Het zonnige zomerlezen

Niets fijner dan een boek waar je vrolijk van wordt. Niets zeldzamer ook. De Groene-medewerkers dolven naar goud. Veertien tips voor het betere optimistische lezen.

© Martine Franck / Magnum / HH

Net niet de beste

Mijn ouders gaven me voor mijn verjaardag een zwemabonnement cadeau. Geen tienrittenkaart voor het nabijgelegen en altijd drukke sportfondsenbad, maar een punch card voor het zwembad-met-een-concept aan de andere kant van de stad: twee banen breed en vijftig meter lang, tijdslot te boeken via een app, nooit meer dan acht mensen in een baan. Sinds ik daar ongestoord mijn meters maak, ga ik toch aanmerkelijk luchthartiger door het leven.

In haar wonderschone memoir Swimming Studies (2012) verwoordt de Canadese oud-zwemster Leanne Shapton helder de lichamelijke en geestelijke effecten van zwemmen: ‘Het lichaam, ondergedompeld, voelt vergroot, zwaarder en lichter tegelijkertijd. Gewichtloos en toch sterker.’ Terwijl de tegeltjes op de bodem aan haar voorbijtrekken, verwerkt ze meditatief de levendige herinneringen die elkaar willekeurig afwisselen: ‘Mijn reacties op die gedachtes bubbelen langs mijn lippen het water in, verbeteringen op de geschiedenis – wat ik had moeten zeggen, had willen kunnen zeggen.’

Shapton was buitengewoon goed en schopte het bijna tot de Olympische Spelen. Meer dan een terugblik op het leven als topsporter is Swimming Studies dan ook een reflectie op de vraag wat het betekent om na jarenlange offers net níet de beste te zijn. Hoe incorporeer je een oude identiteit, opgehangen aan een talent waaraan weinig eer meer valt te behalen, in een nieuw zelfbeeld?

In dat licht valt Swimming Studies te lezen als een pleidooi voor toewijding – in sport, kunst, liefde. Als Shapton begint met een tekenopleiding – sommige hoofdstukjes bestaan uit aquarellen van haar hand – merkt ze wat eindeloze zwemsessies haar over weerstand hebben geleerd: ‘Telkens wanneer ik aan een groot project begin, en als zwemmer een training overweeg, verschijnt er voor mijn geestesoog een grijze, sisyfusachtige berg die ik moet negeren om met klimmen te kunnen beginnen.’ Waar het voor de kunst noodzakelijk is vasthoudend te blijven werken, merkt ze dat ze in haar huwelijk haar heerszucht beter los kan laten: ‘Het is mijn kleine, open watervlakte, en als ik voorzichtig ben, zou het me kunnen dragen.’

Een bemoedigende gedachte die ik aan Swimming Studies ontleende: hoe goed of slecht iets gaat, er is altijd de oefening om op terug te vallen – een gecontroleerde ademhaling, een ritmische slag.

Femke Essink

Leanne Shapton, Swimming Studies. Riverhead Books, 2016


Koud washandje

Toen Jenny Diski een paar jaar geleden overleed was er een korte periode waarin haar naam verdrietig klonk, maar al gauw gebeurde het onvermijdelijke en leken die vier lettergrepen weer een klein grapje te vormen. Jenny Diski. Iets als een korte spreuk waarmee allerhande gedoe valt te bezweren. De in A View from the Bed verzamelde stukken en stukjes (essays, recensies, dingetjes) zijn allemaal even slim en lichtvoetig. Zo slim en lichtvoetig dat je al lezende merkt hoezeer je ervan opvrolijkt. Vaak brengt de titel al het genot van een koud washandje op een warm voorhoofd: ‘A slut’s slut’, ‘Larkin’s Lesbian Period’, ‘The Daddy of All Patriarchs’, ‘Did Jesus walk on water because he couldn’t swim?’

In ‘Reading the Labels on Marmalade Jars’ heeft Diski nog geen twee pagina’s nodig om het hele bestaan samen te ballen in iets wat luchtiger is dan een Viva-column over het bakken van soufflés. De eerste regels zeggen alles over wat voor mens we hier voor ons hebben: ‘I don’t believe in God. Actually, that’s putting it too fervently. I don’t think it’s very likely. I’d be surprised. But then I like surprises, so it’s possible I have an ulterior motive.’ Diski is iemand die alles met een grijns wantrouwt, niet in de laatste plaats zichzelf. Ze vertelt dat ze kort geleden in een deprimerend gesprek was beland over de Zin van het Alles. De vage kennis die ze sprak was van nature al geen vrolijke figuur, maar ook iemand die nog wat ongelukkiger werd bij de gedachte dat het leven geen doel zou hebben. ‘I wasn’t being confronted with great faith here’, schrijft Diski, ‘just someone hanging on by their toenails to what they thought of as something rather than nothing.’

