INTERVIEW MET JAN VAN DER PLOEG

‘Het zijn de contrasten die het moeten doen’

Jan van der Ploeg is een van de belangrijkste monumentale schilders van Nederland. Zijn werk roept associaties op met colorfield-schilders als Barnett Newman, Elsworth Kelly, Frank Stella en Sol LeWitt. Alsof je in een zak Engelse drop zit.

JAN VAN DER PLOEG (1959) brengt de verf bij voorkeur aan met rollers. Bij hem spelen een malse penseeltoets of een persoonlijk schilderachtig handschrift geen rol. Belangrijker vindt hij dat kleurlagen smetteloos en strak op de drager worden aangebracht. Hoewel Van der Ploeg zijn abstracte schilderijen vroeger traditioneel op linnen of paneel maakte, werkt hij tegenwoordig vooral op de binnen- of buitenmuren van gebouwen, op baksteen en beton. De afmetingen van zijn werk kunnen daardoor fors zijn, monumentaal, soms honderden vierkante meters.
Van der Ploeg – die opleidingen volgde aan de Rietveld Academie, de Rijksakademie en aan het Londense Croydon College of Art – ontwikkelde zich in ruim tien jaar tot een van de belangrijkste monumentale schilders van Nederland. Hij werkte in binnen- en buitenland aan diverse monumentale opdrachten. Zo werd onlangs in de nieuwe dependance van het ministerie van Binnenlandse Zaken een werk van hem onthuld. Recent waren muurschilderingen te zien in het Hammer Museum in Los Angeles en het House of Art in Budweis in Tsjechië. Hij had exposities in Bazel, Berlijn, Sydney en Christchurch, Nieuw-Zeeland. Op dit moment treft hij voorbereidingen voor een groot werk in het ministerie van Financiën.
De presentatie in de Aschenbach & Hofland Galleries in Amsterdam, deze maand, is voor Van der Ploeg de voorlopige bekroning van een periode waarin het aantal opdrachten van particulieren, bedrijven en overheden sterk is toegenomen. De wanden van de galerie zijn over de volle hoogte en breedte bedekt met wigvormige monochrome kleurvlakken die tezamen een orkestraal kleurakkoord vormen.

