‘het zwaard zal verdwijnen’

M. A. Boelgakov, Verzamelde werken, deel 1. Vertaling Aai Prins, Uitgeverij G.A. Van Oorschot, 561 blz., f95,-
DE VRAAG die ik destijds als student Russisch het meest naar mijn hoofd geslingerd kreeg, was: ‘Waarom Russisch?’ Wie zoiets uitzonderlijks studeerde, moest daarvoor wel een verdraaid goeie reden hebben. Om er zo snel mogelijk van af te zijn, luidde mijn antwoord steevast: ‘Vanwege de literatuur.’ Dat was, opmerkelijk genoeg, voor het gros van de vragenstellers een afdoende verklaring, die een hoop onbegrip wegnam. Bovendien was het de waarheid, zij het niet de gehele waarheid. Het zou juister zijn geweest als ik had gezegd: ‘Vanwege Van Oorschots Russische Bibliotheek.’ Als zeventien-, achttienjarige verslond ik de boeken uit die klassieke reeks, en zo moet de basis zijn gelegd voor mijn duurzame relatie met de Russische letteren. En zo komt het ook dat mijn belangstelling aanvankelijk uitsluitend de negentiende-eeuwse literatuur gold, want bij Tsjechov hield de reeks nogal abrupt en schijnbaar zonder enige logica op, alsof er daarna niets meer van enig belang was geschreven.

Met de uitgave van Majakovski’s Werken, twee jaar geleden, is aan die onbevredigende situatie een einde gekomen en wordt de twintigste eeuw ‘onder handen genomen’. Gelukkig gebeurt dat op dezelfde grondige en onbekrompen wijze als voorheen. In de Bibliotheek is namelijk volop ruimte en aandacht voor een, ik zou haast zeggen ouderwets fenomeen als het oeuvre van een auteur. Een en ander betekent dat ook het minder bekende werk van een schrijver aan bod komt en dat men willens en wetens een wisselend niveau voor lief neemt. Het voordeel van zo'n ruimdenkend uitgavebeleid is vanzelfsprekend dat de verschillende stadia en uiteenlopende facetten van een schrijverschap worden belicht. Een gigant als Dostojevski is meer dan alleen Misdaad en straf, Tolstoj is meer dan alleen Oorlog en vrede of Anna Karenina. Het (her)uitgeven beperken tot een paar succesnummers zou neerkomen op een regelrechte kleinering van de betreffende auteurs. Bij Van Oorschot hebben ze dit al heel lang goed begrepen. En dat ze aan dit inzicht nog steeds trouw durven blijven, mag met recht een wonder heten in een tijd van eendagsvliegen, verkoopcijfers en bestsellerslijsten.
NU IS HET de beurt aan de verzamelde werken van twee moderne klassiekers, Boenin en Boelgakov, prozaschrijvers van formaat. De vier delen die beiden krijgen toebedeeld, zullen tussen 1995 en 2000 verschijnen. Voor mij ligt deel een van de verzamelde werken van de in Kiev geboren en getogen Michail Boelgakov (1891-1940), aanvankelijk praktizerend arts, daarna toneelschrijver maar wereldwijd bekend geworden door zijn satirische novellen Hondehart en De eieren der Rampp-spoed, en door de fenomenale roman De meester en Margarita.
De reputatie van de schrijver staat overigens haaks op zijn verguizing gedurende Stalins bewind. Er zijn maar weinig schrijvers die zo zijn gedwarsboomd en gemuilkorfd als Boelgakov. Van zijn aanzienlijke literaire produktie is tijdens zijn leven nauwelijks iets gepubliceerd, en ook na zijn dood is hij in de Sovjetunie tientallen jaren taboe geweest. Zijn toneelstukken werden hetzij onmiddellijk verboden, hetzij slechts na grote moeilijkheden en/of ingrepen van de censuur gespeeld, om dan meestal al weer snel van het repertoire te worden afgevoerd. Dat hij niet opgaf maar na iedere tegenslag weer opveerde en zich opnieuw aan het schrijven zette, is bewonderenswaardig. Maar aan onze bewondering heeft hij nu helaas niet veel meer. Een grotere dienst bewijzen we Boelgakov door hem te lezen.
De hoofdmoot van dit eerste deel van de verzamelde werken wordt gevormd door De Witte Garde, Boelgakovs autobiografisch getinte debuutroman, geschreven tussen 1921 en 1924. In de roman wordt een gezin van jonge volwassenen geschilderd tegen de achtergrond van de revolutie en de burgeroorlog in Kiev, in de nasleep van de Eerste Wereldoorlog. Focus van het verhaal is het ouderlijk huis dat ze bewonen. Achter de dichtgetrokken cremekleurige gordijnen gloeien de warmte en het lamplicht van dit 'vertrouwde honk in de Stad’ als een veilige veste tegen het geweld en de onzekerheden van de opeenvolgende politieke machtsgrepen erbuiten, waar slag geleverd wordt om de controle over Kiev tussen de pro-tsaristische Witten, de bezettende Duitse legers, de Oekraiense boeren-nationalisten en de Rode Sovjetstrijdkrachten. 'De inwoners van Kiev’, zo zou Boelgakov later verklaren, 'schatten dat er achttien machtswisselingen waren. Sommige aan huis gebakken geschiedschrijvers telden er twaalf; ik kan zeggen dat het er precies veertien waren waarvan ik er persoonlijk tien heb meegemaakt.’
