Interview fotoredacteur John Morris

«Het zijn niet de foto’s, maar de fotoredacteuren die liegen»

John Morris bepaalde als fotoredacteur van grote Amerikaanse bladen welke beelden het wereldnieuws illustreerden. Een machtige positie. De keuze voor een foto kon de publieke opinie doen omslaan.

«Ik kan het haast niet geloven, maar sinds 11 september is de journalistiek alleen maar verder onderuitgezakt. We dachten dat kranten veel vaker fotografen de wereld rond zouden sturen. Dat de aanslagen de wereld eindelijk naar de Verenigde Staten toe hadden gebracht, en de fotojournalistiek de kans zou krijgen haar kracht te tonen. Maar er lijken minder fotografen op pad voor Amerikaanse kranten dan ooit.»

John G. Morris, gevierd Amerikaans foto redacteur in ruste, verbaast zich over zijn opvlammende felheid. Hij is nu 86 en hij heeft veel gezien. Te veel, bijna. Ontelbare foto’s van onbeschrijflijke ellende, soms ook van onuitsprekelijk geluk. Hij stuurde fotografen de wereld rond en selecteerde hun materiaal. Wat hij uitkoos, verscheen op omslagen en prominent in de kolommen van machtige kranten. Opwinden doet hij zich niet gauw meer. Niet om Bush junior. Niet om de teloorgang van de fotojournalistiek waaraan hij het grootste deel van zijn leven wijdde. Het vak gaf hem naar eigen zeggen «inzicht in het cynische spel van de wereldpolitiek en een diep gevoel voor menselijke tragedie».

Nu is hij zowaar een beetje boos. John Morris: «We staan op het punt een oorlog te beginnen tegen Irak. Foto’s helpen daar maar weinig aan, helaas. Fotografen en journalisten zijn heel goed in het verslaan van oorlogen, maar niet in het weergeven hoe de spanning zich opbouwt, laat staan in het voorkómen van conflicten.»

Morris werkte met legendarische fotografen als Robert Capa en Henri Cartier-Bresson. Hij was de eerste executive editor van fotoagentschap Magnum. Capa beschouwde hij als een adoptie broertje. «Ik had nooit een broer, en mijn twee zusters zijn Republikeins.» Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij fotoredacteur voor Life, het wereldberoemde magazine waarin foto grafie een hoofdrol speelde en dat tot 1972 wekelijks verscheen. Het blad drukte foto’s van Capa af die wereldberoemd zouden worden. De stervende militieman, door Capa vanuit een loopgraaf gefotografeerd, camera boven zijn hoofd, juist op het moment dat de man dodelijk wordt getroffen. De controverse duurt voort, maar volgens Morris is de beruchte foto niet in scène gezet. «Capa haatte de dood in die foto.» Een serie van zes foto’s die Capa schoot in de eerste aanvalsgolf op D-Day op Omaha Beach in Normandië, waar een verschrikkelijke slachting plaatsvond. De rest van Capa’s materiaal werd in de donkere kamer van het Londense filiaal van Life per ongeluk vernietigd door een laborant in enorme haast om nog de deadline te halen.

Later werd Morris fotoredacteur van de Amerikaanse dagbladen Washington Post en The New York Times. Kranten die ooit, toen de televisie nog in de kinderschoenen stond, presi denten konden maken en breken, en geliefde kanalen waren om propaganda te bedrijven.

In Morris’ tijd was de fotoredacteur altijd op zijn hoede. Met het plaatsen van een foto konden grote belangen gemoeid zijn. Ooit drukte hij prominent een foto af in The New York Times die velen nog altijd voor de geest zweeft wanneer de term «Vietnam» valt. Het hoofd van de Zuid-Vietnamese nationale politie richt zijn pistool op de slaap van een Vietnamese man in burgerkleding. De handen van de man zijn op zijn rug gebonden; zijn ogen stijf toegeknepen. Juist op het moment dat de politiecommandant de trekker overhaalt, drukt de fotograaf af. De impact van de kogel is niet zichtbaar, maar het gezicht van de burgerman is verwrongen. Grimas van de intredende dood.

