Bas Heijne

Het zit op de bank

Bas Heijne heeft zijn stukken gebundeld in ‘De wijde wereld’. Onderliggende vraag: kan iemand zijn eigen schepper zijn? Heijnes essays blijken in rouw gedompeld.
Bas Heijne, De wijde wereld. Uitg. Prometheus, 232 blz., ƒ31,95


‘JE HEBT HET helemaal verkeerd gelezen’, zei de schrijfster Sevtap Baycili toen ik haar tijdens een interview vertelde dat ik het een zwartgallig en cynisch boek vond, De nachtmerrie van de allochtoon (Van Gennep, 1999). Allereerst had ik ze volgens haar niet allemaal achter elkaar moeten lezen, de zogenaamde archetypische nachtmerries van allochtonen; ten tweede had ze er niet zo’n zware bedoeling mee. ‘Het is een boek dat zich aanpast aan je stemming’, zei ze, waarmee de bal weer bij mij lag. Was ik al somber voordat ik aan De nachtmerrie van de allochtoon was begonnen? Vervolgens las Baycili een stukje voor uit haar boek en opeens hoorde ik wat ze bedoelde. Door haar dictie en tempo van vertellen kwam er lucht tussen de zinnen en begonnen de afzonderlijke woorden te dansen. Het werd zowaar bijna een vrolijke tekst.


Had ik de stukken van Bas Heijne die zijn gebundeld in De wijde wereld ook niet achter elkaar moeten lezen? Had ik me zijn stem en hoofd er bij voor ogen moeten houden? Of sloeg de somberte des te onverbiddelijker toe als ik daaraan dacht? Feit is dat het me nog niet eerder was opgevallen dat zijn schrijven in rouw gedompeld is. Ik kende bijna alle stukken al uit de NRC van het afgelopen jaar en was dan meestal geraakt door iets, een mooie zin, een grappige wending. Sommige scheurde ik uit om nog eens terug te kunnen lezen. Nu ik ze ingelijst in een boek las, raakte ik getroffen door iets wat me in de stukken afzonderlijk niet zo was opgevallen: de nauw bedwongen wanhoop, gemaskeerd door de analysedrift van de commentator.


‘Ik zal mijn eigen schepper moeten zijn’, schrijft Heijne in het eerste stuk, dat als een soort inleiding fungeert. Op het breukvlak van twee eeuwen constateert hij dat er geen woorden meer voorhanden zijn die het leven sturing of zin geven, die als tegenwicht kunnen dienen voor de dagelijkse gang naar de supermarkt. Voor zover de grote woorden er nog zijn, bijvoorbeeld op de late zondagavond bij Wim Kayzer, zijn ze teruggebracht tot het niveau van human interest. ‘En zo wordt heel de wereld één grote Villa Felderhof.’ Hij neemt zich voor een zoektocht te ondernemen naar een eventueel nieuwe betekenis van leeggezogen woorden als Kwaad en Leegte, Troost en Schoonheid, Eeuwigheid en Liefde. ‘Ik zal er betekenis in moeten ontdekken, of op zoek moeten gaan naar andere woorden.’


Het is het startschot voor een nogal diffuse onderneming die hem vaak in de bioscoop brengt, af en toe een vliegreisje naar Amerika doet ondernemen, tentoonstellingen doet bezoeken, maar hem meestentijds thuis naar het televisiescherm laat staren. Zappen. Vindt Heijne wat hij zoekt? Je neemt altijd jezelf mee, pleegt men te zeggen als je in overspannen of ongelukkige staat aankondigt er eens écht helemaal tussenuit te gaan. Een dooddoener van de bovenste plank die ook van toepassing is op hetgeen gebeurt bij Heijnes zoektocht. Hij zoekt verlossing, maar had buiten zichzelf gerekend.



ZIJN ESSAYS ZIJN in gebundelde staat in drieën verdeeld. In deel I, ‘We zijn, dus we zijn’, laat Heijne aan de hand van uitstapjes naar onder meer de meubelboulevard, de Oprah Winfrey Show en een fototentoonstelling met portretten van gewone mensen zien dat we in feite aan het begin van dit millennium met lege handen staan, dat we naakt zijn en geen toekomst hebben. ‘We zijn niet langer op weg.’ Verdwenen zijn de Vaandels, de Leiders, de Idealen. Deze armoede vertaalt zich in ongekende kooplust, erbarmelijke televisiejournalistiek, meer horrorfilms dan ooit, onpersoonlijke seks en een bovenmatige aandacht voor zogenaamd persoonlijke drama’s. In deel II, ‘Een betere wereld’, borduurt hij door op dit thema en schetst hij de teloorgang van het revolutionaire gedachtegoed. Het mooiste stuk in dit deel gaat over de Black Panthers van weleer, die emotioneel geen afstand kunnen doen van de meest glorieuze periode in hun leven. Hier wordt de tragiek die aan Heijnes hele bundel ten grondslag ligt treffend gesymboliseerd: ooit was er jeugd, verlangen, geloof, en zie dat verlies maar eens te boven te komen.


