Hoofdcommentaar: Gezondheidszorg

Het zieke huis

Ruim vijftien jaar geleden ging het mes in de gezondheidszorg. Op alle fronten liepen de kosten te hoog op door toenemende behoefte aan medische hulp. Efficiency en besparingen werden ingezet om de oplopende kosten te beteugelen. Ziekenhuizen en zorg instellingen kregen de opdracht meer in markttermen te gaan denken, wat erop neerkwam dat zorg een product ging worden en budgetteren zijn intrede deed in de rekenkamers van de directies. Ook opleidingen kregen te maken met de nieuwe wind die vanuit Den Haag ging waaien.

De gevolgen van dit door economische noodzaak ingegeven beleid komen nu in volle omvang aan het licht. Wat het medisch personeel op de werkvloer al jaren signaleert — en vooral aan den lijve ondervindt — staat nu in vuistdikke rapporten neergeschreven: de gezondheidzorg is ernstig ziek.

Een kleine inventarisatie van de berichtgeving van het laatste jaar laat weinig ruimte voor optimisme. De wachtlijsten voor behandelingen — inclusief urgente indicaties — slonken niet, maar zijn harder gegroeid. De hoofdoorzaken zijn evident: de vergrijzing begint breed door te zetten en de voortschrijdende technieken genereren meer vraag naar onderzoek en behandeling. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan uitbreiding van geavanceerde apparatuur, maar vooral ook aan nieuwe mogelijkheden op het gebied van voortplanting en genetica. Het aanbod stimuleert onvermijdelijk de vraag.

Tegenover deze ontwikkeling staan de witte en groene uniformen die elke dag werken met «het product». En hier wringt werkelijk de schoen. De capaciteit steeg in de afgelopen jaren niet in gelijke tred met de groeiende druk op de zorg. Het scherpst laat zich dit voelen in de operatiekamers, aldus een vorige week gepubliceerd onderzoek van het Leids Universitair Medisch Centrum. Daarin wordt geconstateerd dat een op de drie ziekenhuizen structureel één of meer operatiekamers moet sluiten door een dramatisch tekort aan geschoold personeel. Hoe frustrerend dit is, heeft de 44-jarige chirurg Maurits de Brauw vorig jaar duidelijk gemaakt door een daad te stellen. Hij brak zijn tot dan toe bloeiende carrière in Maastricht af en verklaarde in een vlammend betoog dat hij «niet langer wenste te werken in een falend zorgsysteem. Het is niet voldoende om een goede dokter te zijn om patiënten te helpen. Door de wachtlijsten, mede veroorzaakt door gebrek aan personeel, moet ik continu marchanderen met patiënten. Ooit was de Nederlandse gezondheidzorg toch iets om trots op te zijn. Ik werd een chirurg in oorlogstijd.»

Wat deze wanhopige chirurg aangaf, geldt voor vele van zijn collega’s, verpleegkundigen en aanverwant medisch personeel. Terwijl specialisten in elk geval nog hun werkweken van vaak gemiddeld zeventig uur gehonoreerd krijgen, worden verpleegkundigen regelrecht onderbetaald. Ja, het heet in de zalvende woorden van minister Borst een «mooi en dankbaar beroep» te zijn, maar ondertussen verdienen ze wel veel te weinig (aanvangssalaris voor zowel MBO als HBO verpleegkundigen is 3235 gulden bruto, opklimmend naar maximaal 5258 gulden).

Toch wordt volgens een enquête onder uitstromers vooral de hoge werkdruk als een grote last gezien. Het vak wordt niet bepaald als «sexy» ervaren, andere genoemde argumenten zijn: nauwelijks ontplooiingsmogelijkheden, geen aangepaste werktijden om er een gezin naast te kunnen hebben en het gevoel geen enkele waardering te krijgen van de werkgever. Een geïnterviewde verpleegkundige zei: «Ik werk me het schompes, en voel geen enkele steun. Ik ben gedwongen patiënten af te handelen als nummers, terwijl het gaat om mensen; kwetsbare, zieke mensen.» Een te grote uitstroom — ze houden op met werken of vinden een aantrekkelijkere baan in bijvoorbeeld de IT-sector — en te lage instroom kunnen de gewenste capaciteit niet opvangen. Het tekort onder verpleegkundig personeel doet zich namelijk niet alleen voor op de operatiekamers, de schakel van het ziekenhuis, maar in alle gelederen. Van kinderafdelingen tot poliklinieken; in de afgelopen jaren zijn door het hele land in zowel academische als perifere ziekenhuizen afdelingen korte of langere tijd om die reden gesloten geweest. Achter de schermen moeten artsen, soms tot felle ruzies toe, met acute gevallen winkelen om ze ergens kwijt te kunnen, waarbij patiënten in de ambulance naar de andere kant van Nederland worden vervoerd of zelfs per helikopter naar een ziekenhuis in een van de omringende landen worden gevlogen. Onder veel specialisten klinken alarmerende geluiden. Letterlijk zeggen ze: wat we nu zien is nog maar het begin, het wordt de komende jaren nog veel erger.

Nu de noodklok begint te beieren, komt er een zak geld op tafel. Een miljard wordt uitgetrokken om de onderbezetting aan te pakken. Een woordvoerder van het ministerie van Volksgezondheid zegt desgevraagd: «Dat is toch prachtig.» En ook: «Het personeelstekort binnen de gezondheidszorg valt ten opzichte van de rest van Nederland mee, alleen wordt het wat sterker gevoeld in deze sector en daarbuiten.»

Maar de mensen zijn er eenvoudig niet. Voordat een nieuwe groep verpleegkundigen aantreedt zijn minimaal drie jaar gepasseerd, nog los van het feit dat bij de opleidingen voor dit jaar een dalende lijn van aanmeldingen is te zien. Het valt helemaal niet mee. Met geld wordt de aanstaande jaren veel te weinig opgelost.

Opvallend genoeg rept het rapport Zorg met toekomst: Een verkenning in de zorg, dat minister Borst deze week presenteerde aan de Tweede Kamer, niet over personeelsbeleid. Wie gaat al haar prachtige voornemens uitvoeren?