Olivier Roy over jihadisme en de Europese islam

‘Het zijn jongeren die hun guerrilla zoeken, zoals mijn generatie deed’

22 juli 2015 - Volgens de Franse specialist Olivier Roy moeten we niet bang zijn voor de bouw van moskeeën in Europa en is Islamitische Staat niet meer dan een club van randfiguren. ‘We zouden IS haar religieuze legitimiteit simpelweg niet moeten gunnen.’

Medium is blog pic

Twee vertogen bepalen momenteel het debat over de islam in Europa, meent de Franse islamspecialist Olivier Roy. Het eerste is dat we met Islamitische Staat een glimp opvangen van de ‘ware’ islam. Een veroverende en wrede islam die als ze de kans kreeg overal de sharia zou willen opleggen en geen andere religies duldt. Diep van binnen schuilt er in iedere moslim een jihadist, alsof er in het onderbewuste een mechanisme zit dat hem tot een willoos werktuig maakt van de ideologie die hem bepaalt. Deze opvatting komt het best tot uiting in de vraag: waarom spreken jullie je niet sterker uit tegen de gruweldaden van IS? Zwijgen is toestemmen.

Het tweede vertoog, dat meer moeite heeft zich te laten horen, is het ‘progressief islamitische’ geluid en komt tot uiting in de slogan not in my name. De islam die de terroristen aanhangen is niet de mijne, sowieso heeft het terrorisme niets met de islam te maken, want dat is een godsdienst van tolerantie en vrede. De werkelijke dreiging gaat uit van de islamofobie en de sociale uitsluiting die een verklaring biedt voor de radicalisering van jongeren (zonder die te excuseren). Laten we een religie waarvan de aanhangers tot de sociaal zwakkeren horen vooral niet verder stigmatiseren.

‘Het tegenover elkaar plaatsen van deze twee vertogen, zoals dat de afgelopen tijd gebeurde, leidt tot een impasse’, zegt Olivier Roy tijdens een gesprek over zijn opmerkelijke levensloop en zijn visie op de religie, op de politieke islam in het bijzonder. ‘Allereerst moeten we twee hardnekkige misverstanden onder ogen zien, namelijk dat de geradicaliseerde jongeren die richting Islamitische Staat vertrekken geen avant-garde zijn en nog minder de vertolkers van de frustraties van de moslimpopulatie.’

Het jihadisme is simpelweg de enig overgebleven revolutionaire zaak op de ideeënmarkt. ‘Het zijn jongeren die hun guerrilla zoeken, zoals mijn generatie dat in de jaren zestig deed. Nu is het de internationale jihad. Mij zul je niet horen zeggen dat het niets met de islam te maken heeft, want ze bedienen zich van een islamitisch register. Maar de onderliggende doodsdrift is juist een westers fenomeen, dat put uit bronnen van de Europese cultuurgeschiedenis.’

Radicalisering begint vaak met een ontsporing. Die kan sociaal, economisch of psychologisch zijn. Via de radicaliteit zoeken jongeren de erkenning die de samenleving hun naar hun idee onthoudt door er wraak op te nemen. Roy zegt dat het belangrijk is te beseffen dat deze jongeren niet gewelddadig zijn geworden door de koran. Gewelddadig waren ze al. Uit de koran nemen ze vervolgens wat het meest radicaal is.

‘Wie wil begrijpen wat die jongens drijft moet kijken naar Columbine’, zegt Roy. Bij de schietpartij in het Amerikaanse plaatsje Columbine kwamen in 1999 vijftien mensen om, inclusief de twee daders. ‘Dat waren jongens die zich verloren in dezelfde zelfdestructie. Zowel in het Oosten als in het Westen bestaat een jeugd die is gefascineerd door suïcidaal nihilisme. De bronnen daarvoor liggen in de Romantiek, bij Goethe’s Werther, maar ook in het jacobinisme van de Franse Revolutie. Denk aan Louis de Saint-Just, dat was de archetypische romanticus. En hij wilde doden… Of neem Jean-Paul Marat, die fantaseerde onophoudelijk over zelfmoord en martelaarschap. We willen niet weten waar wij in dat opzicht vandaan komen.’