De grote waarom-vraag is gevangen wind in de lege kamers van onze te ruim zittende breinen, denkt ze. Zelf hoeft ze maar de totale toevalligheid van alles te overdenken om in lachen uit te barsten. ‘As far as I can understand it, most of us are grasping at straws and those who are not grasping have got one clutched in their fist while along with the rest of us they take the tumble down Alice’s rabbit hole.’

Jan Postma

Jenny Diski, A View from the Bed and Other Observations. Time Warner Books UK, 2003


In Dickens wonen

Alsof iemand met één veeg al het geneuzel en alle gevoeligheden van tafel veegt. Hup, gewoon beginnen: ‘This may be hard to believe, coming from a black man, but I’ve never stolen anything. Never cheated on my taxes or at cards. Never snuck into the movies or failed to give back the extra change to a drugstore cashier indifferent to the ways of mercantilism and minimum-wage expectations.’ Altijd lekker, zo’n verteller die gewoon tegen je aan begint te kletsen, je bent automatisch aan de buis gekluisterd, vooral met zo’n aangrijpend en absurd plot als dat van The Sellout van Paul Beatty. Hoe toepasselijk dat de hoofdpersoon, een typische én atypische antiheld, alleen een achternaam heeft, ‘Me’, en dat hij in Dickens woont, een onzichtbaar gemaakt getto. En alles is beter dan onzichtbaarheid.

Vader is dood tijdens een incident met de politie: ‘Dickens was me. And I was my father. Problem is, they both disappeared from my life, first my dad, and then my hometown, and suddenly I had no idea who I was, and no clue how to become myself.’ How to become yourself? Me en de oude Hominy Jenkins hebben daar zo hun eigen, ogenschijnlijk bizarre antwoord op. Hoe vreemd het ook mag klinken, een zwarte man die een zwarte bejaarde als slaaf onder z’n hoede neemt en ook nog eens pleit voor segregatie, de omkering werkt. Wit én zwart, conservatief én progressief, niemand, geen enkele groep wordt gespaard in The Sellout. Racisme, identiteitspolitiek, slavernij – geen thema’s voor een vrolijk en optimistisch stemmend vakantieboek, zou je zeggen, maar wat een vaart, wat een inktzwarte humor, echt op het randje, ik was voortdurend op mijn hoede, de eerste keer dat ik het las.

Een lastig boek, dat zeker, maar dat zijn de beste. Nee, dit is geen slapstick, wel een louterende, slimme vertelling. En nee, uitbuiten is geen kattenpis, zelfs niet met de beste intenties: ‘They say “pimpin’ ain’t easy”. Well, neither is slaveholdin’. Like children, dogs, dice, and overpromising politicians, and apparently prostitutes, slaves don’t do what you tell them to do.’ Sneaky.

Alfred Schaffer

Paul Beatty, The Sellout. Farrar, Straus & Giroux, 2015


Colaatje drinken

De meest opgewekte literatuur die ik ken werd geschreven door Frank O’Hara (1926-1966). In de gedichten uit zijn beroemde bundel Lunch Poems (1964) presenteerde de Amerikaanse curator en schrijver zich als een montere flaneur die tijdens zijn middagpauzes het bruisende New York doorkruiste op zoek naar een broodjeszaak en ondertussen overvallen werd door allerlei associaties, observaties en details. O’Hara’s poëzie vormt de neerslag van het unieke innerlijk leven dat hem op die alledaagse wandelingen begeleidde, vastgelegd in lichtvoetige regels die een eigenzinnig, bijna praterig ritme opwekken.

Zijn mooiste gedicht vind ik ‘Having a Coke with you’, dat nog iets ouder is. Naast een uitmuntend staaltje liefdeslyriek is het een gevoelige ode aan het kleine en intieme. Het heeft de vorm van een opsomming van activiteiten die de dichter met zijn geliefde heeft ondernomen, van het drinken van een cola tot een tentoonstellingsbezoek: ‘it is hard to believe when I’m with you that there can be anything as still/ as solemn as unpleasantly definitive as statuary when right in front of it/ in the warm New York 4 o’clock light we are drifting back and forth/ between each other like a tree breathing through its spectacles/ and the portrait show seems to have no faces in it at all, just paint/ you suddenly wonder why in the world anyone ever did them// I look/ at you and I would rather look at you than all the portraits in the world/ except possibly for the Polish Rider occasionally and anyway it’s in the Frick/ which thank heavens you haven’t gone to yet so we can go together for the first time’.

