Het zwarte schaap van rusland

Jeltsin wankelt. Volgens zijn voormalige politieke vriend Sergej Kovaljov, oud-dissident en nieuw-dissident, is de Russische president al lang over zijn hoogtepunt heen.r Een interview met de mensenrechtenstrijder en ‘crimineel’ Kovaljov
‘ENERZIJDS IS Boris Jeltsin een hervormer, meer zelfs dan Gorbatsjov. Anderzijds is hij een zeer merkwaardige man: intelligent, ongrijpbaar en onvoorspelbaar. Nadat hij als burgemeester van Moskou was afgezet, trad hij op als criticus en vroeg hij tegelijkertijd om rehabilitatie als partijlid. Waarom ging hij op z'n knieen voor de partij terwijl hij zich al als hervormer had opgeworpen?

Na 1990 werd mijn verhouding met Jeltsin hartelijker en warmer. Ik vind hem een heel bijzondere man, met goede bedoelingen, en heel leergierig en bekwaam. Als mens heb ik eigenlijk medelijden met hem. Hij had zich, net als Gorbatsjov, van een plaats in de geschiedenis kunnen verzekeren. Ik geloof dat Jeltsin echt oprecht een democraat wilde worden, maar hij heeft het helaas niet klaargespeeld. Zijn persoonlijke plafond bleek wat te laag te zijn. Hij heeft z'n hoogtepunt te snel bereikt, maar dat kan men hem niet verwijten.’
Sergej Kovaljov, de voorzitter van de commissie voor de mensenrechten van het Russische parlement, de Doema, staat erom bekend geen blad voor de mond te nemen. Sinds zijn protesten tegen de Sovjet- interventie in Hongarije in 1956 heeft deze bioloog zich - naast wetenschappers als Andrej Sacharov - als een moedig pleitbezorger van de mensenrechten opgeworpen. Als waardering voor zijn optreden tegen de Russische interventie in Tsjetsjenie kreeg hij dit jaar verscheidene prijzen. Vorige maand was hij in Wenen, waar hij de Bruno Kreisky-prijs voor de mensenrechten in ontvangst nam ‘uit naam van de Sovjet-dissidenten in de jaren zestig en zeventig, de leden van de mensenrechtencommissie in Tsjetsjenie, de soldatenmoeders en de tegenstanders van de smerige oorlog in de Kaukasus’. Niet gespeend van ijdelheid veronderstelt Kovaljov dat de Russische regering druk op het Nobelprijscomite heeft uitgeoefend om de Nobelprijs voor de vrede dit jaar niet aan hem toe te kennen.
'Door Tsjetsjenie is mijn verhouding met Boris Jeltsin sterk veranderd. Sinds 6 januari hebben wij elkaar niet meer gezien. Die dag was hij slecht gehumeurd en zwijgzaam. Hij reageerde niet op wat ik zei. Mijn houding tegenover Jelstin is altijd respectvol geweest, al was er van een nauwe vriendschap geen sprake. Jeltsin weet dat ik niet schipper en niet op een politieke loopbaan uit ben, maar als partijfunctionaris staat hij zeer wantrouwend tegenover onafhankelijke mensen. In de politiek heb ik mij altijd vreemd gevoeld, als een witte raaf tussen de zwarte raven. Jeltsin zag mij ook als het zwarte schaap in z'n omgeving.’
HET ZWARTE SCHAAP is hij nog steeds. In een artikel in de voormalige regeringskrant Izvestija heette het eind vorig maand dat de toekenning van de Europese Prijs voor de Rechten van de Mens aan Sergej Adamovits Kovaljov 'Rusland terugbrengt naar de tijden van de voormalige Sovjetunie, toen de wereld prijzen toekende aan mensen die in eigen land werden versleten als tegenstanders van de partij, verraders en bevuilers van het eigen nest’.
Kovaljov behoorde in 1969 tot de initiatiefnemers van de eerste mensenrechtengroep in de Sovjetunie. Hij werd in 1974 tot zeven jaar strafkamp veroordeeld, en vervolgens nog drie jaar verbanning naar het 'verre noordoosten’ ofte wel Siberie. Eind 1987 mocht hij pas naar Moskou terugkeren. In maart 1990 werd hij gekozen als parlementslid van de Russische Federatie. Volgens Kovaljov gebruikte de Russische regering hem: zijn voorzitterschap van de parlementscommissie voor de mensenrechten, zijn positie als voormalig dissident en politiek gevangene en zijn vriendschap met Sacharov kwamen goed van pas om de internationale twijfel weg te nemen aan het democratisch gehalte van de huidige Russiche autoriteiten. Of zoals Jeltsins kabinetschef Filatov het verwoordde: 'Er moet toch tenminste een man in het land zijn die de waarheid spreekt.’