Roy wijst eveneens op Dostojevski’s roman Duivels, op de negentiende-eeuwse anarchisten en Kierkegaard. ‘Of denk aan Malraux, die in La condition humaine heel goed kan uitleggen waarom Tchen zich gaat opofferen. De Kouachi-broers lieten een identiteitsbewijs achter nadat ze op de redactie van Charlie Hebdo dood en verderf hadden gezaaid; Coulibaly onderhandelde niet over zijn vrijlating na de schietpartij bij de koosjere supermarkt. Hij wist dat hij zou gaan sterven. Het is ten diepste narcistisch, de verwezenlijking van het Zelf via de dood, een romantisch ideaal bij uitstek.’

De lijst met door zelfmoord geobsedeerde types is lang. Maar de extreme gewelddadigheid en het spectaculaire element zijn volgens Roy iets van de laatste decennia. Hij herleidt het tot de banalisering van geweld en marteling in populaire cultuur die begint in de tijd dat de film Scarface (1983) uitkwam en zich sindsdien in tal van films, series en videogames manifesteerde. ‘Die jongeren wéten dat het slecht gaat aflopen, ze zitten in een film en er is geen weg terug.’

Volgens Roy is het zaak om het probleem te de-islamiseren, maar niet door te zeggen dat de islam niet de werkelijke motivatie is. ‘Uit cijfers blijkt dat er in de Verenigde Staten momenteel twee “Columbines” per maand plaatsvinden. Dat wil zeggen dat dat soort schietincidenten banaal is geworden, dat het min of meer hetzelfde wordt ervaren als auto-ongelukken. Waarom hebben aanslagen als die in Parijs zoveel impact? Niet vanwege het aantal doden, maar omdat het uit naam van de islam gebeurt. Wat het zo angstaanjagend maakt is dat eronder het schrikbeeld van een clash of civilizations schuilgaat, het idee dat iedere moslim een slapende terroristencel is die op elk moment kan worden gewekt.’

Ik spreek Olivier Roy (1949) op het prestigieuze European University Institute, een met Europees geld gefinancierde PhD-opleiding in de heuvels van Toscane. Vanuit zijn werkkamer kan hij Florence zien liggen, met de rode koepel van Filippo Brunelleschi als niet te missen herkenningspunt. Lieflijke olijfgaarden strekken zich uit, een schril contrast met de woestenij van Afghanistan waar Roy zijn eerste schreden zette richting een even veelzijdige als indrukwekkende carrière. Hij publiceerde er recent een boek over: En quête de l’Orient perdu (Op zoek naar het verloren Oosten), in de vorm van een reeks vraaggesprekken met zijn uitgever, de filosoof Jean-Louis Schlegel.

‘Het is ten diepste narcistisch, de verwezenlijking van het Zelf via de dood, een romantisch ideaal bij uitstek’

Dat verloren Oosten is in ieder geval het Oosten waarin een achttienjarige jongeman uit Bretagne met extreem-linkse sympathieën, net aangenomen op de École normale supérieure in Parijs, zich vrijelijk kon bewegen. Roy schetst hoe hij via Turkije en Iran naar Afghanistan reisde, visa waren in die dagen nog niet nodig. Zijn reisgenoten vervolgden hun weg over de Hippie Trail richting India; hijzelf boog af richting de Afghaanse heuvels.

Na zijn studie nam hij een baan als leraar in de Franse provinciestad Dreux, maar hij zou naar het land blijven terugkeren, ook nadat het in 1980 bezet werd door de Sovjet-Unie. Hij trok op met moedjahedien, leerde Pasthu en raakte bevriend met de legendarische commandant Ahmed Sjah Massoud, de leider van het verzet tegen de Russen.