«De redactie was het met me eens dat de foto groot op de voorpagina moest. Maar niemand wist welke gevolgen dat zou hebben», zegt Morris. De foto bleek in te slaan als een bom. Was deze oorlog het wel waard gewonnen te worden?

«Percepties lokken actie uit, en foto’s voeden die percepties. Daardoor is fotojournalis tiek het meest effectief in tijden van oorlog», schrijft Morris in Get the Picture, zijn onlangs met een nieuw nawoord uitgebrachte memoires.

Maar waar zijn de grote fotoreportages uit Afghanistan, waar die uit Nepal, Georgië, de Filippijnen, Colombia en andere brandhaar den? Hoe wordt de oorlog tegen het terrorisme in beeld gebracht? Hoe de omstandigheden waarin terrorisme ontstaat? «Het buitenlandse nieuws is de laatste jaren sterk teruggedrongen», verzucht Morris. «Zelfs in The New York Times. Daar helpen geen terroristische aanslagen aan. Het heeft te maken met een gebrek aan toewijding aan de top. Men is veel meer geïnteresseerd in geld verdienen dan in het laten zien wat er werkelijk aan de hand is. De ruimte in kranten en de zendtijd van omroepen worden vooral besteed aan wat het grote publiek behaagt. Sport, evenementen, show en sensatie, het verslaan van trivialia. Als fotoredacteur van Life verdiende je nauwelijks genoeg om een normaal bestaan te leiden, hoe bekend het blad ook was. Nu verdienen fotoredacteuren soms enorme bedragen. Die van The New York Times zo’n miljoen dollar per jaar, schat ik. Zij zijn onderdeel geworden van het commerciële circus. Het is volledig uit de hand gelopen.»

Vorige week was John Morris in Amsterdam, waar hij in het ABC Treehouse een lezing gaf over de invloed van fotojournalistiek op de politiek. Het waren niet de cynische politieke opmerkingen die Morris’ verhaal, begeleid met dia’s, interessant maakten («Kijk, dit is nu een échte as van het kwaad», gniffelt hij als hij de zaal een foto toont van president Nixon die door New York wandelt met zijn veiligheids adviseur Henry Kissinger). Het waren zijn opmerkingen over censuur die bleven hangen.

Morris toonde een zeldzame foto uit de Eerste Wereldoorlog. Britse mitrailleurschutters in actie; om hen heen rukken troepen op door prikkeldraad. Hij toont een prachtige, schokkende foto van een jonge Japanse vrouw met een deels ontvelde rechterwang. Haar kindje, hoogstens enkele maanden oud, het hoofdje bedekt met rode vlekken, drinkt uit haar borst. Ze kijkt stil voor zich uit. De foto is genomen enkele uren na de Amerikaanse atoomaanval op Nagasaki. De Amerikaanse censuur (Japan werd onmiddellijk na de oorlog bezet) liet de foto niet passeren.

Ook in het recent verschenen fotoboek Underexposed: Pictures Can Lie and Liars Can Use Pictures staan dergelijke foto’s. Het boek staat volledig in het teken van wat in Morris’ praatje slechts zijdelings aan bod komt: censuur, selectie en manipulatie van beeldmateriaal voor politieke doeleinden. Aan de frontlijnen van de Eerste Wereldoorlog waren geen camera’s toegestaan, op straffe van de dood. Het thuisfront mocht de gruwelen van de ware oorlog niet zien, om een continue vloed van kanonnenvlees te waarborgen. De officiële, door de militaire autoriteiten goedgekeurde foto’s tonen steevast rustige, soms zelfs vrolijke tafereeltjes in de loopgraven. In Underexposed staat een officiële foto van een veldlazaret. Keurig ziekenhuisje, mooi schoon, bedden netjes langs de wanden. Vriendelijke, in smetteloos wit geklede zusters helpen de gewonden. Daarnaast drukten de makers een «ware» foto af. Anoniem gemaakt, uiteraard. In een intens smerige wagon achter het front liggen tientallen gewonde mannen op een kluitje. Ze wentelen zich in elkaars vuil en kijken wanhopig in de lens. Geen smetteloos wit, geen zuster of arts te bekennen. Zo was het werkelijk.