Als geen ander weet O’Hara de schoonheid van het wereldse te vatten en het extatische van verliefdheid over te brengen. Door aandachtig te kijken en te formuleren redt hij het vervlietende van de vergetelheid; het gedicht bewaart de meest persoonlijke ervaring door haar openbaar te maken: ‘it seems they were all cheated of some marvelous experience/ which is not going to go wasted on me which is why I’m telling you about it’.

Lodewijk Verduin

Frank O’Hara, _Selected Poems. Knopf, 2009_


Moord en doodslag

Wie Rabelais’ Gargantua en Pantagruel, Laurence Sterne’s Tristram Shandy of Ulysses van Joyce leest, kan alleen maar in een vrolijke en opgeruimde stemming komen. Waarom? De drie boeken zijn ontregelende taalfeesten en trekken zich niets aan van welk vormvoorschrift of realisme dan ook. Bovendien is de provocatie, politiek of seksueel getint, nooit ver weg. Die boeken zijn allang klassiekers. Dat is nog niet het geval met een boek dat me net zo blij maakt. De Amerikaanse dichter/schilder Kenneth Patchen gaf Het dagboek van Albion Moonlight _ in 1941 in eigen beheer uit en het was na de oorlog een sensatie onder de Vijftigers, evenals _Sleepers Awake (1946).

Dat niet na te vertellen dagboek – ook maar een vorm om uitdagend mee te donderjagen – speelt zich af in de pestilente zomer van 1940 als Hitler Europa wil veroveren. Vanuit New York vertrekt Albion Moonlight met een groep mensen langs de rivieren in Amerika. Al gauw zetten jachthonden de achtervolging in. Wat volgt is moord en doodslag, al moet de lezer niet verwonderd opkijken als een dode later weer blijkt te leven, immers, waarom zou een verhaal de werkelijkheid moeten nabootsen? Afgezien van de speelse en aforistische vorm – waarin ook ruimte is voor simultane vertellingen, typografische grapjes, ingebouwde romans en zeer geestige romansynopsissen – ontwaart de lezer in de bewust onderbroken verhaallijn een pacifistische geest. Het gaat er niet om waar men zich kan verstoppen als de oorlog komt. Niemand vraagt zich af waar we de oorlog kunnen verstoppen. Albion Moonlight (‘Ik ben even vol mensen als een stad’) leest en schrijft met jachthonden en soldaten op zijn hielen en weet de lezers te boeien voor zijn oorlog, die moordend is maar ook alles met lezen en schrijven te maken heeft. Zo houdt hij de échte oorlog op afstand. De geest schept zijn eigen land. En dat eigen land is niet Amerika of Duitsland maar een wereld die er nog niet is. In de kunst staat niets vast en daarom is die kunst zo gevaarlijk voor de politieke regisseurs. ‘Elke dag begin ik een nieuw leven. Er gaat een eindeloze stoet mensen door me heen. Wie ben ik op dit ogenblik?’ Zo’n inzicht is het begin van vreugdevolle flexibiliteit.

Graa Boomsma

Kenneth Patchen, The Journal of Albion Moonlight. New Directions, 1941


Onder echte vluchtelingen

De titel Dit land is mijn land verwijst naar de song van Woody Guthrie, ‘This Land is Your Land’ (1940), ‘een eerbetuiging aan de armoedzaaiers en pechvogels die in de jaren dertig van de vorige eeuw op zoek gingen naar een beter leven’, maar is natuurlijk ook van toepassing op de vluchtelingen van nu: door geen ‘high wall’ en geen bord met ‘Private Property’ laten zij zich tegenhouden, ‘zelfs niet door kolkende zeeën’. Want: ‘This land was made for you and me.’

