Het zwarte en het witte rijk film

De film van Zonca is veel geprezen om zijn realisme. Hij speelt zich af in het grauwe Lille (zo grauw als België of Nederland) en wordt gedragen door twee overtuigende jonge actrices. Elodie Bouchez speelt de opgeruimde en innemende Isa, en Natacha Régnier de nukkige en gecompliceerde Marie. Ze staan alleen in het leven. Leven van de hand in de tand. Ze ontmoeten elkaar tijdens een van hun vele losse baantjes in een naaiatelier. Isa zwerft. Marie past tijdelijk op een appartement. Voor even tijdelijk trekt Isa bij Marie in. Ze zouden vriendinnen kunnen worden. Misschien worden ze het ook eventjes, maar voordat ze zich dit realiseren is de verwijdering al begonnen. Ze verschillen te zeer. Over niets zullen ze het ooit eens worden.

Halfhartig gaan ze op mannenjacht. Even hangen ze de overmoedige en brutale boezemvriendinnen uit. Roepen mannen na. Maar het is altijd de verkeerde. Wat voor de één een aantrekkelijke verschijning is, is voor de ander een gladde griezel. Marie is rusteloos. Moet iedere avond uit. Isa is dromerig. Zou het liefst knus thuisblijven. Ze contrasteren in alle opzichten en dat doet je al een beetje twijfelen aan het geprezen realisme. Gedurende de film bewegen de werelden van Isa en Marie zich steeds verder van elkaar af. Het contrast wordt steeds zwart-witter. Eerst is er nog een aardig tussenstation. Ze sluiten vriendschap met twee imponerende motorrijdende uitsmijters. Vervaarlijke types die echter kleine gouden hartjes blijken te hebben. Het ogenschijnlijke realisme wordt nu nog met een lichte toets omgekeerd. Zijn en schijnen worden speels verwisseld. De flirt met de motormuizen is de laatste gemeenschappelijke onderneming van Isa en Marie. Marie zal in de film steeds meer het zwart gaan verkennen. Voor Isa blijft het wit. Marie laat zich inpalmen door het verwende zoontje van een horecamagnaat. De jongen hangt de nachtclubeigenaar uit en gaat nonchalant en weinig zachtzinnig met vrouwen om. Marie loopt met open ogen in de val. Ze lijkt bijna te kiezen voor de ondergang. Hoe genuanceerd de tekening van het hedendaagse leven in de film soms ook is, het arrogante vriendje van Marie is een eendimensionaal personage. Een onbetrouwbare, achterbakse, volbloed-slechterik. Het verkeerde vriendje in alle opzichten. Hij staat onomwonden voor het kwade. Hij is de duivel in eigen persoon. De duivel? In een eigentijdse hoogrealistische film? Tegenover het zwarte rijk is het witte. In het appartement waar Marie en Isa verblijven vindt Isa het dagboek van een jong meisje. De eigenlijke bewoners - een moeder en haar dochtertje - verblijven na een ongeluk in het ziekenhuis. Isa raakt gefascineerd door het onbekende meisje en zoekt haar op in het ziekenhuis. De moeder blijkt overleden en het meisje ligt in coma. Isa blijft het meisje bezoeken. Ze schrijft een vervolg aan het dagboek en draagt het tijdens haar bezoeken voor. Ze lijkt in direct contact te treden met de ziel van het meisje. Ze lijkt een heilige. Een heilige in een eigentijdse hoogrealistische film? Het realisme van de film blijkt zich alleen aan de oppervlakte te bevinden. Een knap gemaakte oppervlakte, die het resultaat is van ambachtelijk documentair ogend camerawerk en vooral het zeer naturel acteren van Bouchez en Régnier. Ik heb lovende besprekingen van de film gelezen waarin de twee actrices als echte meisjes werden omschreven, alsof de film een glimp laat zien van twee werkelijke levens. De fascinatie van Marie voor haar foute vriendje en die van Isa voor het comateuze meisje komen in die besprekingen niet eens voor. De wereld van goed en kwaad, van echt goed en echt kwaad, past kennelijk niet goed bij een benadering van deze film als slice of life. In wezen doe je de film te kort door alleen stil te staan bij zijn levensechte ongekunstelde buitenkant. Behalve die buitenkant heeft de film een stevige dramatische constructie. Die is niet zo subtiel en modieus als de buitenkant, maar sluit aan bij mooie oude verhalen over dood en leven. Als je goed kijkt gebeurt er zelfs een wonder. Kom daar nog maar eens om in moderne realistische speelfilms. + Het boek van Peter Biskind, Easy Riders, Raging Bulls, is op z'n zachtst gezegd aanvechtbaar, maar de films waar hij het over heeft zijn boven iedere twijfel verheven. Het lijkt of de legendarische bloeiperiode van het dwarse filmen in het Amerika van de jaren zeventig nog nauwelijks geschiedenis is, en soms denk je dat ze nog dagelijks op tv te zien zijn, maar wie het programma bestudeert dat het Filmmuseum brengt onder de titel van Biskinds boek, moet erkennen dat er veel bijzonders te zien valt. En op doek.