Het zwaard des geloofs

‘HET IS DE GLORIE van God, dingen verborgen te houden; de glorie van koningen is het, dingen te doorgronden.’

Waarom zou je het mooier willen zeggen dan het millennia geleden al is opgetekend? Tragischer dan in deze zin uit het bijbelboek Spreuken (25:2) kan de menselijke hang naar kennis niet worden uitgedrukt. Een wijsheid voor eeuwig. Behalve voor sommigen. Want die meenden op zeker moment dat God in zijn oneindige wijsheid had besloten de dingen niet langer verborgen te houden. Hij zou zijn zoon eropuit hebben gestuurd om de mensen de waarheid te brengen en hen van de duisternis in het licht te voeren.
Vanaf dat moment hebben de stedehouders van God op aarde er alles aan gedaan om het menselijke, al te menselijke streven de dingen te doorgronden aan stevige banden te leggen. Paulus, de kerkvaders, de scholastici en - uiteraard - de respectievelijke pausen hebben onophoudelijk geprobeerd de vrije ontwikkeling van filosofie en wetenschap te dwarsbomen. Brandstapels en bloedige vervolgingen moesten eraan te pas komen om de geopenbaarde waarheden van het geloof tegen de bevindingen van de rede af te schermen.
Van meet af aan werden echter ook minder wrede middelen ingezet. Bijvoorbeeld het middel van de mimicry. Kerkgeleerden hulden zich in de mantel der rede om althans sommigen onder de beoefenaren van het vrije denken door de deur van het geloof te lokken. En wie ze binnenlokten, waren soms niet de minsten. Op de drempel van geloof en rede is het alleszins goed praten met mensen als Aurelius Augustinus, Anselmus van Canterbury, Thomas van Aquino, Blaise Pascal en Sören Kierkegaard - denkers die authentiek wanhoopten aan zowel geloof als rede, ook al kozen ze in hun vertwijfeling uiteindelijk voor de strohalm van de religie.
KAROL WOJTYLA, alias paus Johannes Paulus(II, hoort, zo laat zijn jongste encycliek zien, niet in dit rijtje thuis. Ook al hult hij zich in de mantel der rede, nergens in zijn zendbrief geeft hij de indruk een oprecht zoeker naar de waarheid te zijn. Twijfel is hem vreemd, scepsis acht hij uit den boze. Hij doet zich redelijk voor, welwillend tegenover de aanspraken van de rede, maar zijn opstelling tegenover de vrije ratio is in laatste instantie neerbuigend, betuttelend en bestraffend.
Maar ja, dat is dan ook de functie van een encycliek. Encyclieken zijn geen producten van de geest maar instrumenten van de macht. Het zijn brieven die pausen aan hun bisschoppen schrijven met het oogmerk hun mijters dezelfde kant op te laten wijzen. Encyclieken gaan over gevaren die de kerk bedreigen, dwaalwegen die de ware leer ondermijnen, praktijken die de katholieke ethiek uithollen. Encyclieken instrueren het hogere kerkkader hoe ze het blazoen van het geloof moeten redden, hoe ze de draken te lijf moeten gaan, hoe ze die voor de poorten van de kerk moeten wegjagen.
Zo ook Fides et ratio (Geloof en rede), de op 14 september van dit jaar gedateerde encycliek van paus Johannes Paulus(II. Het moet gezegd, de schrijver doet zijn opperste best om redelijk over te komen. Hij erkent de vrijheid en de autonomie van de rede, geeft toe dat die er eigen methoden op nahoudt, ja, hij beveelt de rede en haar bevindingen zelfs van harte aan bij zijn eigen kerkgeleerden en bevecht de vijandigheid die zij bij tijd en wijle tegenover de rede tentoonspreiden. Hij probeert zo zorgvuldig mogelijk de domeinen van geloof en rede van elkaar af te bakenen, om het waarheidsbegrip van de een te onderscheiden van dat van de ander, en om de rol van beide in het leven der mensen te verhelderen. Soms lijkt het er zowaar op dat de filosoof Karol Wojtyla het in dit geschrift wint van de kerkvorst Johannes Paulus.
Maar uiteindelijk valt het allemaal bitter tegen. Wojtyla weet als filosoof niet te overtuigen. Hij is onnauwkeurig, vaag en spreekt zichzelf tegen.
Een van de ernstigste dwaalwegen van de rede, zo betoogt hij al helemaal in het begin, is dat ze over zichzelf ging nadenken. ‘In plaats van gebruik te maken van het menselijk vermogen de waarheid te kennen, heeft de moderne filosofie er de voorkeur aan gegeven te benadrukken hoezeer dit vermogen aan grenzen en voorwaarden is gebonden.’ Waarmee Wojtyla een verbod uitspreekt op het bedrijven van kennisleer, zonder te merken dat een groot deel van zijn eigen verhandeling van zuiver kennistheoretische aard is.