Behalve op de vluchtelingen slaan die regels ook op de auteur zelf, de Belgische historicus en journalist Jan Hunin, tot voor kort Oost-Europa-correspondent voor onder meer De Standaard en de Volkskrant. Hij heeft zich voorgenomen de vluchtroute van Syrië naar West-Europa samen met een paar echte vluchtelingen af te leggen, hoewel hij natuurlijk weet dat het in zijn geval maar half serieus is, eerder een combinatie van zucht naar avontuur, blijk van solidariteit en participerende journalistiek. Een domper op de vreugde is dat de Volkskrant, hoewel hij die naam niet expliciet noemt, er niets in ziet, ook niet als hij het als vakantie beschouwt. Dan maar op weg zonder rugdekking door de krant.

Volgt een soms adembenemend reisverhaal, per etappe nauwkeurig en feitelijk gedocumenteerd, maar ondanks ontberingen en frustraties zonder zelfbeklag. Hunin beschikt, behalve over een soepele stijl, over een onuitputtelijke dosis (zelf)ironie, zodat er op haast elke bladzijde ook wel even gelachen kan worden. Soms heeft het boek zelfs iets van een schelmenroman, in de Nederlandse literatuur een weinig beoefend genre, en zeker niet op basis van een zo ellendig gegeven als dit. Maar Hunin flikt het, zonder zijn bevoorrechte positie te vergeten en het leed van zijn jongere Syrische kompanen te bagatelliseren.

Tot de spannendste delen van de reis behoort de overtocht van Izmir naar Lesbos, sinds Sappho ‘het epicentrum van de lesbische liefde’. Vervolgens blijkt het registratiecentrum aldaar een ramp, de bevolking daarentegen betoont zich verrassend behulpzaam en meelevend. Hoewel ze hun gedroomde bestemming in Europa bereiken, gaan twee van de drie uiteindelijk, teleurgesteld en gedreven door heimwee terug naar het verwoeste land van herkomst, waar de schrijver van deze meervoudige krachttoer hen later nog eens opzoekt. Of wij, lezers, Jan Hunin nog ooit zullen terugzien als dagbladcorrespondent moet worden betwijfeld, te hopen valt zeer dat hij inmiddels aan een volgend boek werkt.

Cyrill Offermans

Jan Hunin, Dit land is mijn land: Een reis naar Europa. Polis, 2019


Amour fou

Geen boek voor de harde lach dit, welbeschouwd is De geschiedenis van mijn kaalheid een opeenstapeling van miscommunicatie, absurdistische ranzigheid en wreedheid, maar toch: dit debuut van Marek van der Jagt heeft iets ongewoon levenslustigs. Door de montere toonzetting, het voortjagende tempo, de stortvloed aan komische beelden.

Aan het woord: een Weense jongeman die onsuccesvol dicht en met enige moeite accepteert dat hij middelmatig is. In deze roman tekent hij vooral op wat zijn broers en ouders allemaal voor raars uitspoken. Veel ontsporende gesprekken, veel bizarre taferelen waarbij je makkelijk over de ernst heen leest. Het verhaal schommelt heen en weer tussen bijles aan een geestelijk gehandicapte en zoekende bezoekjes aan nachtclubs, tussen de escalerende gesprekken met de nieuwe, alsmaar kwebbelende vrouw van Mareks vader en de ontmoeting met een vrouw uit de bibliotheek. Marek raakt enigszins geobsedeerd door de amour fou, zonder te weten wat dat precies inhoudt, en ook is hij steeds meer bezig met zijn psychisch instabiele moeder. ‘Misschien zou ze zelfs van me hebben gehouden, een kort verloren moment. Mama was royaal met geld, maar des te gieriger met liefde.’

Je voelt aan dit tweede ‘debuut’ van Grunberg hoe makkelijk het schrijven hem afging. En hoeveel plezier hij daarbij gehad moet hebben, tussen enkele serieuzere werken door. Eigenlijk is er in deze hele roman geen normaal mens of gewone scène te bekennen. Dat maakt dat het literair uiteindelijk minder beklijft dan wellicht mogelijk was geweest, tegelijkertijd zorgt het voor die volstrekt eigen sfeer van het boek, al die onthechting en wereldvreemdheid die zo speels worden opgetekend dat je er al lezende bijna naar gaat verlangen. De geschiedenis van mijn kaalheid is een buitengewoon ‘fris’ boek, wat een beetje hol, reclameachtig klinkt, maar in wezen een groot compliment is: hoe vaak zijn romans nou werkelijk komisch, opmonterend? En dat zonder dat de ironie allesoverheersend is en zonder dat er duidelijk gemikt wordt op de harde lach? Nog steeds een raar hoogtepunt in Grunbergs oeuvre.

