Het zwarte varken in de mens

TOMAS LIESKE
EEN IJZERSTERKE JEUGD
Querido, 124 blz., € 14,95

In de meest recente romans van Tomas Lieske Gran café Boulevard (2003) en Dünya (2007) worden de hoofdstukken ingedeeld naar vertellersperspectief. Lieske laat telkens een andere protagonist praten. Soms komt een personage zo meeslepend aan het woord dat je al lezende denkt: hè nee nou niet weer switchen. Nauwelijks een pagina verder ben je al weer gegrepen door de andere vertelstem. Het werk van Tomas Lieske laat zien dat literatuur een constructie is. Hij is beïnvloed door Shakespeare, zijn vertellingen zijn barok en licht grotesk. Tegelijk maakt hij zijn figuren zo levensecht dat de verhalen toch geloofwaardig worden. De roman Dünya volgt ruim driehonderd pagina’s lang nauwlettend dezelfde personages, en op de laatste bladzijden worden ze even zijdelings genoemd in een rapport. Ze wonen inmiddels honderden kilometers verderop in het uitgestrekte Turkije. Op zo’n moment word je als lezer uit het lood geslagen, het is alsof je door honderd Droste-plaatjes heen in de verte iets herkent dat je net zo scherp was bijgebracht.
Tomas Lieske (1943) publiceerde behalve romans ook verhalen en gedichten. Hij schreef fraaie en onconventionele opstellen over poëzie, gebundeld in Een hoofd in de toendra (1989). De spil van zijn oeuvre is de bundel verhalen en beschouwingen De achterste kamer (1997), waarin zijn jeugd in de platgebombardeerde Haagse wijk Bezuidenhout en al de thematiek uit zijn oeuvre samenkomen. Hij vervlecht jeugdherinnering in één moeite door met essays over boeken en poëzie als hij begint te lezen en ragt daar ook even twee films van Pasolini doorheen.
In zijn net verschenen novelle Een ijzersterke jeugd wisselen twee stemmen elkaar af. De even hoofdstukken zijn aantekeningen gesteld in de protserige procureurstaal van dr. S. die zich bij de partij van ‘knoeperts’ oftewel ‘die principiële kerels’ heeft aangesloten en vaderlandsliefdevolle schlagers meebralt. De andere stem is de poëtische taal van het veertienjarige meisje Augustine, dat zinvolle vragen stelt als: ‘Hadden wij niet het recht onze kindertijd af te maken?’ Al is er al in het tweede hoofdstuk sprake van een vermissing, Lieske houdt zijn novelle buiten het genre van de detective door die vermissing pas aan het slot van het boek uit te werken.
Plaats van handeling is een soort Zwitserland, al komen er Hongaarse namen als Árpád en Esterházy in voor, er is sprake van een Franse grens. Thema is zoals vaker in de latere boeken van Lieske de xenofobie. Dr. S. is buiten zijn schuld werkloos geraakt en laat zich meeslepen door de fascisten. Zijn eerste en laatste woorden luiden dat hij een aimabel mens is. Zijn metaforiek is zwaar op de hand: het volk moet onderworpen, gesystematiseerd, onderzocht op vreemde invloeden. Het zwarte varken in de mens moet op de rug gebracht. Maar met al zijn onhandige retoriek raakt hij verliefd. In een bergdorp dat de nationalisten op orde moeten brengen, valt hij voor het meisje Augustine.
Er loopt een parallel met de hoofdstukken in het bergdorp en de film Salò van Pier Paolo Pasolini, waarin vier fascisten een groep mensen onderwerpen. Al maakt zijn verliefdheid dr. S. jaloers op zijn drie kameraden, zijn ideeën over tucht en orde staan voorop. De novelle wordt vooral gedragen door de mooi geschreven passages waarin het meisje aan het woord komt, dat de mannen met moeite van haar lijf houdt en toch het geheim van het bergdorp voor hen blootlegt. Het gruwelijke van Pasolini’s laatste film is uiteindelijk de psychologie, de ontleding van de macht. Lieske is een verhalenverteller en minder radicaal, het gaat bij hem om goed geschreven en meeslepende passages. Maar ook hij voert vier heren ten tonele waar je niet tegen kunt protesteren.
De verschillende facetten van het oeuvre van Lieske grijpen als een caleidoscoop in elkaar. De wespen uit zijn laatste, bekroonde dichtbundel Hoe je geliefde te herkennen keren terug in dit boek en werken als een parabel voor het fascisme. ‘Ach, van de insecten hadden we veel kunnen leren’, zegt Augustine voor in het boek en die uitspraak werpt een schaduw vooruit. Een ijzersterke jeugd bezit genoeg ingrediënten voor een fikse roman. De beweegredenen voor Augustine om haar dorp en haar eigen jeugd te verraden, bieden stof voor talloze passages. De broeierige herinneringen aan de rivier langs het bergdorp en de sterk beeldende passages over het dorp zelf en zijn inwoners hadden wat mij betreft gerust langer gemogen. Nu is het een knappe novelle.