Het zwaard van de geërecteerde penis

Andrea Dworkin werd in 1946 in Camden, New Jersey, geboren in een joods gezin dat Johanna Fateman in een voorwoord bij een bloemlezing uit het werk van Dworkin, getiteld Last Days at Hot Slit (‘Laatste dagen bij de hete snee’), omschrijft als ‘lagere middenklasse’. Fateman voegt eraan toe dat Dworkin opgroeide ‘in de schaduw van de holocaust’.

Zelf heeft Dworkin zich nauwelijks uitgelaten over de holocaust en haar traditioneel-joodse opvoeding (in een stuk over Israël schrijft ze onnadrukkelijk over haar bezoek aan diverse synagogen); ze werd bekend als ‘radicale feministe’ en ‘anti-seks-feministe’. In een polemisch essay tegen pornografie, getiteld Pornography: Men Possessing Women, geschreven tussen 1979 en 1989, legt ze wel een link tussen pornografie en de holocaust, tussen joden en vrouwen. Ze schrijft: ‘In hedendaagse Amerikaanse pornografie hebben de joden het aan zichzelf te danken, zij, meestal vrouwen, zoeken de nazi, vragen een dominante nazi hen pijn te doen, hen te snijden, hen te verbranden, en dan komen ze op indrukwekkende wijze klaar, op zowel het sadisme als de dood.’

Of deze vergelijkingen smaakvol zijn, is Dworkins zorg niet. En wie zich afvraagt of dit een representatief beeld is van hedendaagse pornografie, zal Dworkin vermoedelijk antwoorden dat ‘pornografie mannelijke overmacht belichaamt’. Zoals uiteindelijk alle overmacht mondt ook deze uit in onderwerping. Dworkin gaat nog een stap verder, ze meent dat de (seksuele) onderdrukking van vrouwen de essentie van onze cultuur is, pornografie zelf is hooguit een dominante verschijningsvorm van deze onderdrukking. Zoals ze schrijft: ‘De erotische, heilige mannelijke drie-eenheid, seks, geweld en dood, regeert soeverein.’

De holocaust mag niet haar onderwerp zijn, hij figureert in haar werk veelvoudig als metafoor. Pornografie is volgens Dworkin ‘Dachau in de slaapkamer’ en in haar stuk over Israël schrijft ze: ‘Waar ik leef ziet het er niet al te goed uit voor vrouwen, het is, gezien de verkrachtings- en mishandelingsstatistieken, het hele jaar door Kristallnacht.’

Wie haar metaforen serieus neemt – en wie Dworkin serieus neemt kan haar metaforen niet wegwuiven als hyperbolen, als doorgeslagen retoriek – zou kunnen concluderen dat de holocaust een onvermijdelijk neveneffect is van het geweld tegen vrouwen. Of dat het geweld tegen vrouwen voortvloeit uit de haat en het geweld tegen joden. Hoe dan ook, dat die twee niet werkelijk te scheiden zijn.

Dworkin is in de eerste plaats aangevallen als vrouw, maar ook als joodse vrouw. In een serie spotprenten in het pornografische blad Hustler werd ze volgens Fateman op ‘antifeministische, antilesbische en antisemitische’ wijze geridiculiseerd. Ze identificeerde zich als lesbienne zonder, volgens een van haar beste vrienden, ooit een seksuele relatie te hebben gehad met een vrouw.

Het is veelzeggend dat Dworkin het joodse volk ‘het meest gecastreerde volk op aarde’ noemt in haar stuk over Israël, waarin ze zich met enige aarzeling bekeert tot het antizionisme. In datzelfde essay vertelt ze dat ze zich als tiener nadrukkelijk als wereldburger en humanist opstelde, zeer tegen de zin van haar leraar Hebreeuws in. Maar in een van haar laatste teksten, uit 1999, gevonden na haar dood en getiteld My Suicide, schrijft ze dat haar mensen, haar volk, ‘vrouwen en joden’ zijn, waarbij we gerust mogen aannemen dat ze alleen die joden tot haar volk rekent die afstand hebben genomen van de heilige, erotische mannelijke drie-eenheid.