Deze heksenketel weet de familie Toerbin plus vriendenkring met veel kunst- en vliegwerk te doorstaan. En ze slaagt hierin door vast te houden aan waarden die karakteristiek zijn voor haar stand en politieke geaardheid. Centraal daarin staan huiselijke waarden als liefde, mededogen, kunstzin, loyaliteit, instinctief fatsoen en een door een religieuze overtuiging ingegeven besef van goed en kwaad - traditionele waarden die beklijven en eeuwig lijken, terwijl politieke systemen en oorlogen vergankelijk zijn, zoals het slot van de roman nog eens lijkt te onderstrepen: 'Alles gaat voorbij: lijden, kwellingen, bloed, koude en pestilentie. Het zwaard zal verdwijnen, maar de sterren zullen blijven, ook wanneer er geen schaduw van onze lichamen en werken meer op aarde zal zijn. Er is niet een mens die dit niet weet.’
IK HEB MOEITE om tot een ondubbelzinnig oordeel over deze roman te komen. En dat ik me daarvoor niet hoef te schamen, bewijst een dagboeknotitie op 27/28 december 1924 van niemand minder dan de auteur zelf: 'Toevallig heb ik in een kiosk het vierde nummer van Rossija gezien. Daarin stond het eerste deel van mijn “Witte Garde”. Ik kon mij niet bedwingen een ander exemplaar te kopen, bij een tweede kiosk. De roman lijkt me deels zeer overtuigend, deels zwak. Ik kan niet meer wijs worden uit mijn eigen indrukken.’
Het boek bevat veel spannende en een aantal onvergetelijke scenes, maar er worden soms zijpaden betreden die geen andere functie lijken te hebben dan bladvulling. Het had - ik vrees dat dit heel pedant klinkt - wat korter gekund en gemoeten. Het bijzondere, het originele van de roman ligt voor een groot deel in het perspectief van waaruit het drama van de burgeroorlog wordt belicht: niet vanuit de officiele, bolsjevistische visie maar door de ogen van andersdenkenden. Dat is de reden waarom het tijdschrift Rossija, na twee derde van de roman te hebben afgedrukt, op last van de autoriteiten werd opgeheven en er een rechtszaak tegen de uitgever werd aangespannen. En het is ook de reden waarom de toneelbewerking van de roman, ook al was die grondig verminkt en ingekort door ingrepen van de censor, een sensationeel succes werd bij het publiek. 'Het was’, zo schrijft Julie Curtis in haar biografische boek Manuscripten verbranden niet (1992), 'het eerste stuk sinds de revolutie waarin de Witten niet als louter bloeddorstige onderdrukkers afgeschilderd werden en er zijn meldingen dat mensen in de zaal kreunden en van emotie flauwvielen door Boelgakovs meeslepende beschrijving van de toestand waarin zij en zovelen van hun naasten tussen 1917 en 1921 verzeild waren geraakt.’
Voor de (Nederlandse) lezer anno 1995, dus ook voor mij, spelen dergelijke overwegingen niet of nauwelijks een rol, en daarom lagen de dikke driehonderd bladzijden mij af en toe wat zwaar op de maag. Ik voeg er ogenblikkelijk aan toe dat ik desondanks blij ben dat de roman in het verzameld werk is opgenomen, niet alleen uit literair-historische en zelfs geschiedkundige overwegingen, maar ook omdat hij ons beeld van Boelgakov completeert.
Dat we bij die beeldvorming geen moment worden gehinderd door het Nederlands, is een compliment aan de vertaalster. Wie op de proppen kan komen met een woord als 'mattekeesje’ (voor de domoor die daar nog nooit van gehoord heeft, vermeld ik maar even dat dit een in vlechtwerk gevatte veldfles is), heeft zijn werk goed gedaan.
Enthousiaster kan ik zijn over het korte verhalende werk dat de roman in deze uitgave omlijst. In 'Aantekeningen van een jonge arts’, waarmee het boek opent, heeft Boelgakov zijn eigen ervaringen als plattelandsdokter in een streekziekenhuis opgetekend. Dit levert alleraardigste lectuur op, onderhoudend, anekdotisch, met een serieuze ondertoon waar het gaat om de achterlijkheid van de lokale boerenbevolking. Bloedserieus is ook 'Morfine’, het heel authentiek overkomende relaas in dagboekvorm van een morfinist. Aan allerlei kleinigheden is te merken dat de schrijver ook hier uit eigen ervaring spreekt. Beide titels lijken mij verplichte kost voor elke beginnende arts.
Ronduit briljant vind ik 'Verhalen over de burgeroorlog’, waarin motieven uit De Witte Garde in kort bestek en wellicht daardoor krachtiger en aangrijpender terugkeren. De vijftig bladzijden, met als hoogtepunt het hallucinatoire 'Een Chinese geschiedenis’, kunnen concurreren met Isaak Babels beroemde Rode ruiterij en geven de wreedheid en waanzin van de oorlog even sterk weer. Het is vooral in deze verzameling dat de magisch-realistische pen van de toekomstige auteur van De meester en Margarita zichtbaar wordt.