Thomas Heerma van Voss

Marek van der Jagt, De geschiedenis van mijn kaalheid. De Geus, 2004


Het niet-schrijven

Het oeuvre van Miranda July is spectaculair veelvormig en toch volkomen consistent. Haar werk – film, boek, performance, album, kunst – is altijd onmiskenbaar July: intrigerend en een beetje irritant. Ook haar fictieboeken (een verhalenbundel en een roman) zijn tegelijkertijd prettig avontuurlijk en ergerlijk sentimenteel. Ze prikkelen en schuren, maar op een manier die gecalculeerd aanvoelt. Een beetje bedacht.

Maar July schreef ook een non-fictieboek, Het kiest jou , een tussendoortje eigenlijk, dat in al zijn achteloosheid en lichtvoetigheid eigenlijk haar beste boek is. In wezen is Het kiest jou een making-of; van haar tweede speelfilm The Future, maar ook een making-of van het boek zelf. Het gáát erover, over maken, over hoe maken en leven op elkaar kunnen botsen en over hoe ze soms tegelijkertijd tot stilstand komen. Het kiest jou begint in 2009, als July net getrouwd is en kampt met een writer’s block. In plaats van gefrustreerd door te schrijven aan haar scenario besluit ze om het ‘niet-schrijven’ serieus te nemen. Gefascineerd door de advertenties in huis-aan-huisblaadje de PennySaver zoekt ze de mensen achter die advertenties op. Van een making-of verandert Het kiest jou in iets heel anders: een reeks portretjes van de verkopers van zelfgemaakte kerstkaarten, versleten troetelbeerknuffels en complete dvd-collecties. July raakt in de ban van die mensen en hun verhalen, die zo echt zijn dat het geconstrueerde verhaal uit haar eigen scenario erbij verbleekt. Dus besluit ze om de deur open te zetten en de werkelijkheid binnen te laten in haar scenario.

Sinds ze getrouwd is, schrijft July, moet ze steeds aan de dood denken. Het is dat ‘voor altijd’ dat zo onverbiddelijk voelt als de dood zelf. In Het kiest jou voert July het toeval op als ultieme tegenhanger van het maken van keuzes. Het is het niet-schrijven en het niet-kiezen dat haar met een omweg op de plaats van haar bestemming brengt, namelijk bij The Future, die in 2011 uitkomt, met een rol voor een van de PennySaver-verkopers die ze heeft ontmoet. Het maakt van Het kiest jou een geruststellend rond verhaal, een boek dat warm en grappig en ontroerend is, en helemaal July.

Basje Boer

Miranda July, Het kiest jou. Met foto’s van Brigitte Sire. Vertaling Waldemar Noe. De Bezige Bij, 2012


Bij de bruid liggen

Van Walt Whitman word ik altijd vrolijk. Ineens wil ik overal luiken opengooien, zonlicht binnen laten stromen en heb ik de illusie dat ik overal opnieuw naar zou kunnen kijken. Als een kind. Het kan, ik weet het zeker, maar dan moet je wel eerst de gedichten van Whitman lezen. ‘I Sing the Body Electric’. Zeg dat wel, ouwe gek met je baard en je hoed en je rare praatjes. ‘I celebrate myself’. Zo kan-ie wel weer, maar gelijk heb je en ik schiet in de lach. Raar is-ie ook, en dat al in 1855. Neem dat gedicht over het kind dat op pad gaat, de eeuwigheid in, zomaar voor mijn ogen neergezet. En dat-ie dan de ouders van dat kind beschrijft: ‘he that had propelled the fatherstuff at night, and fathered him and she that conceived him in her womb and birthed him’. Hij die ’s avonds het vadersap eruit spoot? Staat het er echt? Ja, het staat er echt. Soms kan een schrijver het allemaal niks meer schelen en zegt-ie het gewoon. ‘Through me forbidden voices, voices of sexes and lusts…voices veiled, and I remove the veil’. Ja, hij wel, hij haalt de sluiers weg, veegt het stof van zijn gelaat, laat geneuzel en gedoe aan de horizon verdwijnen. Ik glimlach ervan. En dan die zin over de bruidegom die hij uit het bed lazert en dat-ie zelf bij de bruid gaat liggen. ‘I turn the bridegroom out of bed and stay with the bride myself/ I tighten her all night to my thighs and lips.’ Ach, meneer Whitman, mag ik een keer kennis met u maken? Laten we afspreken op een zomeravond in Den Haag dat u me dan op een straathoek een hand geeft en dat we even met elkaar praten. U heeft die belachelijke hoed op en zit in een rolstoel en ik heb een iPhone bij me en neem me voor alles op te nemen. Maar in mijn zenuwen vergeet ik de juiste knop in de drukken. ‘Je kijkt toch wel goed naar alles’, zegt u, in helder Nederlands. We zwijgen omdat er een paar jongens voorbijkomen. Ze lachen en ze praten.