In deel III ten slotte, ‘Tussen geest en vlees’, komt de schrijver het meest direct bij zichzelf uit. Zo beschrijft hij een bezoek aan Parijs. Hij gaat daar een opvoering zien van een toneelstuk van Ionesco dat al twintig jaar op die plek, met die spelers, wordt opgevoerd, en verbindt daar allerlei aardige intelligente observaties aan. Niets aan de hand, zou je zeggen, tot hij terloops opmerkt dat hij natuurlijk twintig jaar geleden naar Ionesco’s stuk had moeten gaan. Dan had hij er immers ook op school nog wat aan gehad. ‘Maar ik had in Parijs steeds iets beters te doen.’


Acuut krimpt mijn hart. Ooit was er écht leven. Nu bereist Heijne de wereld als een accidental tourist, de tragische held uit Anne Tylers gelijknamige roman. De man die eropuit trekt omdat dat nu eenmaal zijn beroep is, maar die de wereld op afstand houdt omdat hij niet anders kan. Nog niet. Of niet meer.



DAT BAS HEIJNE in de rol van beschouwer inmiddels ook een zekere hoogte heeft bereikt, blijkt ook uit zijn ongeveer maandelijkse optreden in het televisieprogramma over literatuur, Zeeman met boeken. Hij is in het kleine gezelschap dat de literaire oogst van de afgelopen maand bespreekt steevast de ergste in zijn uitgesproken dédain voor wat er zoal aangeprutst wordt, met name in de Nederlandse letterkunde (de gezichtsuitdrukking waarmee hij de ‘petite histoire’ naar het rijk der gruwelen verwees, staat op mijn netvlies gebrand), maar ook de leukste. Hij is iemand naar wiens mening ik benieuwd ben, terwijl ik me tegelijkertijd gek erger aan de manier waarop hij op die bank achterover geleund zit. Het is zijn favoriete plek, op de bank in de dug-out, becommentariërend hoe anderen zich het apenzweet rennen.


Ook in De wijde wereld is dat dédain aanwezig. Wat dat betreft is het jammer dat hij zijn mikpunten nogal veilig kiest. Dat de bekentenisporno van Oprah Winfrey mijlenver van ‘ons’ afstaat, weten we inmiddels wel. En dat de cabaretière Simone Kleinsma er als de kippen bij is om de tragische dimensie aan haar bestaan in de uitverkoop te doen, tja… Interessanter zou ik het vinden als hij zich uit zou spreken over oprechte pogingen kond te doen van groot verdriet die niet direct associaties oproepen met ‘verkwanseling’, zoals de Engelse dichter Ted Hughes na een leven lang zwijgen over Sylvia Plath postuum naar buiten trad met zijn Birthday Letters, of John Bayley in zijn elegie voor ‘Iris’ (Murdoch) een hoop privé-sores in de openbaarheid bracht. Dit is namelijk het griezelige terrein dat ook Heijne schoorvoetend betreedt: het gebied tussen het zwijgen en spreken, tussen het bewaren en prijsgeven.


Op de eerste pagina van zijn boek bevindt Heijne zich boven Siberië en valt, ontwakend uit de halfslaap die typerend is voor vliegreizen, ten prooi aan een ijskoud gevoel van angst. ‘Vechtend tegen de paniek ging ik rechtop zitten.’


Op de laatste pagina ligt hij op het strand van Zandvoort en hangt het zweet in druppels aan zijn wimpers. Zelfs in de hete zon leest hij óver het strand in plaats van dat hij zich overgeeft aan het strandleven van het moment. Om in kooktoestand tot de conclusie te komen dat analyse weliswaar zekerheden verschaft, maar dat het schijnzekerheden zijn. ‘Ze houden het verdriet en de dood niet op afstand.’ Tussen Siberië en Zandvoort heeft hij zich op zijn manier uitgeleverd, namelijk aan becommentariëren, analyseren en filosoferen. Het is het enige wat hij kan. En gelukkig kan hij het goed. Het neemt niet weg dat De wijde wereld meer dan de gepretendeerde temperatuuropname van de tijd het persoonlijk echec laat zien van iemand die erachter komt dat hij niet zijn eigen schepper is.