Ook was Roy getuige van de toestroom van jihadisten uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Zo beschrijft hij hoe hij tijdens een tocht door de Pansjirvallei plotseling op een lange colonne buitenlandse strijders stuitte, bewapend met gloednieuwe kalasjnikovs en helblauwe slaapzakken. Samen met de groep moedjahedien waarin Roy zich bevond trokken ze op, de buitenlanders zwijgend. Tot een van hen zich tot Roy richtte en hem in het Frans toebeet: ‘Wat doe jij hier, stuk kettervreten dat je bent? Maak dat je wegkomt, ga terug naar huis!’ Het bleek een jonge Algerijn. De rest van de route was de spanning te snijden.

Toen Roy jaren later eens op een ‘deradicaliseringsconferentie’ in Londen moest spreken, zat hij in een panel met een beer van een vent met een enorme baard. ‘Ik ken jou ergens van’, baste deze. ‘Uit Afghanistan volgens mij, maar waar?’ Het bleek dezelfde persoon die Roy destijds op de berg had toegebitst. Zijn naam was Abdullah Anas, de zwager van Abdullah Azzam, de oprichter van al-Qaeda. Nadat Azzam in 1989 was gedood, zou Anas hem aanvankelijk opvolgen, maar hij werd door Osama bin Laden op een zijspoor gezet. Hij keerde terug naar Algerije, waar hij de Islamitische Heilspartij (fis) oprichtte, de radicaal islamitische partij die in 1991 de eerste ronde van de Algerijnse parlementsverkiezingen zou winnen, alvorens die door het leger werd geannuleerd (dit vormde de opmaat tot een burgeroorlog die naar schatting 150.000 levens eiste).

Anas keerde terug naar Afghanistan en nam deel aan de inname van Kabul. Maar de ontbrandende strijd tussen de verschillende verzetsgroepen bracht hem aan het twijfelen. Helemaal toen in eigen land groeperingen als de Islamitische Gevechtsgroep (gia) aan het moorden sloegen. Hoe had een ideologie die gelijkheid en rechtvaardigheid zei na te streven zó kunnen ontsporen?

Roy onderhoudt nog steeds contact met Anas. ‘Hij gaat nu scholen in Engeland af om te waarschuwen voor radicalisering. En reken maar dat leerlingen naar hem luisteren. Als er iemand street cred heeft is hij het.’

Over het algemeen bestaat er in West-Europese landen weinig sympathie voor jihadisten die van hun geloof vallen, benadrukt Roy. Ten onrechte, meent hij: ‘Spijtoptanten van Action Directe (een Franse gewelddadige extreem-linkse groepering uit de jaren zeventigmk) of andere revolutionaire groeperingen konden zonder veel problemen in de samenleving terugkeren. Ex-jihadisten worden gewantrouwd, maar een wezenlijk verschil is er niet.’

Roy geldt als een van de leidende islamspecialisten van de wereld. In de paar uur die ik met hem doorbreng wordt hij gebeld door de Italiaanse krant La Repubblica én het kabinet van de Deense premier, die hij adviseert. Ook dat kenmerkt Roy, want hij heeft zich in zijn leven altijd met het grootste gemak door de meest gevarieerde kringen bewogen. In Afghanistan verzamelde hij informatie over Russische wapens voor westerse geheime diensten en later werkte hij in Tadzjikistan als chef de mission voor de oeso. Zijn terreinkennis maakte hem tot een geziene gast bij Amerikaanse denktanks, inclusief die van de neoconservatieven. Hij is zelfs lid van de Bilderbergconferentie.

‘Ik ga altijd overal spreken’, zegt hij nu. ‘Maar ik hanteer één duidelijke regel: ik zeg overal hetzelfde.’