Kees ’t Hart

Walt Whitman, Leaves of Grass. Penguin, 2017 (1855)


Achterstand inlopen

Ik had het me nooit gerealiseerd, tot Alessandro Baricco erop wees: telefoneren in vroeger tijden, met die draaischijf of uit zo’n telefooncel, is nooit ‘leuk’ geweest. ‘Leuk’ in de zin van speels, aangenaam, simpel en bevredigend werd het pas op 9 januari 2007, toen Steve Jobs de iPhone presenteerde. Voor Baricco is het een van de mijlpalen in de digitale revolutie, waar The Game , de opvolger van zijn De barbaren aan is gewijd. De iPhone is een van de duidelijkste voorbeelden die laat zien hoe het concept van het computerspel alle segmenten van ons leven is gaan ‘koloniseren’. Het verbergt elke complexiteit naar de achtergrond en biedt ons aan de oppervlakte de essentie van de ervaring. Of, zoals Baricco uitroept: ‘dat ESSENTIE EN BUITENKANT SAMENVIELEN’. Die schreeuwende hoofdletters suggereren dat de auteur ook zelf wat overdonderd is door zijn eureka-inzichten, terwijl die toch in grote lijnen overeenkomen met wat hij in De barbaren al had geconcludeerd over de modernste cultuur, die diepte had ingeruild voor oppervlakte, maar die hij, als vertegenwoordiger van de oude intellectuele elite, niet per se wilde afwijzen maar onbevangen wilde onderzoeken.

Zo’n zelfde onderzoek is The Game, en hoewel dit boek veel vaker uitnodigt tot tegenwerpingen, stemt het me absoluut vrolijk. Het tegendeel van doemdenken is misschien niet alleen optimisme, maar ook ‘licht denken’, speels en argeloos verbanden leggen, en ook ineens met reusachtige en niet al te onderbouwde hypothesen komen. Zo hamert Baricco er steeds op dat de hele digitale revolutie ontstaan is uit de schok na de holocaust en moest zorgen dat de twintigste-eeuwse tragedies zich niet konden herhalen. Dat zorgde voor een vernietiging van een aantal van onze steunpilaren en nu komen we in een fase van wederopbouw, waarin we de tekortkomingen van de Game onder ogen moeten komen en moeten corrigeren. Oplossing: het humanisme. Dat moet de ‘achterstand inlopen en toetreden tot de Game’.

Lenig, al te lenig denken. Dat het ook geregeld uit de bocht vliegt, draagt alleen maar bij aan het plezier van deze rare mentale reis. Die is in elk opzicht, tja: ‘leuk’.

Christiaan Weijts

Alessandro Baricco,The Game. Vertaling Manon Smits. De Bezige Bij, 2019


Aanstellerige dingen, en afstotelijke

Of het nu regent of de zon schijnt, winter is of zomer, als je er even tussenuit wil kun je altijd Het hoofdkussenboek (1002) van de Japanse hofdame Sei Shōnagon lezen. Er is weinig zo behulpzaam om het dagelijks leven in een ruimer perspectief te bezien als lezen over de beslommeringen van meer dan duizend jaar geleden.

‘In het voorjaar gaat er niets boven het ochtendgloren’, is de befaamde openingszin van het ‘dagboek’. In genummerde prozafragmenten vol gedichten, roddels en anekdotes beschrijft Shōnagon met sprezzatura de schittering van het hofleven tijdens de Heian-periode (794 -1185). Ivan Morris, een van haar Engelse vertalers, schreef eens dat als hij in een andere tijd had moeten leven, hij haar tijd zou hebben gekozen. Ja, het zijn snobs, en ja, we lezen over de één-procent van het oude Japan, maar, zo meent hij, het is een elite die zich voor hun genoegens nooit keerde tot perversie of wreedheid. Het is een wereld waarin kattebelletjes gekalligrafeerde gedichten vol allusies zijn, en poëziewedstrijden bloedserieuze aangelegenheden. Er zijn uitjes om de volle maan boven een meer te bewonderen of de eerste koekoek in het voorjaar te beluisteren. Nachtelijke bezoekers bewonderen vers gevallen sneeuw vanaf de veranda terwijl ze met hofdames achter kamerschermen kletsen, minnaars vertrekken stilletjes in de ochtenddauw. Daarbij blaakt Shōnagon van zelfvertrouwen als schrijfster. Zoals ze het zelf vertelt, heeft ze doorgaans de beste bon mots en meest erudiete antwoorden paraat. Ook wordt ze het nooit – nooit – moe de charmante outfits van de hovelingen gedetailleerd te beschrijven.