Underexposed vertelt het verhaal achter de censuur. Zelfcensuur soms. De maker van de foto’s van afgeslachte burgers in het Vietnamese dorp My Lai hield uit eigener beweging zijn foto’s maanden achter. De Britse pers tijdens de Tweede Wereldoorlog wilde niet geloven dat geallieerde piloten werkelijk zonder militaire reden Dresden in de as hadden gelegd ten koste van honderdduizend burgerdoden, en publiceerden pas na de oorlog het werkelijke verhaal, met foto’s van de totaal verwoeste stad. Ook het plaatsen van de afgrijselijke foto van een volledig veraste Irakese soldaat wiens lichaam tot zijn middel in zijn tank steekt, werd getraineerd. De foto werd genomen tijdens de Golfoorlog, op de «Highway of Hell». Britse en Amerikaanse piloten bombardeerden urenlang de zich uit Koeweit terugtrekkende Irakese troepen die in de woestijn geen enkele beschutting hadden.

Morris: «Als er geen foto’s zijn van een belangrijke gebeurtenis moet je wantrouwend worden. Het incident in de Baai van Tonkin, bijvoorbeeld. Dat was het Amerikaanse excuus om duizenden troepen Vietnam in te pompen. Maar het incident vond nooit plaats. Wij fotoredacteuren vermoedden dat al: er was geen beeld. Fotografie is machtig, onderschat haar kracht niet. Kijk naar Vietnam. De oorlog kreeg een andere wending toen beeldmateriaal het Amerikaanse thuisfront op andere gedachten bracht. Wat als er wél frontfoto’s hadden gecirculeerd in de Eerste Wereldoorlog? Hadden de generaals hun massaslachting dan ook vier jaar kunnen volhouden? Wat als ik die Japanse foto’s van atoomslachtoffers op de cover van Life had kunnen zetten? Hadden we ons dan zo gemakkelijk neergelegd bij het bestaan van de atoombom? Was de Koude Oorlog dan anders verlopen? Die vragen houden me nog steeds bezig.»

Censuur en manipulatie liggen immer op de loer, zegt Morris. «Maar het zijn meestal niet de foto’s maar de fotoredacteuren die liegen. Zíj maken de keuzes, zíj sluiten soms de ogen. De fotograaf drukt slechts af.» Hij toont een foto van Bush en de Franse president Chirac die elkaar in Parijs de hand schudden. Chirac trekt een pijnlijke grimas, Bush kijkt zelfverzekerd. Het is alsof de Amerikaanse president de hand van zijn Franse ambtgenoot verpulvert. Morris had ook een foto uit dezelfde serie kunnen kiezen die een seconde later werd gemaakt. Dan staan de gezichten weer in de plooi, en is de foto verworden tot een obligaat diplomatiek portret.

«Het gaat om keuzes, om zelfcensuur», zegt Morris. «Dat geldt ook voor televisie. Ik keek gisteren naar CNN en het viel me weer op hoezeer die zender een verlengstuk is geworden van het Witte Huis. Ze hebben 24 uur per dag zendtijd, en kunnen beschikken over perfect materiaal. Maar de CNN-bazen hebben kennelijk geen belang bij kritisch onderzoek naar de noodzakelijkheid van oorlog tegen Irak. Mensen denken vaak dat de rol van de cameraman bij het filmen van het dagelijkse nieuws heel belangrijk is. Niets is minder waar. Het gaat om wat de regisseur met het materiaal doet. Geloof me, cameramensen bij de tv hebben vandaag de dag dezelfde frustraties als ikzelf en de fotografen die voor me werkten vroeger hadden.»

John G. Morris

Get the Picture: A Personal History of Photojournalism

Uitg. University of Chicago Press

Colin Jacobson (ed.)

Underexposed: Pictures Can Lie and Liars Can Use Pictures

Uitg. Vision on Publishing