Zijn naam als academicus vestigde hij in 1992 met L’Échec de l’islam politique (Het falen van de politieke islam). Die titel heeft hij na de aanslagen van 11 september 2001 nog vaak moeten uitleggen. Hoe kon Roy volhouden dat de politieke islam op zijn retour was, terwijl een groep jihadisten de Amerikaanse supermacht zojuist een enorme dreun had uitgedeeld? Het zou Roy’s handelsmerk worden: laat je niet in de luren leggen door wat je op het eerste oog ziet. Het terrorisme van al-Qaeda vertegenwoordigde geen nieuwe dageraad van de politieke islam, maar was eerder een laatste stuiptrekking ervan.

‘Je kunt er niet genoeg op wijzen hoe marginaal Islamitische Staat in ideologisch opzicht is, óók in de islamitische wereld’

Het Iran van Khomeini toonde al dat de politieke islam geen levensvatbaar samenlevingsmodel te bieden heeft omdat zij in haar streven naar zuiverheid geen ruimte laat voor al te menselijke verstrooiing en vermaak. Er bestonden gelukkige moslims, maar geen gelukkige islamisten. De samenleving die zij voorstonden zou altijd neerkomen op onderdrukking van meningen en van verlangens. Daarbij was een islamitische staat een contradictio in terminis: een staat heeft per definitie een seculier karakter omdat ze te maken heeft met de aardse problemen van zijn ingezetenen. Dat vereist compromissen die al snel op gespannen voet komen te staan met de beoogde zuiverheid van de religie.

Hoewel Roy in de grote media vrijwel alleen over de islam wordt bevraagd, is zijn visie op de religie in werkelijkheid veel breder. Daarbij draait het om de vraag hoe religies dankzij de westerse moderniteit evolueerden. Fenomenen als individualisering, detraditionalisering en globalisering hebben ons niet minder religieus gemaakt, stelt Roy. Wel hebben ze de manier waarop wij ons daartoe verhouden veranderd. Neem alleen al de manier waarop wij tot een religie komen: zoals je vroeger als vanzelf de religie van je ouders of je streek aannam is dat inmiddels een persoonlijke keuze. In de grote spirituele supermarkt shoppen we net zo lang rond tot we het religieuze product hebben gevonden dat bij ons past.

In La sainte ignorance (2007) stelde Roy dat we leven in een tijd waarin religie is losgeweekt uit haar traditionele cultuur en zich verbindt met de tekenen van de cultuur die voorhanden is. Roy geeft er smakelijke voorbeelden van: christelijke rockmuziek, de halalburger of de ecologische koosjere supermarkt. Voor profane kennis van de religie bestaat steeds minder belangstelling. Het goddelijke woord komt tegenwoordig direct tot de gelovige, dus liefst zonder tussenkomst van priesters, imams, rabbijnen of andere dragers van kennis en traditie. Eeuwenoude rituelen en gebruiken, het doet er allemaal niet meer toe. Dit is de heilige onwetendheid uit de titel van Roy’s boek. Het enige wat dan nog telt zijn de heilige teksten.

‘Dan wijst zo’n born again moslim op de koran en zegt: “Kijk, daar staat dat we ongelovigen moeten doden.” Fundamentalisten transformeren de heilige teksten tot een normatieve code. Daarbij selecteren ze steeds juist de soera’s die voorschrijven, niet de filosofisch of spiritueel getinte soera’s, die per definitie multi-interpretabel zijn. Ondertussen wijzen critici van de islam met veel misbaar op precies dezelfde soera’s. Dat leidt tot een duel op afstand tussen de fundamentalisten en de pseudo-oriëntalisten die de kritiek op de islam domineren. Het probleem in het huidige debat is dat zij de enige twee zijn die met elkaar spreken.’