Schoonheid en de vraag of de poortwachters van de literatuur haar toegang zullen verlenen tot het heilige domein van de literatuur – het zijn zaken die Dworkin weinig kunnen schelen, hoewel Fateman terecht opmerkt dat stijl belangrijk is voor haar. Literatuur an sich is belangrijk voor haar. Rimbaud en Baudelaire zijn voor Dworkin, zeker gezien de manier waarop ze zich over andere schrijvers uitlaat, bijna heiligen – ze noemt hen ‘helden’ – en hoewel ze voor Tolstoj als privépersoon geen goed woord over heeft, neemt ze hem als schrijver serieus. Voor iemand als Philip Roth heeft ze stukken minder empathie. De nieuwe Philip Roth wordt door haar samengevat als: ‘Mama, ik neukte een joods meisje.’ En de ‘nieuwe nieuwe’ Philip Roth: ‘Mama, ik neukte een niet-joods meisje.’

In een voorwoord bij haar boek Woman Hating uit 1974 schrijft ze: ‘Dit boek is een actie, een politieke actie, waarbij revolutie het doel is. Het is geen cerebrale wijsheid of academische bullshit, of ideeën gekerfd in graniet of bestemd voor de eeuwigheid. Het is onderdeel van een proces en de context is verandering.’

De revolutie die ze voorstaat en die haar niet overal even populair heeft gemaakt, ook niet bij andere feministen, is het eind van de mannelijke overheersing, die wat Dworkin betreft alleen mogelijk is als mannen hun ‘geliefde erecties’ opgeven, bereid zijn tot een metamorfose naar de ‘kreupele penis’ en ‘leren lief te hebben zoals vrouwen dat doen’.

Zelfs als we de kreupele penis (‘limp penis’) symbolisch opvatten en ervan uitgaan dat Dworkin de fallische identiteit onder vuur neemt, mag het duidelijk zijn dat ze makkelijk verkeerd kon worden begrepen en dat menigeen meent ook de fallische identiteit te moeten beschermen. Zo eindigt Roy Porter in de London Review of Books van 25 juni 1987 zijn recensie over Dworkins boek Intercourse met de opmerking dat aangezien vrouwen maar doorgaan geslachtsverkeer te hebben, ze volgens Dworkin wel – net als volgens sommige mannelijke, chauvinistische varkens – ‘stupid cunts’ (domme kutjes) moeten zijn.

Het eind van de mannelijke overheersing is wat Dworkin betreft alleen mogelijk als mannen bereid zijn tot een metamorfose naar de ‘kreupele penis’

Het expliciete taalgebruik van Dworkin blijkt besmettelijk. Met revolutionaire geestdrift en onverbloemde woede heeft ze het telkens weer over fucking, in de allicht niet geheel onterechte veronderstelling dat dit is waar onze cultuur – soms heeft ze het expliciet over het patriarchaat – op neerkomt. Ik ken geen schrijver die neuken zo serieus neemt. Voor haar is seks zowel de mogelijkheid bij uitstek tot menselijkheid, in de zin van goedheid, empathie en rechtvaardigheid, als het strijdtoneel waar bruutheid, onderdrukking en mishandeling zich doen gelden. Dworkin ziet in neuken de essentie van onze cultuur en daarmee de essentie van ons zijn. Maar wij moeten dit niet verkeerd opvatten. Seks is voor haar geen product, geen vrolijke vrijetijdsbesteding zoals yoga; het is, om in haar eigen metaforen te blijven, altijd ook de mogelijkheid van een concentratiekamp. Seks in onze cultuur is te vaak – altijd, zou Dworkin misschien zeggen – vernietiging.

Zo schrijft ze in Intercourse in het hoofdstuk ‘Skinless’ over het werk van de Japanse schrijver Kobo Abe: ‘De ervaring van het neuken verandert mensen, en wel zo dat ze vaak verloren zijn voor elkaar en langzaam verloren zijn voor menselijke hoop.’ In datzelfde hoofdstuk heeft ze het over ‘de pijn van het gescheiden zijn en de pijn van het niet genoeg gescheiden zijn’.