En wat te denken van zijn ongelukkige (kennistheoretische!) onderscheid tussen verschillende soorten waarheid. Je hebt drie soorten waarheid: die van de ervaring, die van de filosofie en die van het geloof. Onder de eerste, de waarheid van de ervaring, vallen volgens Wojtyla de alledaagse kennis en de kennis van de wetenschap. Maar over het verschil tussen die twee zijn boekenkasten vol geschreven - Wojtyla gaat er blind aan voorbij. Even later maakt Wojtyla duidelijk dat de alledaagse kennis is ingebed in cultuur en traditie. Mensen moeten in hun dagelijks leven nu eenmaal van alles voor waar aannemen, betoogt hij; om aan het leven toe te komen, kunnen ze immers niet overal tegelijk aan twijfelen. Met andere woorden, geloof is voor het leven onontbeerlijk - alleen jammer voor Wojtyla dat dit geloof, anders dan hij aanneemt, van alles kan zijn en allerminst hoeft samen te vallen met het geloof waar zijn kerk de hoeder van is.
Zo geeft Wojtyla er in zijn Fides et ratio voortdurend blijk van slechts over rudimentaire kennis van de filosofie te beschikken. Hij houdt er bovendien een achterhaald idee van filosofie op na: filosofie als een statisch, axiomatisch systeem, een dichtgetimmerd staketsel van premissen en conclusies. Sinds Hegel is er echter geen filosoof meer geweest die serieus naar zo'n filosofisch systeem streefde, en dat is nu al meer dan anderhalve eeuw geleden. Nee, uiteindelijk reikt Wojtyla’s filosofische geknutsel niet verder dan de in diepste wezen anti-filosofische stelling dat de waarheid van de filosofie altijd betrekkelijk en onvolledig is, tenzij ze is ingebed in de geopenbaarde waarheid van de kerk.
MAAR NOGMAALS: een encycliek wil ook helemaal niet filosofisch overtuigen, ze wil alleen maar filosofisch overwinnen. Het gaat erom de draken die rond de kerk sluipen te vernietigen. En dat, zo somt de Heilige Vader op, zijn zowel oude als nieuwe draken. Oude zoals het Duitse idealisme dat zich als alternatief voor de religie opwierp, het 'atheïstisch humanisme’ dat de voedingsbodem vormde voor de totalitaire systemen van deze eeuw, en het positivisme dat met zijn technologische cultuur de mens van zichzelf heeft vervreemd. En het gaat om nieuwe draken, draken die Wojtyla met een hele reeks ismen omschrijft (eclecticisme, historicisme, scientisme, pragmatisme, nihilisme, postmodernisme) zonder erg concreet te worden en zonder denkers en stromingen bij hun naam te noemen. Kranteberichten die melden dat de paus zich in Fides et ratio tegen bijvoorbeeld het New Age-denken zou uitspreken, berusten op een wel zeer creatieve lezing van de encycliek.
Kernstuk van de encycliek vormen de aanwijzingen die ze geeft om al die draken buiten de deur te houden. En dan gaat het puur om macht en om de middelen die de kerk daartoe ter beschikking staan. Het Magisterium, zo heet het belangrijkste machtsmiddel omineus. Het Magisterium is het zwaard waarmee de kerk de draken in eigen gelederen te lijf gaat. In één woord: de censuur. Trots begint pontifex Johannes Paulus(II met een opsomming van de heldendaden van het Magisterium in het verleden. Hoe astrologie en andere esoterische stromingen de deur uit werden gejaagd. Hoe ontsporingen als fideïsme (overwaardering van het geloof ten opzichte van de rede) en rationalisme (overwaardering van de rede ten opzichte van het geloof) werden bestreden. Hoe de verleidingen van het evolutionisme, het existentialisme en het marxisme werden weerstaan.
De macht van het Magisterium strekt zich uit tot alle kerkelijke instellingen. In dit geval gaat het vooral om de instellingen waar intellectuele arbeid wordt verricht: de theologische instituten en de priesteropleidingen. Het zijn deze instellingen die door de kerkvader streng doch rechtvaardig worden toegesproken: 'De les die de geschiedenis ons nu aan het einde van dit millennium leert, is dat dit de weg is die we moeten gaan: het is het geloof dat de rede ertoe moet aanzetten haar isolement te doorbreken en de moed op te brengen om te reiken naar alles wat schoon, goed en waar is. Het geloof moet op die manier de overtuigde en overtuigende advocaat van de rede worden.’
