Hoofdcommentaar

Het zwarte gat

Medium hoofdcommentaar 1

reageer online: [klik hier](../../../modules/Reactie/reactie.html)

Niet dankzij, maar ondanks haar eigen Parti Socialiste heeft Ségolène Royal de tweede ronde van de Franse presidentsverkiezing gehaald. Ondanks haar partij, omdat de ‘olifanten’ in de gelederen geen middel onbenut lieten in hun pogingen haar imago kapot te maken en haar politieke wil te breken. Maar hoewel ook Monsieur Murphy genadeloos toesloeg en ervoor zorgde dat in haar campagne alles fout ging wat er fout kon gaan, is de lichtvoetige Royal niet gestruikeld over al die ballast, maar verrassend overeind gebleven.

Voor het eerst in de vijftigjarige geschiedenis van de Vijfde Republiek maakt een vrouw nu serieus aanspraak op het presidentschap. De eerste en tot nog toe enige vrouw die daarvoor in aanmerking kwam, was de liberale politica en voorvechtster voor vrouwenrechten Simone Veil (1927), auctor intellectualis van de naar haar genoemde abortuswet van 1975 en minister van Gezondheid in vier centrumrechtse kabinetten. Veil miste echter de ambitie en besluit na een lange carrière in de Europese politiek nu haar loopbaan als lid van de Raad van State.

Verder dan een kortstondig premierschap (Edith Cresson) is geen vrouw in Frankrijk ooit gekomen. En nu is het opeens alsof Catherine Deneuve een jongere zus met politieke ambities heeft. Maakt het uit dat Royal een vrouw is? Ja, dat maakt uit. Anders dan het Angelsaksische feminisme heeft de Franse vrouwenbeweging waarmee Royal zich verwant voelt nooit de bikkelharde confrontatie gezocht, maar de beweging is niet minder succesvol geweest. Zoals alle politieke stromingen in Frankrijk is ook het feminisme er ten diepste conservatief, in de goede zin van het woord. Het benadrukt de waarde van een goede verstandhouding in seksuele relaties en binnen het gezin en bestrijdt onderdrukking van vrouwen, vooral in de institutionele sfeer.

Royal kan daarom net als Veil bruggen slaan waar een mannelijke president dat niet kan. Zo introduceerde zij als onderminister van Onderwijs in 1999 de gratis morning-afterpil op middelbare scholen. Dat leidde aanvankelijk tot grote consternatie onder het belijdend katholieke volksdeel, maar door haar omzichtige aanpak maakte Royal duidelijk dat de maatregel was bedoeld als ondersteuning van het gezinsleven, niet als aantasting ervan. Tien jaar geleden maakte zij zich ook bijzonder kwaad over de invloed op de jeugd van manga, doorgaans gewelddadige en seksueel expliciete Japanse animatiefilmpjes, die zij ‘dom, middelmatig en slecht’ noemde. En ze denkt er nog steeds zo over: toen zij vorig jaar de leidster van de Japanse sociaal-democraten Fukushima Mizuho ontmoette, benadrukte Royal dat de achtergestelde positie van de Japanse vrouw wel eens het gevolg van die manga zou kunnen zijn.

Zoals een commentator in Le Monde opmerkt, is er behalve de programmatische verschillen tussen Royal en Sarkozy ook een semantisch verschil. De bitse Nicholas Sarkozy zegt in zijn speeches om de haverklap ‘Ik wil’ en ‘Frankrijk moet’, terwijl Royal ‘Wij moeten’ zegt en vaak het woord ‘gezamenlijk’ gebruikt. Ze is verrassend ver gekomen met haar zogenaamd zachte benadering, die onder meer hierin tot uiting kwam dat ze haar programma niet in steen beitelde zoals Sarkozy, maar geleidelijk liet groeien in discussie met partijafdelingen, bezoekers van haar website en externe deskundigen. Die ‘besluiteloosheid’ bezorgde haar afgelopen zondag een betere eerste verkiezingsronde dan de grote kanshebbers Jacques Chirac, Jean-Marie le Pen en Lionel Jospin in 2002 behaalden.

Het was bovendien een verkiezingsronde met de op één na hoogste opkomst in de naoorlogse geschiedenis van Frankrijk. Hoezo crisis in het democratisch bewustzijn? Net als in Nederland bij de kamerverkiezingen willen ook de Franse burgers verantwoordelijkheid dragen. Het zou mooi zijn als Royal de komende twee weken zoveel beweging rond haar persoon weet op te roepen dat ze op 6 mei opnieuw een socialistisch record breekt. Helaas spreekt de politieke rekenkunde niet in haar voordeel. Programmatisch lijkt het verschil tussen Royal en Sarkozy niet meer te overbruggen. De flirt van Sarkozy met het xenofobe electoraat van Jean-Marie Le Pen is geslaagd en dat geeft hem een solide uitgangspositie. Hij hoeft nog maar één derde van de kiezers van centrumkandidaat Francois Bayrou in de wacht te slepen en hij zit in het Elysée.

Waarna Royal zich kan afvragen of haar campagne het begin van een nieuw links elan of het einde van Frans links heeft ingeluid. Achter haar gaapt namelijk een zwart gat. Royal heeft niet alleen de ‘olifanten’ van de PS in verwarring achtergelaten, maar ook de radicalere partijen ter linkerzijde van de sociaal-democratie electoraal versplinterd. Wie had twee decennia geleden kunnen denken dat de Communistische Partij van Thorez en Marchais, ooit goed voor twintig procent der stemmen en in de eerste ambtsjaren van president Mitterrand na 1981 zelfs goed voor regeringsdeelname, anno 2007 goed zou zijn voor krap twee procent?

Wat toen een zegen zou zijn geweest – de Sovjet-Unie was niet ‘globalement positiv’ zoals Marchais beweerde – is nu juist een omen. Er is niets voor hen in de plaats gekomen. Of het zou de trotskist Olivier Besancenot moeten zijn met zijn vier procent van de stemmen. Erger nog, in Royals eigen partij kan de olifantendans na 6 mei waarschijnlijk weer opnieuw beginnen. De Parti Socialiste heeft dan wel een leuk succesje geboekt. Op langere termijn hebben de Franse sociaal-democraten dezelfde problemen als hun zusters in Duitsland, Nederland, Italië en Engeland. Ze zijn al jaren het initiatief kwijt. Goede kandidaten compenseren dat soms. Maar uiteindelijk moet de sociaal-democratie het hebben van haar programma, een programma dat de onderklassen integreert en de middengroepen inspireert.

beeld milo