Kovaljov meent dat het Westen en Rusland voor de oorlog in Bosnie gemeenschappelijk een oplossing kunnen vinden. 'Rusland kan vanzelfsprekend sterke druk op de Serviers uitoefenen, opdat zij afzien van verdere gevechtshandelingen. Het Westen kan hetzelfde doen aan Bosnische en Kroatische zijde. In het Bosnie-conflict neemt Rusland tot nog toe een zeer domme, gewetenloze houding in. Met primitieve en valse methoden wordt eenzijdige propaganda bedreven. De Russische krantenlezers weten niets: ze weten niet dat de oorlog op het grondgebied van een en dezelfde staat wordt gevoerd, die door de wereldgemeenschap en ook door Rusland wordt erkend. Kijk, als Rusland de rechten en het zelfbeschikkingsrecht van de Serviers die altijd in Bosnie woonden erkent, kun je je afvragen waarom Moskou dezelfde rechten niet in Tsjetsjenie erkent. De Russen gebruiken verachtelijke propaganda, zoals de kreet “Wij en de Serviers zijn Slavische broeders” - alsof de Kroaten en de Bosniers niet ook Slaven zijn! De communistsche en rechts-nationalistische oppositie in Rusland voert met veel succes een nationalistische propagandastrijd. De regering kiest een makkelijke uitweg door de Serviers als geloofsgenoten af te schilderen, opdat de bevolking maar niet denkt dat we de Turken steunen.’
ZIJN ONGEBREIDELDE kritiek op het Russische optreden in Tsjetsenie bracht Kovaljov in aanvaring met Jeltsin. In Grozny riep hij de wereld op om Rusland onder druk te zetten. En bij de gijzelingsactie van Tsjetsjeense strijders in het ziekenhuis van Bedjonovsk bemiddelde hij, op verzoek van premier Tsjernomyrdin. Kovaljov: 'Ik geloof dat mijn oproepen toch niet helemaal zonder resultaat zijn gebleven. Mijn oproepen hebben duizenden levens gered; zonder die acties zou de oorlog ook nu nog voortduren. Voor hetzelfde geld waren de ontwikkelingen heel anders gegaan. Bijvoorbeeld dat het ziekenhuis in Bedjonovsk nog eens werd bestormd - onze ministers en generaals waren volkomen bereid dat te doen. Er zouden dan niet zo'n honderd mensen om het leven zijn gekomen, maar enige duizenden. Er zouden dan geen gesprekken zijn gevoerd; Besajev zou waarschijnlijk met verschillende van zijn gijzelaars zijn gedood; men zou nu niet onderhandelen. Dan zou de oorlog in de bergen van de Kaukasus zijn voortgezet, en zeker in de winter zou dat heel moeilijk zijn geworden. De Tsjetsjenen zijn goed toegerust voor een partizanenoorlog in de winter.
De westerse leiders halen hun neus op over de Russische oorlog in Tsjetsjenie en hebben het over “mijn vriend Boris”. Waarom hechten ze zoveel waarde aan vriendschap met hem? Ze moeten gewoon van Boris eisen dat de militairen ophouden met schieten. En graag openlijk, zodat de hele wereld weet dat niemand die oorlog steunt. Maar ze zijn bang om dat openlijk te zeggen. De viering van de vijftigste verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog in Rusland hebben ze ook niet gebruikt om druk uit te oefenen. De westerse leiders waren bereid naar Moskou te komen en aan de feestelijkheden deel te nemen, maar niemand heeft een opmerking over Tsjetsjenie gemaakt.’
OVER DE ROL VAN de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) heeft Kovaljov weinig goede woorden over. 'Ik hoop dat de OVSE in het kader van de onderhandelingen inmiddels enige betekenis heeft gekregen. Maar toen de oorlog in Tsjetsjenie volop aan de gang was, was de rol van de OVSE beschamend. Ik heb dikwijls OVSE-vertegenwoordigers ontmoet in het oorlogsgebied en was steeds weer verbaasd hoe besluiteloos, hulpeloos en weinig doortastend ze werkten. Alleen al door een duidelijke aanwezigheid hadden ze een rol kunnen spelen, als buitenstaanders die konden zien wat er aan de hand was. Maar nee, ze verklaarden voortdurend dat zij niet fermer konden optreden omdat ze hier tenslotte als gasten waren. Ik ben toen erg boos geworden en heb gezegd dat als ze zich dan gasten voelen, ze maar in Moskou het circus of het Bolsjoi-theater moesten bezoeken in plaats van naar de Kaukasus te komen.’