Wat Roy bovenal wil duidelijk maken is dat er geenszins sprake is van een islamisering die ten koste gaat van de westerse moderniteit. Het is eerder omgedraaid: als er sprake is van een opleving van de islam, dan is die op westerse leest geschoeid. Fundamentalisme heeft altijd bestaan, maar de globalisering biedt het instrumentarium het te laten voortduren. Een ‘terugval’ in de cultuur ligt steeds op de loer wanneer het fundamentalisme zich in de fysieke wereld manifesteert. Maar internet biedt de mogelijkheid van een virtuele geloofsgemeenschap, iets wat je bijvoorbeeld ziet bij salafisten. Daarom begrijpt Roy alle ophef over moskeeënbouw in Europa ook niet goed. ‘Het is juist een teken dat de religie weer cultuur wordt, zich verankert in de samenleving.’

Het is in zijn ogen de enige hoop op modernisering van de islam. We komen daar nog over te spreken, maar wie met Roy praat ontkomt niet aan de constatering dat ons beeld van de islam wordt bepaald door luie analyses – die weer resulteren in ondoordacht beleid.

Neem de strijd tegen Islamitische Staat. Die wordt door westerse regeringsleiders verkocht als onderdeel van een internationale oorlog tegen het islamitisch terrorisme, terwijl het volgens Roy in de kern om een lokaal verschijnsel gaat: ‘Ik merkte het in de jaren tachtig, toen ik veel door Afghanistan reisde. Dan werd ik plotseling tegengehouden en kreeg ik te horen dat ik nu een islamitische staat betrad en ik in die en die stad een visum kon krijgen. Bleek dat er een of andere lokale mullah een islamitische staat had uitgeroepen en er vanaf nu de sharia gold. Dat was in de Afghaanse deelstaat Nouristan, maar het geldt tegenwoordig evengoed voor het noorden van Nigeria of het noordwesten van Pakistan, waar respectievelijk Boko Haram en de Taliban zitten.’

Roy denkt dat het geen toeval is dat juist dergelijke tribale gebieden zich plotseling ‘islamitische staat’ noemen: ‘Meestal is er sprake van een failed state waarin de traditionele families in crisis verkeren en de macht is overgegaan naar stamleiders die religieus zijn. Tegelijk heeft er een generatiewisseling plaatsgevonden waarbij jongeren zich niet langer verbonden voelen met de stammenhiërarchie en op zoek zijn naar een meer egalitair credo. Dat wordt dus de sharia.’ Hun adhesie aan een globale avant-garde hangt volgens Roy samen met het feit dat deze jongens met groot gemak tussen het lokale en het globale switchen. ‘Maar ze missen wat daar tussenin zit, de natiestaat.’

Ook bij Islamitische Staat is de lokale factor volgens Roy heel duidelijk: ‘Dat is de boog die van het noorden van Bagdad tot Palestina loopt en waar zich soennieten bevinden die geen eigen staat meer hebben. Daar is veel frustratie. In Irak met name waar soennieten het lange tijd voor het zeggen hadden, maar ze door de interventie van de Amerikanen gemarginaliseerd raakten. Ze zonnen op wraak en op dat moment dient IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi zich aan met zijn vreemdelingenlegioen. Hij zegt: de strategie van al-Qaeda is achterhaald, je moet je op een gebied richten, een kalifaat stichten.’

Het Westen heeft er dan ook goed aan gedaan om geen troepen te sturen en zich tot bombardementen te beperken. ‘Je moet lokale actoren het vuile werk zelf laten opknappen, dat heeft het conflict in voormalig Joegoslavië wel bewezen. Daar hebben we het conflict bevroren door de betrokken partijen tot cliënten van de Europese Unie te maken. De prijs daarvoor is dat we een groot deel van het grondgebied besturen, het politieke proces geblokkeerd is en corruptie welig tiert. Lokale actoren moeten zelf verantwoordelijkheid nemen en in het geval van Islamitische Staat betekent dat dat zij zelf de strijd zullen moeten aangaan. Je moet geen landen te hulp komen waarvan de ingezetenen het vertikken om zichzelf te verdedigen.