De kracht van Van der Ploeg is dat hij abstracte ontwerpen op soepele wijze integreert in soms weerbarstige architectonische ruimtes. Zijn werk is inmiddels door belangrijke musea aangekocht, zoals het Haags Gemeentemuseum en Boijmans Van Beuningen, waar hij in 2005 en 2006 solotentoonstellingen had. Voor de expositie in Boijmans in 2006 maakte hij in een gang een muurschildering van vijf langgerekte kleurbanen – middenbruin, wit, antraciet grijs, roze en diepbruin. Door de lengte van de vlakken, de keuze van de kleuren en de perfectie van de uitvoering verandert de muurschildering de manier waarop je als bezoeker de ruimte van de gang ervaart. De ooit neutrale passage met uitzicht op een binnentuin is veranderd in een wandelroute door Luilekkerland. Het is alsof je in een zak Engelse drop zit, of langs een grote taart met laagjes lekkers loopt. De gebruikte kleuren zijn zo verleidelijk en vol dat je de neiging moet onderdrukken om je tanden in het stucwerk te zetten.
Of het nu gaat om de reusachtige beschilderde buitenmuur van een industrieel complex of om de intieme kamer in het huis van een privé-verzamelaar: het werk van Van der Ploeg doet iets met je. Je zou hem kunnen plaatsen in de traditie van de op-art-kunstenaars uit de jaren zestig en zeventig, die de optische werking van licht en kleur onderzochten en voor wie de persoonlijke reactie van de toeschouwer een bestanddeel was van het kunstwerk.
Jan van der Ploeg: ‘Ik heb in mijn achterhoofd hoe iets werkt bij de beschouwer. Mijn werk moet iets optimistisch hebben.’ Toch wekken zijn schilderingen vooral associaties op met Amerikaanse colorfield-schilders als Barnett Newman, Elsworth Kelly, Frank Stella en Sol LeWitt, representanten van het zuivere, abstracte schilderen die net als Van der Ploeg werken met monochroom geschilderde vlakken, gestileerde vormen en een systematische manier van schilderen. Het lijkt verwant, maar Van der Ploeg is niet zo streng in de leer: ‘Ik voel me zeker verwant met minimal, maar dat het nergens over mag gaan, dat er geen betekenis mag zijn, daar ben ik niet zo mee bezig. Er zijn mensen die in een bepaalde vorm in mijn werk een hotdog zien, ik ban zo’n vorm dan niet uit. Ik kijk veel naar het werk van Sol LeWitt, maar ik vind het soms wel erg theoretisch en star wat hij doet, zo van: we hebben nu primaire kleuren gebruikt, we gaan nu over op de secundaire kleuren. Nee, dat is niks voor mij, dat vind ik te bedacht, te conceptueel.’
De werken van Van der Ploeg zijn de uitkomst van een zorgvuldig proces van ontwerpen, voorbereiden en uitvoeren. Zijn schilderingen worden op maat gemaakt voor specifieke locaties. Soms zijn ze tijdelijk, vaak blijvend. Op het moment dat hij of zijn assistenten de verfroller indopen, is het artistieke denkwerk in feite al gedaan en rest nog het systematisch met horizontale en verticale bewegingen inkleuren van de met grote precisie afgeplakte vlakken. Van der Ploeg schetst zijn ontwerpen op papier en als dat nodig is voert hij deze uit in maquette om zijn plannen aan opdrachtgevers te tonen. De ontwerpen hebben een mathematische grondslag en zijn vaak het resultaat van berekeningen waarbij hij uitgaat van de ruimte waarin een muurschildering zal komen. Van der Ploeg: ‘Heel lang waren mijn werken symmetrisch, op een bepaalde manier spiegelbaar. Dat is nu anders, tegenwoordig maak ik composities ook op gevoel. Ik meet nog wel veel, maar niet meer in al mijn werken. Nu denk ik soms net als een figuratieve schilder: hé daar mis ik nog iets.’

Hij gebruikt vaste vormelementen die steevast terugkomen. Het meest voorkomende is een vorm die Van der Ploeg ‘grip’ noemt. Grip is ontleend aan de uitgespaarde handgreep die je ziet in bijvoorbeeld verhuisdozen. Hiermee maakt hij talloze combinaties. In Wallpainting No. 47 – in 2000 gemaakt op de buitenmuur van een huis in Liessa, Italië – plaatste hij een witte grip op vier kleurvlakken uitgevoerd in zwart, rood en blauw. Door de donkere kleurtoon van de vier onderliggende kleurvlakken en het contrast met de witte grip raak je als kijker in verwarring. Waar de grip zit, wil je een gat zien, maar dat zit er niet: er wordt een spel gespeeld met je waarneming.
Van der Ploeg combineert in zijn schilderingen verschillende paletten. Hij zet ‘vuile’ kleuren – waarin zwart is bijgemengd – naast pure kleuren of kleuren waarin wit is toegevoegd. Juist dit ‘naast elkaar gebruiken’ van verschillende reeksen levert spectaculaire effecten op. Jan van der Ploeg: ‘Mensen vragen wel eens hoe ik mijn kleuren kies. Dat gaat puur intuïtief. Ik leg mezelf geen enkele beperking op. Het zijn de contrasten die het moeten doen. De contrasten met de omgeving maar ook binnen het werk zelf. Als ik in een ruimte kom die wat kil aandoet, denk ik: hier ga ik ’s even wat aan doen.’

Jan van der Ploeg, Aschenbach & Hofland
Galleries, Bilderdijkstraat 165-c, Amsterdam,
t/m 23 juni