Hoewel niemand gereduceerd zou moeten worden tot zijn geschiedenis, en hoewel we ons niet moeten laten verleiden iemands gedrag en uitlatingen uitsluitend te verklaren met behulp van de geschiedenis, al was het maar omdat ook het verleden geanalyseerd en geïnterpreteerd moet worden, kan het niet zo zijn dat de holocaust hier genoemd wordt en Dworkins persoonlijke verleden achterwege blijft.

Op haar negende werd Dworkin aangerand in een bioscoop en op haar achttiende werd ze, na te zijn gearresteerd tijdens een anti-Vietnamdemonstratie in New York, door gevangenisartsen vaginaal en rectaal onderzocht. Het resultaat van dat ‘onderzoek’ was dat ze dagenlang hevig bloedde. Terwijl ze in Amerika studeerde leefde ze een tijdje op Kreta, waar ze een gepassioneerde verhouding had met een Griek. ‘We waren zo vleselijk verbonden dat het andere mensen pijn deed als we ophielden elkaar aan te raken’, schrijft ze.

In een essay uit 1997 getiteld My Life as a Writer vertelt ze hoe ze een tijdlang seks ruilde voor geld. ‘Ik noemde het “op straat zijn”’, noteert ze, ‘en het bestond in gelijke delen uit hoererij, armoede en dakloosheid en gewoon een stoer meisje zijn.’

Ze trouwde in Amsterdam met een Nederlandse anarchist, die net als zij geïnteresseerd was in de Provo-beweging en die haar al snel op ongekende wijze begon te mishandelen. Ze moest onderduiken en verliet Nederland, het land waar ze vijf jaar had geleefd, in november 1972. Het is zeker geen overdreven vorm van psychologisering als we deze mishandeling een centraal trauma in haar leven en haar oeuvre noemen, waaruit overigens ook wantrouwen tegen linkse mannen is voortgekomen en misschien wel tegen de progressieve beweging an sich. Vermoedelijk was dit een van de dingen die haar later heeft doen besluiten in de strijd tegen porno een tijdelijk verbond te sluiten met rechtse Amerikanen. Menige feminist heeft haar dat niet in dank afgenomen, wat Dworkin weer heeft verleid tot hilarische polemieken tegen deze feministen.

Haar liefde voor literatuur bleef overeind en in 1987 publiceerde zij de al eerder genoemde studie Intercourse, waarin kritische essays staan over onder andere De Kreutzersonate van Tolstoj, Flauberts Madame Bovary en de toneelstukken van Tennessee Williams. Zelf schrijft ze in een voorwoord bij dit boek: ‘Ik gebruik Tolstoj, Kobo Abe, James Baldwin, Tennessee Williams, Isaac Bashevis Singer, Flaubert niet als autoriteiten maar als voorbeelden: ik gebruik hen, ik snijd ze open om ze tentoon te stellen.’

Het geslachtsverkeer en de obsessie daarmee is het mes waarmee zij de teksten, en soms ook de schrijvers, te lijf gaat, maar zij voert overtuigende bewijzen aan dat het zeker niet uitsluitend haar obsessie is. En elke schrijver mag alleen maar hopen zo te worden opengesneden, met zoveel liefde, met zoveel empathie, met zoveel persoonlijke inzet. Ja, als ik Tennessee Williams was zou ik zo willen worden opengesneden.

Mij interesseert nu vooral het eerste hoofdstuk, Repulsion (‘walging’), waarin ze Tolstoj en zijn novelle De Kreutzersonate behandelt. Volgens haar is deze ‘compacte, gepassioneerde, knappe vertelling, gelardeerd met vrouwenhaat en inzicht’ een argument tegen seks en voor kuisheid. Dat laatste is een weinig verrassende interpretatie. ‘Als we willen ophouden vrouwen te doden’, zo vat zij Tolstoj bondig samen, ‘dan moeten we ophouden met hen te neuken.’

De tekst weet ook nu meer dan de schrijver, wat Dworkin met zoveel woorden zegt, en Tolstoj was, helaas allicht, niet in staat de door hem beschreven idealen na te leven. Iets wat bevestigd wordt door vertaler Hans Boland, die in zijn nawoord bij Anna Karenina schrijft dat Tolstoj ophield ‘met roken, drinken, spelen, jagen en vlees eten – maar niet met neuken’.