MAAR HOE VALT deze milde, goedertieren toon tegenover de rede te rijmen met de recente aanval in naam van het Magisterium op zo'n nijvere dienaar van geloof én rede als de theoloog Hans Dirk van Hoogstraten? Van Hoogstraten, docent sociale ethiek aan de theologische faculteit van de Katholieke Universiteit Nijmegen, liep dit jaar in het meedogenloze zwaard van het Magisterium. Na jarenlang ongestoord te hebben gedoceerd, viel hij ten offer aan een plotsklapse screening op last van het Vaticaan. Hem werd gesommeerd zich onverwijld onder het leergezag van de kerk van Rome te stellen - wat hij weigerde, om de simpele reden dat het niet zijn kerk is (Van Hoogstraten is gereformeerd predikant).
De opstandeling werd vervolgens met de instructies van het Magisterium om de oren geslagen. Hij moest zich maar verootmoedigen tot een sacrificium intellectus, een intellectueel offer, te ondergaan 'in stilte en gebed’, 'met de zekerheid dat de waarheid zich uiteindelijk noodzakelijkerwijs zal doen gelden’ (artikel 31). Een beroep op de rede werd hem bij voorbaat ontzegd met artikel 34 van de instructies: 'Dankzij de goddelijke bijstand heeft dat wat het Magisterium leert, een geldigheid die niet afhangt van de aangevoerde argumenten welke soms aan een bepaalde theologie ontleend zijn’.
Van Hoogstraten hield voet bij stuk, indachtig de woorden van de theoloog Dietrich Bonhoeffer (die in Hitlers kampen stierf zonder dat welke kerk ook enig woord van protest liet horen): 'Intellectuele integriteit in alle dingen, ook in geloofsvragen, was het hoge goed van de bevrijde ratio en behoort sindsdien tot de onopgeefbare zedelijke eisen van de westerse mens.’ De in het nauw gedreven Nijmegenaar (hij voelde zich een 'Kafka in ecclesia’) verliet de Katholieke Universiteit met een vlammende rede, waarin hij het totalitaire karakter van de kerk en haar Magisterium genadeloos blootlegde - een fraai document van de vrije rede, dat zojuist, aangevuld met reacties en reacties op reacties, door uitgeverij Damon op de markt is gebracht onder de titel Religie en totalitarisme: Beschouwingen bij een onvrijwillig afscheid.
GELOOF EN REDE, het zit, ook na de encycliek Fides et ratio, nog altijd niet goed tussen die twee. Schoorvoetend geeft Wojtyla toe dat rede en vrijheid onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Om die frivoliteit onmiddellijk terug te nemen in een gedachtekronkel die men wel vaker bij totalitaire instituties tegenkomt. 'Mannen en vrouwen’, schrijft Wojtyla, die zich graag seksueel correct uitdrukt, 'kennen in hun leven geen belangrijker daad dan de daad van het geloof; daarin bereikt hun vrijheid de zekerheid van de waarheid en de gelegenheid om in die waarheid te leven.’ Gecombineerd met de uitspraak dat 'geloof eerst en vooral gehoorzaamheid aan God’ is, levert dit de absurde stelling op dat vrijheid gelijkstaat aan volledige onderwerping. Een drogredenering, het marxisme waardig - zei Friedrich Engels immers niet dat vrijheid gelijk is aan inzicht in de noodzakelijkheid?
Fides et ratio - het is een geschrift dat het ene moment een haast verfrissende redelijkheid ademt, om het volgende moment de lezer de rillingen over de rug te jagen. De mooiste passage in het stuk, een passage die in schril contrast staat met de totalitaire teneur van het geheel, is wederom een bijbelcitaat. De rest van de encycliek, het valt nauwelijks anders te zien, is het ultieme verraad aan deze schitterende, van erotiek zinderende liefdesverklaring aan de rede:
'Gelukkig de man die zich op de wijsheid toelegt en die erop uit is inzicht te krijgen,/ de man die de wegen der wijsheid in zijn hart overdenkt en haar verborgenheden tracht te ontdekken,/ die op weg gaat en haar als een speurder nazit en op de loer ligt waar zij ingaat,/ die door haar ramen spiedt en aan haar deuren staat te luisteren,/ die zich neerlaat dicht bij haar woning en zijn tentpin slaat in haar muren,/ die zijn tent vlak naast haar opzet en zijn intrek neemt op een plek waar het goed is./ Hij plaatst zijn kinderen onder haar beschutting en hij woont onder haar takken./ Door haar wordt hij tegen de hitte beschut en onder haar luister vindt hij rust.’ (Jezus Sirach 14:20-27)