KUNST

Het zieke kind

Gabriel Metsu

Het kan verkeren. In 1749 werd een schilderij van Gabriel Metsu (1629-1667) geveild voor 850 gulden; in dezelfde verkoop ging Vermeers Allegorie op het geloof weg voor zeventig piek. In 1765 ging De melkmeid van Vermeer van de hand voor 560 gulden; een Tekenende vrouw van Metsu voor bijna het dubbele. Dat klasseverschil bestond ook in de zeventiende eeuw al: er zijn verhalen dat handelaren ‘Vermeers’ als 'Metsu’s’ op de markt brachten.
Over deze Metsu is weinig bekend. Hij was een van de oprichters van het Lucasgilde in Leiden; hij vertrok in 1650 naar Amsterdam, waar hij in 1658 trouwde met een katholiek. Hij moet daar - zoals zovelen - hebben gezocht naar een niche in de overvolle schildersmarkt; het lijkt erop dat hem dat is gelukt. Nog tijdens zijn leven werden zijn werken goed verkocht.
Nu zijn de rollen dus omgedraaid. In de appreciatie van Metsu en Vermeer zit een trend van banalisering van de één en verheffing van de ander. Vermeer wordt opgewaardeerd tot het etherische, introverte, geheimzinnige genie; Metsu bijgevolg verminderd tot een kletskous, een met-alle-winden-mee-waaier, een schilder die zich verliest in het detail. Daarin is de stem te horen van die negentiende-eeuwse cultuurhistorici die in de verfijning en elegantie van de kunst van Metsu of de Leidse Fijnschilders een teken zagen van verval, van de kille Franse invloed op de Hollandse kunsten.
En dus is Metsu nu de man van de vernuftige maar zielloze detaillering van tapijt en bont, glas en tin, muziekinstrumenten; de opdisser van anekdotes over liefdesbrieven en lollige dienstmeiden, de man van de scabreuze intrige, de hond die de kat nazit, rokers, drinkers, jagers, enzovoort. Artistiek wordt hij nogal eens gedegradeerd tot navolger: in de catalogus van de grote tentoonstelling De glorie van de Gouden Eeuw (Rijksmuseum Amsterdam, 2000) wordt hij geparkeerd in het hoofdstuk 'Het Delftse licht 1650-1670’. Metsu had daar weliswaar nooit gewoond, maar (zo schrijft de catalogus) 'uit de trefzekere weergave van het natuurlijke licht, de uitgebalanceerde composities en de verdeling van kleur over het beeldvlak blijkt zijn kennis van de Delftse School’ - waarmee Vermeer en De Hooch bedoeld worden.
De opgave van de mooie Metsu-tentoonstelling in het Rijksmuseum - 35 schilderijen, samen met de National Gallery’s van Dublin en Washington - is om te zien of er iets aan die neerwaartse trend gedaan kan worden. Dat zou mooi zijn. Daar is dan voor nodig dat de bezoeker eens van voren af aan met frisse blik naar zo'n klassieker als Het zieke kind gaat kijken.
Dat is bepaald geen sentimenteel genrestukje. Het is om te beginnen virtuoos van kleur en sfeer en compositie. Een diagonaal van linksonder naar rechtsboven scheidt de moeder - in grijzen en bruinen - van het kind, dat in een geel hansop op haar helderrode en -blauwe rokken zit. Verder is het een hartverscheurend tafereeltje. Dat grijze gezichtje doet weinig goeds vermoeden, dat loopt slecht af. Metsu zelf verloor in zijn leven nogal wat dierbaren, en hij maakte ook een pestepidemie of twee mee. Dat banale ongeluk verheft hij hier, op de vierkante decimeter, tot een kleine Piëta.
Ga dan verder naar de Briefschrijvende man en de Brieflezende vrouw, beide uit de National Gallery of Ireland, en vertel mij dan nog eens waarom dit niet vijf straten beter is dan die schele neuzen van De Hooch en op z'n minst even goed als dat gedoe van die Vermeer.

Gabriel Metsu, Rijksmuseum Amsterdam, 16 december t/m 21 maart 2011