Ietwat verwijtend noteert Dworkin dat Tolstoj zijn vrouw Sophie tot haar 81ste is blijven neuken. In haar dagboeken beklaagt deze Sophie zich bitter over de manier waarop zij behandeld is door haar man. Volgens Boland leed zij aan ‘satanische jaloezie’, maar zelfs als we haar dagboeken met die scepsis lezen, mogen we aannemen dat haar echtgenoot op zijn zachtst gezegd een onmogelijk mens was. Iets soortgelijks werd overigens ook over Dworkin beweerd. Hoe dan ook, zijn collega Toergenjev meent dat Tolstoj nooit van iemand gehouden heeft, wat eens te meer illustreert dat we teksten niet al te zeer moeten reduceren tot het privéleven van de schrijver. De beste schrijvers overstijgen in hun teksten de kleinzieligheid van hun leven, wie namelijk iets meer wil weten over liefde kan nog altijd niet om Anna Karenina heen.

Ariel Levy schrijft dat het moeilijk is een Amerikaanse beweging te noemen die zo spectaculair faalde als het anti-pornografie-feminisme

Overigens is Karel van het Reve in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur milder over Tolstoj. Tolstojs naastenliefde was niet geheel een theoretische en literaire aangelegenheid. Toen Alexander II door terroristen werd vermoord, schreef Tolstoj een brief aan Alexander III met het verzoek de moordenaars van zijn vader te sparen. Van het Reve noteert: ‘Thomas Mann schrijft dat men zich bij het lezen van die brief verbaast dat de nieuwe tsaar er geen gevolg aan heeft gegeven.’ Het proces tegen de persoon Tolstoj zullen wij in elk geval hier niet voeren, voor zover dat überhaupt nog gevoerd moet worden. Niet omdat grote kunst de zonden van de kunstenaar witwast, maar omdat het ons niet of nauwelijks aangaat, zeker niet nu de betrokkenen niet meer leven. Wij volstaan met de constatering dat Tolstoj zijn leven lang gevochten heeft met de wellust en dat hij dit gevecht in zijn boeken gewonnen heeft maar in zijn privéleven verloren, met de aantekening dat het onduidelijk is of en hoe dit gevecht gewonnen zou moeten worden.

Hoezeer hem dit gevecht aan het hart ging, blijkt onder andere uit zijn essay Wat is kunst, gepubliceerd in delen tussen december 1897 en maart 1898 in een tijdschrift over psychologie en filosofie: ‘We weten allemaal uit eigen ervaring, en als we kinderen hebben ook op grond van wat er met hen gebeurt, met wat voor ellendige geestelijke en lichamelijke kwellingen en met wat voor krachtverspilling de mensen worden geconfronteerd vanwege hun liederlijke geslachtelijke wellust.’

Tolstoj noemt in dit essay, waarin hij ook afstand neemt van zijn eigen literatuur ten gunste van de bijbel, seksualiteit het meest fundamentele vraagstuk van de maatschappij. Daarin lijkt hij op Dworkin, al verbindt hij het probleem van de seksualiteit met Christus en niet in de eerste plaats met mishandeling en onderdrukking van vrouwen.

In Dworkins lezing van De Kreutzersonate wordt een vrouw pas nadat ze is vermoord erkend als mens, en deze moord is een rechtstreeks gevolg van de begeerte die zij oproept. Is deze lezing ook geldig voor Tolstojs roman Anna Karenina, waarin net als in bijvoorbeeld Madame Bovary overspel, vrouwelijke begeerte, maatschappelijke codes en zelfmoord een belangrijke rol spelen?

Johanna Fateman meent dat critici die Tolstojs ‘pessimistische kijk op seks’ gelijkstelden met de opvattingen van Dworkin ongelijk hebben. Maar Tolstoj en Dworkin hebben wel degelijk veel met elkaar gemeen en stellen lezers en ook schrijvers voor soortgelijke problemen, al was het maar omdat de ene heilsleer meer lijkt op de andere heilsleer dan de volgelingen willen geloven. Dworkins revolutie heeft wel wat weg van Tolstojs specifieke belevenis van het christendom.