‘Jongeren herkennen zich helemaal niet in de slecht Frans of Nederlands sprekende imams in hun traditionele kledij’

De Koerden hebben zich in de jaren zeventig en tachtig stevig geweerd, maar onder de paraplu van de Amerikanen zijn ze lui en gemakzuchtig geworden. Toen IS vorig jaar plotseling opkwam hadden de pesjmerga (Koerdische strijders uit het Iraakse deel van Koerdistanmk) het even niet meer. Inmiddels hebben die hun lesje wel geleerd, net als de Jordaniërs. Nu vechten ze voor hun leven en dat is goed.’

Zo lovend als Roy is over de terughoudende aanpak van de westerse landen, zo kritisch is hij over hun retoriek, steevast geformuleerd als ‘strijd tegen het islamitisch terrorisme’. ‘Toen de Franse president Hollande in 2013 zei dat hij troepen naar Mali stuurde, was dat om te strijden tegen het “islamitisch terrorisme”. Nee! Hij had moeten zeggen: ik stuur troepen omdat de Malinese staat dreigt om te vallen, omdat die wordt bedreigd door lieden die zich beroepen op de radicale islam, maar daarachter gaat het vraagstuk van de Toeareg schuil en het probleem van de legitimiteit van de machthebbers in Bamako.’

Dat is de reden waarom je dit soort kwesties volgens Roy niet moet internationaliseren en ideologiseren, maar ze juist moet regionaliseren en de-ideologiseren. Als we dat eerste vaak toch doen komt dat doordat we gevangen zitten in het frame van een clash of civilizations en de wereld in termen blijven zien van een strijd tegen ‘de islam’. ‘Daarom kun je er niet genoeg op wijzen hoe marginaal Islamitische Staat in ideologisch opzicht is, óók in de islamitische wereld.’

Al-Baghdadi kun je volgens Roy nog het best vergelijken met Pol Pot, de leider van de Cambodjaanse Rode Khmer. ‘Zijn messianisme is apocalyptisch en revolutionair. Om een nieuwe wereld te vestigen moeten we eerst de oude vernietigen; een twintigste-eeuws concept, géén terugkeer naar de Middeleeuwen. Daarom moet je IS delegitimeren door erop te wijzen dat IS in geen enkel opzicht de kwintessens van de islam vertegenwoordigt. IS zelf suggereert dat uiteraard wél, door zich te beroepen op de eerste generaties moslims en een denkbeeldige islam naar voren te schuiven. Maar in plaats van de vraag te stellen of dat klopt of niet zouden we IS deze religieuze legitimiteit simpelweg niet moeten gunnen en deze club nemen voor wat zij is, hetzij als een regionale speler, hetzij als een stelletje randfiguren.’

De beste manier om Islamitische Staat in Europa de pas af te snijden is een ‘geïntegreerde islam’ het licht te laten zien. Olivier Roy zegt bewust niet ‘gematigd’, want volgens hem is een ‘gematigde godsdienst’ vanuit theologisch perspectief een aberratie. ‘Van hogerhand religieuze hervormingen eisen is absurd, zeker als we de scheiding tussen kerk en staat serieus nemen. Zo nu en dan zijn er mensen die roepen dat de islam een Reformatie nodig heeft. Maar dan vraag ik: heb je Luther wel eens gelezen? Of wat hij over de joden schreef? Was Calvijn een gematigd iemand? Mijn stelling is dat we van zo’n hervorming geen heil hebben te verwachten, tenminste wanneer het doel een liberale, tolerante, gay-friendly et cetera islam is.’

Maar wat dan? Volgens Roy moeten we inzetten op een ‘middenklasse-islam’, een gevestigde islam die in de westerse samenlevingen is geworteld. ‘Een kerk bestaat in de islamitische wereld niet, maar je zou kunnen denken aan moskeebesturen, waarbij je dan mensen uit de middenklasse naar voren schuift. Dat is belangrijk, want jongeren herkennen zich helemaal niet in de slecht Frans of Nederlands sprekende imams in hun traditionele kledij.’

