Erik Bindervoet, De mond van de waarheid

Het zijn de gekken die gedichten moeten maken

SEMIAUTOBIOGRAFISCH

Ik heb mijn moeder vrij goed gekend.

Echt iets voor haar:

Ze zei er niks van.

Toen ik onder tafel

Mijn stem, bij mijn eten,

In mijn schoenen stopte.

Aardappelen en sperziebonen waren het.

Het vlees en de appelmoes

Had ik al op.

Het begrip poëzie kan naar believen gedefinieerd worden. Hoewel men wel eens hoort spreken over de poëzie van een landschap, een muziekstuk of een dure wijn, zullen de meeste omschrijvingen toch uitgaan van de veronderstelling dat gedichten uit woorden zijn opgebouwd. Veel verder gaat de consensus niet. Gedichten zijn soms herkenbaar aan hun bladspiegel, maken al of niet gebruik van herhaalde ritmische patronen, betekenen vaak iets anders dan ze zeggen, spreken het hart, het oog of het intellect aan, behandelen ernstige of lichtvoetige materie – het is duidelijk dat we zo niet veel opschieten. Maar over één ding zijn de meeste lezers het eens: poëzie is een zorgvuldige manier van taalgebruik die uit­nodigt tot traag en grondig lezen en herlezen.

Erik Bindervoet (1962), bekend van zijn samenwerking met Robbert-Jan Henkes, is door zijn virtuoze vertaalwerk als weinig anderen doorkneed in het ambacht van taalsmid. Als je Finnegans Wake kunt vertalen, ken je de kracht van letters, lettergrepen, woorden en zinsconstructies. Maar betekent het ook dat je iets te melden hebt? Of is dat een rare eis? Bindervoets nieuwe bundel heet De mond van de waarheid, een titel die wel moet verwijzen naar La Bocca della Verità in Rome, de woeste kop van een antieke riviergod die staat opgesteld in het voorportaal van de Santa Maria in Cosmedin, waarvan wordt beweerd dat hij je vingers afbijt wanneer je je hand in zijn mond steekt en een onwaarheid uitspreekt. Klapt Bindervoets boek de kaken dicht zodra je er iets over gaat beweren? Of is het de lezer die het waarheids­gehalte van de poëzie moet wegen?

De bundel bestaat voor het overgrote deel uit geouwehoer, dat in zijn meligheid verwantschap vertoont met Jules Deelder, Herman Brussel­mans en de lullige readymades van het tijdschrift Barbarber, maar de gekte van Jan Hanlo en Jan Arends is nooit ver weg. Het gedicht Echt waar is een eenvoudig voorbeeld:

Je hebt een dikke nek,

Zei Anton Geesink,

Toen ie tegen mijn vader judode

Bij Sportclub Ursus

In de Gymzaal

Van het Vossius.

Is dit een anekdote van niks of een weemoedi­ge herinnering aan de vader die later in de bundel zal dementeren en overlijden? Of ­worden hier de pretenties van het gymnasiaal onderwijs onderuitgehaald? De absurditeit slaat toe in Familiekroniek, dat begint met de ­mededeling dat Tante Jopie al veertig jaar met Harry Mulisch getrouwd blijkt te zijn. Niemand wist het, maar ‘er waren foto’s van’, plakboeken vol krantenknipsels en video’s. ‘Pas toen ik het trouwboekje zag,/ Geloofde ik het ook.’ Ik denk niet dat hier meer staat dan er staat, maar op de een of andere manier is het onweerstaanbaar grappig.

Op dezelfde onnadrukkelijke toon schetst Bindervoet echter ook situaties die schokkend en weerzinwekkend zijn, hetgeen de bundel als geheel in een ander daglicht plaatst. De vertrouwde wereld om ons heen lijkt maar een miniem zetje nodig te hebben om te veranderen in een boze droom of een onbegrijpelijk inferno. Ja, de dingen zijn wat ze zijn, maar misschien zien we ze verkeerd. En misschien is de taal wel ongeschikt om er de waarheid over te zeggen, omdat woorden in zekere zin los van de werkelijkheid staan.

In nogal wat gedichten treden dichters op. De bundel begint met een epifanie van Herman Gorter, K. Michel krijgt ‘een snor van licht’ terwijl hij de gedichten van J. Bernlef voorleest, en in de Lentesymfonie zingen de dichters in de bomen ‘Roekoe roekoe’. Er is een uitvoerige fabel die de rouwdienst van ‘doctor Boktor’ beschrijft, blijkbaar een gezaghebbend dichter, waarin de hele literaire wereld komt opdraven. Gemakkelijk herkenbaar zijn dichters als ‘Dieter Foxma, de sensitieve dichter-weduwnaar’, ‘Diana O., de godin van de jacht’, en ‘Huub van der Lobbes, de doodgoeie bloedhond’, maar er komen ook namen voorbij die niet naar bestaande dichters lijken te verwijzen. Programmatisch is wat de verteller zegt naar aanleiding van Doejong de Loeiboei, ‘die tegen vrijblijvende poëzie was’: het enige wat leuk is aan ’s mans poëzie, is nu juist dat je je er niks, ‘Maar dan ook geen ene reet/ Of mallemoer/ Van hoefde aan te trekken’.

In Kropland, dat uiteraard refereert aan Koplands Jonge sla, staan de volgende regels:

Ik kan veel hebben maar

Dichtende psychiaters vertrouw ik niet.

Het zijn de gekken

Die gedichten moeten maken.

De mensen die het niet weten.

Hoe het zit.

Vanzelfsprekend is het gevaarlijk om woorden uit de ‘mond van de waarheid’ onbevangen te vertrouwen, maar het is onmiskenbaar dat Bindervoet meer ziet in waanzin dan in wijsheid. Dat sluit engagement niet uit, integendeel. In een lang gedicht wordt de hypocrisie van een lelijk, hedonistisch en xenofoob Nederland opgeroepen: ‘Valkland, zwalkland, aderverkalkt land’, vol ‘snuitende spuiters’ en ‘stikkende slikkers’, waar ‘de beul heel zachtjes/ Met u en de andere wolven meehuilt in het woud’. ‘Valkland’ is een allusie op Samuel Falkland, pseudoniem van Herman Heijermans, wiens Kniertje het gedicht afsluit. Dat de vis duur wordt betaald, zien we ten slotte in een uitvoerige beschouwing over de befaamde ‘palingsound’. Met vernietigende ironie veegt Bindervoet de vloer aan met de gelikte muziek van de Cats, bzn en Jantje Smit. Is dat niet al te gemakkelijk? En heeft het nog wel iets met poëzie te maken? Ik zou het niet weten, maar lees het graag.