Wat betreft de levensvatbaarheid van de heilsleer is het goed op te merken dat Ariel Levy in haar voorwoord bij de 25-jarige editie van Intercourse schrijft dat het moeilijk is een Amerikaanse beweging te noemen die zo spectaculair faalde als het anti-pornografie-feminisme.

Ja, Tolstoj meende dat de nieuwe mens pas kon opstaan als de wellust was overwonnen, Dworkin geloofde dat het kloppend hart van onze cultuur de erotische mannelijke drie-eenheid is – seks, geweld en dood – en of dat nu leidt tot geweld tegen joden, vrouwen of zwarten; waar seks is, is het concentratiekamp zoals gezegd nooit ver weg. Maar Dworkin hield nadrukkelijk de mogelijkheid open dat na de revolutie ander, beter, liefdevoller geslachtsverkeer mogelijk was.

Anna Karenina valt voor de verleider Wronski – ik baseer me op de spelling en vertaling van Wils Huisman – voor wie zij haar man Aleksej Aleksandrowitsj verlaat, zonder hem echt officieel achter zich te kunnen laten, ook vanwege de sociale etiquette. Met Wronski, die omschreven wordt als ‘een niet grote, stevig gebouwde, donkerblonde man met een goedhartig, knap, buitengewoon rustig, zelfverzekerd gezicht’, krijgt ze een dochtertje van wie zij nooit zoveel zal houden als van het zoontje dat ze met Aleksej Aleksandrowitsj heeft.

Direct nadat de liefde tussen Wronski en Anna eindelijk geconsumeerd is, voelt ze zich zo slecht dat ze in haar liefdesobject nog slechts een moordenaar kan zien. ‘De schaamte over haar morele naaktheid deed haar hart ineenkrimpen’, schrijft Tolstoj en daarna staat er, onduidelijk is of dit commentaar is van de schrijver of ook iets wat Anna denkt: ‘De moordenaar moet wat hij door de moord verworven heeft, trachten te benutten.’

Met de vrouw neuken is de vrouw doden, iets wat Dworkin niet moe wordt te beweren. Dat de wellust in Anna Karenina per definitie overspelig lijkt te zijn – Anna is niet het enige wellustige, overspelige personage, haar broer Oblonski ziet in de wellust van het overspel ook een soort levensdoel – is uiteraard niet toevallig; de wellust bevindt zich buiten de wet. De censor had zelfs problemen met De Kreutzersonate omdat de schrijver daarin het hele idee van menselijke voortplanting an sich in twijfel trok.

Tolstoj heeft Anna Karenina een motto gegeven uit het Oude Testament, Deuteronomium 32:35: ‘Mij is de wrake, en ik zal vergelden.’ In het Oude Testament is het God die spreekt, God die vergeldt. In de roman is het Anna zelf die vergeldt, zij wordt gedood door de wellust die zij zelf heeft opgeroepen, al was dat nog een symbolische moord, en we moeten niet al te makkelijk concluderen dat zij verantwoordelijk is voor die symbolische moord. Uiteindelijk is zij gevangen in haar jaloezie en in de realiteit die de opwinding van haar affaire allang heeft overschaduwd. ‘En duidelijk en onmiskenbaar zag zij de dood voor zich als het enige middel’, schrijft Tolstoj, ‘dat zijn liefde voor haar weer in zijn hart kon opwekken, waarmee zij hem straffen kon en de overwinning behalen in de strijd, die de boze geest, die zich in haar hart genesteld had, met hem had aangebonden.’

Tolstoj mag zijn vrouw verwaarloosd en mishandeld hebben, hij ziet helder dat de mannelijke drie-eenheid van seks, geweld en dood voor ­ongekende destructie zal zorgen

Zij wreekt zich door de symbolische moord om te zetten in een werkelijke moord, zelfmoord, treurend dat je het verleden niet met wortel en tak kunt uitroeien, waarbij de lezer beseft dat zij ook spreekt over haar eigen hart dat met wortel en tak is uitgeroeid.

Wronksi verdwijnt na Anna’s dood uit het verhaal. Over hem wordt nog opgemerkt dat zijn leven te gronde is gericht en zelf zegt hij: ‘Iets aangenaams bestaat er voor mij niet meer in dit leven.’ De effecten van de wraak, die Wronski over zichzelf heeft afgeroepen, kun je zeggen, zijn voor Tolstoj nog slechts enkele alinea’s waard.

