het algemeen heerste de overtuiging dat heel de mensheid, aldus het beeld van Fukuyama in Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, in een en dezelfde trein zat die langzaam richting een en hetzelfde station spoorde. Maatschappelijke angsten betroffen dan ook vooral concrete zaken als stedelijk geweld, epidemische ziektes en moeizame integratie, niet de ondergang van een tijdperk of beschaving. Daarvan zouden we er immers maar één hebben - globalisering was haar toverwoord. Ondergang kon hoogstens plaatsvinden als in een verre toekomst de volledige globus in het heelal zakte.
11 september 2001 bracht opnieuw verandering. Met hun waarschuwingen voor massavernietigingswapens en terroristische horden veroverden Bush en de neoconservatieven in korte tijd het wereldpodium. Een nieuw bibbertijdperk volgde. De angst werd versterkt door aanslagen in Madrid en Londen, politieke moorden in het zo rustige Nederland, oplopende spanning in het Midden-Oosten, Pakistan, India, economische crisis en duizend andere onrustbarendheden. Te midden hiervan kregen de onheilsprofeten een enorme tegenslag te verwerken. Juist doordat zij geloofd werden, ontstond de gelegenheid een van hun beweringen te controleren. En wat bleek? Dat van die Iraakse massavernietigingswapens was een fabeltje. De angst was om niets geweest. Gelukkig voor de profeten bleek het andere door hen gesignaleerde gevaar moeilijker te controleren: al-Qaeda. 9/11, Madrid en Londen, zo betoogden zij conform het klassieke patroon, waren nog slechts het begin, ‘hagel en vuur vermengd met bloed’ lagen in het verschiet. Tenzij…
Anno 2010 betreft de angst, in ieder geval in landen als Nederland en Frankrijk, niet langer het plotselinge geweld van de terrorist maar het sluipend gif van de immigrant. Met zijn vreemde zeden, bizarre geloof, politieke doortraptheid, criminele inborst en andere kwalijke eigenschappen holt hij onze samenleving uit. Paard van Troje. Vijfde colonne. Voor de zoveelste keer gaat de oude wijn in een nieuwe zak. Ook deze keer is die weer voorzien van het opschrift 'tenzij’: keihard optreden.

DISCUSSIES over het al dan niet juist zijn van apocalyptische beweringen zijn net zo oever- en zinloos als die over God. De profeet heeft namelijk altijd gelijk, tenzij hij zo onverstandig is - zie de massavernietigingswapens van Bush - zijn voorspelling aan een concreet feit te koppelen. Zijn uitspraak geldt immers de toekomst, die is per definitie oncontroleer- en dus altijd bewijsbaar. De onjuistheid blijkt pas achteraf, maar dan maakt het niet meer uit, is de profeet opgevolgd, de voorspelling vervangen en kan het angstspelletje opnieuw beginnen.
In 1993 publiceerde ik een boekje over alles wat in de loop van tijden over het begin van het tweede millennium was verkondigd (Hemel, hel of heden: Een kleine geschiedenis van het jaar 2000). Er waren zoveel voorspellingen dat er geen peil op te trekken viel. Meestal waren de voorspellingen kletskoek. Geen enkele kwam uit. Nu zullen de meesten hiermee instemmen als het ’t laatste bijbelboek en vergelijkbare fantasieën betreft, maar stellen dat het toch anders ligt als het over communisten, fascisten, terroristen, moslims of immigranten gaat. Terroristen plegen immers aanslagen, communisten coups, fascisten voeren oorlog, moslims zijn vreemdelingen en van die immigranten zijn er simpelweg te veel. Kortom, als je de zaak op zijn beloop laat, gaat het fout. Je moet iets doen. Dat klopt. Maar handelen ter oplossing van een concreet probleem is iets anders dan handelen op basis van een visioen. In het eerste geval is het eventuele effect van een maatregel aanwijsbaar, in het andere geval verandert er niets: in de schaduw van een somber visioen blijft het altijd donker.
Het sovjetcommunisme, zo weten we dankzij recent onderzoek, is nooit sterk geweest. Zijn voornaamste kracht was onze angst. Vandaar dat het weinig uitmaakte wat ondernomen werd: de angst werd er niet minder op, eerder meer. Van al-Qaeda kan iets vergelijkbaars gezegd worden. Langzamerhand weten we dat de aanslagen op het World Trade Center, in Madrid, Londen en elders door onafhankelijke groepen en groepjes zijn gepleegd en dat al-Qaeda er daarvan slechts één was. Dat de andere groepjes zich op haar beriepen en beroepen, ligt in het verlengde van hun doelstelling: chaos zaaien, angst kweken. Maar die angst lag en ligt wel in eerste instantie bij ons, niet bij hen. Sterker, een groot deel van die angst hebben wij zelf geconstrueerd door al-Qaeda abusievelijk een wereldwijd netwerk te noemen dat in staat is onze ondergang te bewerkstelligen. Dat is niet het geval, nooit geweest, en was op het moment dat het voor het eerst verkondigd werd zelfs volstrekte onzin.
In het geval van de dreiging van de veronderstelde oprukkende horden uit de Derde Wereld, in het bijzonder islamitische landen, ligt het weer wat anders. Verreweg de meesten die zich vanuit arme landen in onze richting begaven, deden dat omdat zij in de westerse welvaart wilden delen. Die droom opblazen is wel het laatste wat zij willen. Maar door alle beschuldigingen en spanningen ten gevolge van terroristische misdaden aan de ene en bloederige visioenen aan de andere kant is er in de afgelopen jaren wel wat veranderd.
Ik zag het voor het eerst in 2004 in Birmingham. Hoe de derde generatie Kasjmiri zich in tegenstelling tot hun volledig in de Engelse samenleving geïntegreerde ouders opnieuw islamitisch begon te gedragen. In de nasleep van 11 september kregen de Britse moslims steeds vaker te horen dat zij er niet bij hoorden, dat ze een gevaar vormden en dat de integratie, in de ogen van velen van hen al lang geen thema meer, mislukt was. De oudere Kasjmiri schudden over zoveel onzin het hoofd. Zo niet de jongeren. Zij keerden zich af, begonnen zich inderdaad opnieuw islamitisch te gedragen en een enkeling ging helaas nog een stap verder.
De onheilsprofeten werden hierdoor in hun mening bevestigd, die mening op zijn beurt deed de woede bij de beschuldigden toenemen, een bizarre vicieuze cirkel was het gevolg. Ondertussen waren er steeds minder mensen in staat te zien dat juist hier het gevaar lag: in het proces van actie en reactie, bij de self-fulfilling prophecy. Toen Franklin D. Roosevelt op het hoogtepunt van de depressie tot president van de Verenigde Staten werd verkozen, begon hij zijn inaugurele rede met het uitspreken van de overtuiging 'that the only thing we have to fear is fear itself’, dat angst het grootste gevaar was dat zijn tijd bedreigde, 'nameless, unreasoning, unjustified terror which paralyzes needed efforts to convert retreat into advance’, omdat angst tot verlamming leidt en concrete, positieve actie onmogelijk maakt. Het is nauwelijks beter te zeggen.