Vooral beroemd zijn haar idiosyncratische lijstjes. De lijst Aanstellerige dingen wordt aangevoerd door ‘Iemand die volop een kind vertroetelt waarover helemaal niets bijzonders te zeggen valt’. De lijst Afstotelijke dingen bevat de binnenkant van een kattenoor. Onder Mensen die het duidelijk moeilijk hebben vallen zowel een vrouw die aanbeden wordt door een erg achterdochtige man als een duiveluitdrijver die te kampen heeft met een hardnekkige geest. Dit is slechts een willekeurige greep. Er zijn ook nog: Oogverblindende dingen (Chinees brokaat, pronkzwaarden, druifkleurige gewaden); Kwalen (interne kwalen, beriberi); Vlakten (‘De vlakte van Saga natuurlijk!’). En zoveel meer.

Fiep van Bodegom

Sei Shōnagon, Het hoofdkussenboek. Vertaling Jos Vos. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2018


Afgrondelijke vrolijkheid

‘Please be happy happy happy with your beautiful Muriel. This is an order’, schrijft Boo Boo met zeep op de badkamerspiegel in het New Yorkse appartement van haar oudste broer Seymour. Tegen die tijd weten we al dat Seymour eerder die dag niet is komen opdagen bij zijn eigen bruiloft. En we weten óók dat hij een paar jaar na die dag zelfmoord zal plegen. Niet alleen alludeert zijn broer Buddy, verteller van de novelle (in zijn geheel gepubliceerd in The New Yorker in 1955, en later gebundeld samen met het wat taaie Seymour: An Introduction), erop, de gebeurtenis zelf stond al centraal in Salingers verpletterende en instant-klassieke korte verhaal ‘A Perfect Day for Bananafish’ uit 1948.

Je kunt Salingers verhalen en novelles over de vroegwijze kinderen uit de Glass-familie moeilijk vrolijk of optimistisch stemmend noemen. Alle kinderen zijn getroebleerd en getraumatiseerd, door jeugd, genen en de Tweede Wereldoorlog. Ze ontsporen volledig, zoals Seymour, of schuren daar voortdurend tegenaan, zoals Buddy.

Voor zover Salingers werk gaat over vrolijkheid, gaat het over de afgrondelijkheid ervan; het angstwekkende contrast tussen luchtig gebabbel aan de oppervlakte en een gapende leegte vanbinnen; de momenten waarop lichtheid omslaat in hysterie, uitbundigheid in kwaadaardigheid en agressie.

Salinger is een genadeloze ontmaskeraar van de schone schijn en het conformisme waar veel omgangsvormen die moeten doorgaan voor ‘vrolijk’ uit zijn opgetrokken. Het leuke is dat het plezier ervan afspat, waardoor Salinger lezen toch elke keer weer een ondubbelzinnig vrolijke aangelegenheid is. Zijn dialogen zijn vaak tegelijk oeverloos en scherp, en soms zo grappig dat je er hardop van in de lach schiet. De situaties waarin zijn personages belanden – in Raise High the Roof Beam, Carpenters raakt Buddy verzeild in een gezelschap van vrienden en familie van de bruid, die een hele poos niet doorhebben dat hij de broer is van de door hen verguisde bruidegom – hebben vaak iets weg van een klucht. En als je daar niet vrolijk van wordt, is er nog altijd de stijl, die zo perfect laat zien waarom echt goede literatuur altijd balanceert op de rand van helderheid en mysterie, luchtigheid en bittere ernst.

Niña Weijers

J.D. Salinger, Raise High the Roof Beam, Carpenters. Penguin, 2010 (1963)


Ambitieuze stagiaire

Er stond iets geks in de krant, op de televisiepagina. You’ve Got Mail, succesfilm van Nora Ephron uit 1998, zou die avond op Net5 te zien zijn, ter opwekking was er een fotootje van een typende Meg Ryan bij de aankondiging geplaatst. Eronder had de filmredacteur het verhaaltje samengevat, met als slotzin: ‘Het knappe van Ephron is dat ze dergelijke niemendalletjes bijzonder aangenaam vormgeeft.’