Zijn aandacht richt zich op Lewin, Tolstojs alter ego, getrouwd met Anna’s nichtje Kitty. Deze Lewin wordt geteisterd door zijnsvragen, hij stelt dat wij vernietigen omdat wij geestelijk verzadigd zijn, en hij zoekt driftig naar betekenis in het leven; het moet toch iets meer zijn dan ‘de boosaardige spot van een demon’.

Tolstoj mag zijn vrouw verwaarloosd en mishandeld hebben, de schrijver ziet helder dat de mannelijke drie-eenheid van seks, geweld en dood – waarover in Anna Karenina zo uitvoerig is geschreven met Anna en Wronski als voornaamste protagonisten – voor ongekende destructie zal zorgen. Dat deel van de wereld waar Anna hunkerde naar andere liefde dan de saaie echtelijke liefde, naar hartstocht, werd in de twintigste eeuw het decor van ongekende bloedbaden.

In haar essay over Abe schrijft Dworkin: ‘Het geweld waarover mannen dromen en het geweld dat zij aanrichten zorgt ervoor dat zij voor altijd eenzaam zullen blijven.’ Maar haarfijn laat zij ook zien dat diezelfde mannen geloven dat het geweld juist de weg uit de eenzaamheid is. Als dit je analyse is, kun je dan nog oprecht geloven in verandering?

Ook daar lijkt Tolstoj een antwoord op te hebben. Op de laatste bladzijde van Anna Karenina laat hij Lewin denken: ‘Ik zal met mijn verstand niet kunnen begrijpen waarom ik bid en toch zal ik blijven bidden.’ De revolutie en Christus staan buiten de rede.

Op geheel eigen wijze verleiden Tolstoj en Dworkin de lezer om zich anders – op zijn minst bewuster – te verhouden tot de heilige erotische drie-eenheid, seks, geweld en dood; de drie-eenheid die zich volgens hen allebei, zoals gezegd, in het hart van onze cultuur bevindt, niet in de periferie. Dat wat wij aanzien voor liefde, zeggen zij, is ook dat wat ons vernietigt, en dat wat wij vernietigen. De onderwerping en de vernietiging zijn een belangrijk, misschien wel het belangrijkste product van onze cultuur.

Als we naar de huidige cultuuroorlogen kijken, naar Trump, Baudet, Bolsonaro, zien we dat de strijd ook nu weer om het zwaard van de geërecteerde penis gaat, om de vraag of de vernietiging bejubeld moet worden als liefde (patriottisme en nationalisme) of weggedrukt en op milde wijze bestreden moet worden, zoals hun tegenstanders beogen.

Maar Tolstoj en Dworkin stellen ook de indringende vraag of de literatuur zonder de milde en minder milde waanzin van de heilsleer kan. Is het beschrijven van het leven als ‘de boosaardige spot van een demon’ voldoende? Als het antwoord op die vraag ‘ja’ is, als de schrijver zegt dat de genade van de heilsleer hem niet ten deel is gevallen, is hij dan niet een van die mannen die niet inziet dat het zwaard waarmee hij zich een weg uit de eenzaamheid probeert te hakken het zwaard is dat die eenzaamheid in stand houdt?

In haar essay over James Baldwin schrijft Dworkin dat hij zowel in zijn fictie als in zijn non-fictie stelt dat mens-zijn betekent dat je een prijs betaalt voor alles wat je weet en voor alles wat je weigert te weten.

Maar het is Tolstoj, de door Dworkin verguisde én bewonderde Tolstoj, die ondanks zichzelf telkens weer aantoont dat wij zelden weten wat wij weten, dat er hooguit momenten van genade zijn, zoals in hoofdstuk 24 van het 7de deel van Anna Karenina: ‘En in één ogenblik sloeg Anna’s wanhopige jaloezie om in een wanhopige, hartstochtelijke liefde. Zij sloeg haar armen om hem heen en bedekte met haar kussen zijn hoofd, zijn hals, zijn handen.’

De wanhoop is de constante.