Wanneer een groep geïntegreerde moslims een moskee wil bouwen en besturen zouden we dat moeten toejuichen, zegt Roy. Toch legt men dat in rechtspopulistische kringen (en in toenemende mate ook daarbuiten) al snel uit als een islamitische invasie, als een kolonisering van de publieke ruimte. Zitten we daarmee niet in een impasse?

‘Het probleem is dat de Europese naties aan zichzelf aan het twijfelen zijn geslagen. Er is veel onzekerheid en een van de reacties is de neiging cultuur tot een identiteit te reduceren. Een beetje zoals de fundamentalisten hun religie tot een normatieve code transformeren. Zo zie je dat men overal in Europa de nationale cultuur tot een soort boodschappenlijstje terugbrengt. Dus dan ga je zeggen: Zwitsers zijn betekent géén minaretten, en je stelt het cliché van het Zwitserse Alpenlandschap voor met koeien en jodelaars. In Frankrijk wil het Front National dat alle leerlingen tussen de middag verplicht varkensvlees eten als dat op het menu staat. Alsof je geen vegetariër zou mogen zijn.

Je ziet het ook terug in de vragenlijstjes die Duitsland en Nederland voorleggen aan mensen die een verblijfsvergunning aanvragen. Dan wordt er op een consulaat een plaatje van blote borsten getoond en vraagt men of dat de aanvrager shockeert. In Vlaanderen is er een vraag over het vroege tijdstip waarop Vlamingen naar bed gaan. Ah bon, dus als ik dat niet doe ben ik geen Vlaming? Men reduceert de cultuur tot een voorgeschreven code van gebruiken en gedragingen. Maar hierdoor accentueert men de crisis in de cultuur juist.’

Is er een weg uit die impasse? ‘Die cultuurcrisis neem je niet zomaar weg, maar wat we wel kunnen doen is ons fermer tonen vis-à-vis de landen van herkomst. Zo wordt het statuut van de imams onderhandeld met Turkije en Marokko, dat is een fundamentele fout. Dus als er een moskee moet komen, gaan we met het consulaat spreken en dat stelt dan een “Turkse” moskee voor. Idem bij de Marokkanen. Maar heeft de lokale moslim per se behoefte aan een Marokkaanse moskee? De architect, vaak Nederlands of Frans, wordt betaald door het consulaat. Hij ontwerpt een exotische moskee en men is akkoord.

Als we een Europese islam willen, een islam die zich nestelt in onze cultuur en die overeenkomstig is met onze normen, moeten we liefst per direct stoppen die te managen in samenspraak met de landen van herkomst. Want noch hun conceptie van de godsdienst, noch van wat een moslim is of zou moeten zijn correspondeert met de onze.’

Roy vervolgt: ‘Erdogan, de Turkse president, is volkomen duidelijk wanneer hij tegen Angela Merkel zegt: een Turk is een Turk. De Marokkaanse koning zegt precies hetzelfde: assimileer niet, blijf Marokkaan. Wij willen juist graag dat ze integreren en staan dus op een compleet andere lijn, laten we dat nu eerst eens onder ogen zien. Beleidsmakers zeggen dan: maar we werken samen met de Turkse, Algerijnse en Marokkaanse overheden om het radicalisme te bestrijden. Ik zeg dan: nee. Die landen verhinderen juist dat de islam hier kan integreren.

Dat we op het gebied van veiligheid samenwerken, daar heb ik alle begrip voor en dat moeten we blijven doen. Maar je moet vooral niet samenwerken waar het erop aankomt een nationale islam te bewerkstelligen. Die moet je zoeken bij de moslims die de Franse en de Nederlandse nationaliteit hebben, en zo mogelijk bij de jongeren. En die zijn er, maar daar luisteren we te weinig naar.’


Beeld: Olivier Roy:‘In het Oosten en het westen bestaat een jeugd die is gefascineerd door suïcidaal nihilisme’ (Hermance Triay / Opale / Leemage / HH)