Noem me gevoelig, maar ik kan niet tegen de combinatie van Ephron en niemendalletjes. Wat ze ook schreef of maakte, Ephron verwerkte haar grootste geluk en ongeluk tot iets wat wezenlijk en geestig tegelijk was. Sowieso wordt de kwalificatie ‘niemendalletje’ onterecht geplakt op films en boeken die zich zo heerlijk laten consumeren dat je de inventiviteit en techniek waarmee ze zijn gemaakt makkelijk uit het oog verliest.

Zo las ik net Young Jane Young van Gabrielle Zevin, een roman over de gevolgen van de affaire die een ambitieuze stagiaire op twintigjarige leeftijd krijgt met haar getrouwde, en veel oudere werkgever, een bekende lokale politicus in Florida die in de race is om Congreslid te worden. Als ze betrokken raken bij een auto-ongeluk, ligt het schandaal op straat en is de reputatie van het meisje voorgoed aan gort. Ze begint een nieuw leven in een andere staat, onder een andere naam met een heel ander beroep, hierbij geïnspireerd door een van de beste rollen van Jennifer Lopez. Het verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van de moeder, de vrouw zelf, haar dochtertje, de echtgenote van de politicus én tot slot – via de anonieme blog die ze tijdens de affaire bijhield – de twintigjarige van destijds. Young Jane Young is een scherpe satire over seksuele mores en slutshaming in tijden van internet, een heerlijk boek dat zich laat weghappen als een suikerspin maar een onverwachte bite heeft.

Marja Pruis

Gabrielle Zevin, Young Jane Young. Little, Brown, 2017


Verlang ik naar zo’n wereld?

Ik realiseerde me bij het kijken naar Downtown Abbey, de televisieserie over de adellijke familie Grantham in het Engeland van rond de Eerste Wereldoorlog en wat mij betreft de mooiste tv-serie ooit, dat ik onvoorstelbaar gelukkig word van de daarin beschreven sfeer. Mijn gevoel herinnerde me aan een van de fijnste leeservaringen uit mijn leven: van de roman Buddenbrooks van Thomas Mann, uit notabene 1901. 

Genoemd sentiment plaatst me echter meteen voor een dilemma: dat ik vind dat ik me er enigszins voor moet schamen. De in zowel serie als boek beschreven wereld is immers ontzettend elitair en van een andere, sinds lang voorbije wereld. Wat trekt me daar zo in aan? Verlang ik naar zo’n wereld, ben ik een reactionair? 

Dit laatste weet ik zeker van niet. Ik vind de wereld van Buddenbooks/Downtown Abbey zeker niet te verkiezen boven de onze. Meer nog, ik ben blij dat hij verleden tijd is. Dat is iets anders dan zeggen dat ik er niet naar verlang. Ik vind die wereld, morele correcties van mijn tweede Ik uitgezonderd, van een dergelijke verbluffende schoonheid dat ik niet anders kan dan denken: ik zou dat best meegemaakt willen hebben, als lid van de familie Grantham/Buddenbrook wel te verstaan.

‘Tony stapte behoedzaam door het hoge, scherp rietgras dat aan de rand van het kale strand stond. De rij houten strandpaviljoens met hun kegelvormige daken lag voor hen en liet de doorkijk op de rieten strandstoelen vrij… Dames met blauwe zonnelorgnetten en bibliotheekboekjes, heren in lichte pakken, die nietsdoend met hun wandelstokken figuren in het zand tekenden, gebruinde kinderen met grote strohoeden op het hoofd, die in het zand schepten, door het zand rolden, naar het water groeven, met houten vormen taartjes bakten, tunnels boorden, met blote benen door de lage golven waadden en scheepjes lieten drijven.’

Net zo min als Downtown Abbey vertelt Buddenbrooks een vrolijk verhaal. Integendeel. Beide zijn drama’s. Maar het zijn een ander soort drama’s dan de tegenwoordig gebruikelijke. De beste uitleg hiervan mij bekend is de eerste zin uit een ander, dit keer non-fictie, boek dat me intens ‘vrolijk’ maakt: Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen. ‘Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, dien de vreugde en het leed nu nog hebben in den kindergeest.’

Chris van der Heijden

Thomas Mann, Buddenbrooks. De Arbeiderspers 2018 (1901). Vertaling Thomas Graftdijk