Tegelijkertijd waarschuwt hij voor de gevaren van de recente afkoeling van de betrekkingen tussen Rusland en het Westen: 'De belangrijkste reden voor die afkoeling is de politieke krachtsverhouding binnen Rusland. Een groot deel van de Russische oppositie heeft het patriottisme tot hoofdthema gemaakt. En patriottisme mondt in Rusland uit in de almacht van de staat. In de media, in het parlement, in de regering - overal hoor je die luidruchtige verklaringen over de staatsbelangen. Verschrikkelijk veel mensen houden zich tegenwoordig met geopolitiek bezig. En de ploeg van president Jeltsin neemt nu ook deel aan deze primitieve discussie, want het is niet toelaatbaar dat de oppositie patriottischer is dan de regering. Een ontzettend stom motief! Want hoe kan men zich zo nog van zijn politieke tegenstanders onderscheiden?’
Ook de afwerende houding van de Russische regering tegen de uitbreiding van de Navo naar het oosten is daarmee te verklaren volgens Kovaljov: 'Er wordt gewoon gespeculeerd op patriottische stemmingen. In Moskou bevindt zich werkelijk geen een competente politicus of analyticus die serieus bevreesd is voor een uitbreiding van de Navo naar het oosten. Ja, officieel zeggen ze allemaal dat ze sidderen voor een grotere Navo, maar in werkelijkheid is niemand bang. Het is een politiek spel, onder andere om de Gos-landen hechter aaneen te smeden. Het spel haalt de oude sovjet-propaganda weer uit de kast: altijd waakzaam zijn voor de Navo. Dat geeft het staatsapparaat weer meer ruimte om meer bevoegdheden te claimen en te handelen zonder met de publieke opinie in binnen- en buitenland rekening te hoeven houden.’
Hij waarschuwt niet alleen voor de Russische nationalisten en fascisten, maar ook voor wat hij 'de allergevaarlijkste tendens’ noemt in Rusland: de almacht van de staat, die zo diep geworteld is in de Russische tradities. Die ongebreidelde staatsmacht duidt volgens Kovaljov op de zwakte van een staat die niet op efficiente wijze aan democratische controle wordt onderworpen. Vooral in midden-Rusland worden delen van de Russische federatie autoritair en despotisch bestuurd. 'De openlijke restauratie van de totalitaire macht zie je duidelijk in Tsjetsjenie. De burgeroorlog heeft het totalitaire gevaar versterkt. De smalle lichtstreep aan de Russische horizon dreigt weer te verduisteren.’
BIJ DE OP 17 december te houden parlementsverkiezingen verwacht Kovaljov opnieuw kandidaat te zijn van Ruslands Democratische Keuze en van zijn kiesdistrict in Moskou. Dat zijn naam vorige week op een lijst prijkte van kandidaten met een 'crimineel’ verleden, wijt hij aan machinaties van zijn politieke tegenstanders. Kovaljov acht het gevaar overigens 'heel reeel’ dat de communistische en nationalistische partijen bij die verkiezingen de overwinning behalen. 'De toegenomen eerzucht van de Russische politici remt dit gevaar een beetje af. En ook het rood-bruine front staat op zwakke benen. Zowel het democratische kamp als de communisten en de nationalisten zijn onderling verdeeld en liggen met elkaar overhoop.’
Het artikel in Izvestija maakt duidelijk op wiens stemmen Kovaljov in december niet hoeft te rekenen: 'Wie houdt er niet van Kovaljov? In de eerste plaats de machthebbers die hem eerst hebben opgehemeld en vervolgens onderuitgehaald. Kovaljov heeft zich de regels van het Kremlin niet weten eigen te maken en heeft het vertrouwen verspeeld. Het temmen van deze rechtsverdediger is niet mogelijk gebleken. De politici, die eerst met hem hebben samengewerkt, schelden hem nu uit, maar begrijpen niet dat hij daar doof voor is. Hij is een mens die onverschillig staat tegenover materiele welstand, de autoriteiten, de machthebbers en prestige. De tweede categorie die hem ook haat, bestaat uit mensen met een vermeende culturele inslag, een verhulde voorliefde voor militaire uniformen en wapens, en een afkeer van de huidige politieke orde. Ten slotte jaagt Kovaljov niet alleen zijn eigen politieke tegenstanders tegen zich in het harnas, maar ook een niet gering deel van de intelligentsia. Deze derde categorie meent dat hij toch niet zo'n radicale positie in de oorlog in Tsjetsjenie had moeten innemen. Deze mensen vinden het niet verstandig van een politicus, die hoort zo niet op te treden.’