Film: Swimming Pool van François Ozon

Het zwembad is het leven

François Ozon

Swimming Pool

Te zien vanaf 18 september

De wereld van het zwembad is afgebakend als een filmset. Binnen bestaat de werkelijkheid bij de gratie van een optische illusie: tijd en plaats zijn afhankelijk van reflectie en refractie van het blauwe water en de felle zon. De vervreemding die het zwembad met zich meebrengt, maakt het tot een bijzonder sterke cinematografische metafoor. Dat weet ook François Ozon, ster van de moderne Franse cinema en regisseur van Sous le sable, het verrukkelijke 8 Femmes en het nieuwe Swimming Pool. Ozon stelt: «Het zwembad is als een scherm met daarop geprojecteerde beelden. Hierin treedt het personage binnen.»

Eenduidig is de aanwezigheid van een zwembad in een film allerminst. Dat is juist het punt. In zwembadverhalen is niets wat het lijkt. Dubbele bodems zijn er te over, letterlijk en figuurlijk. In Swimming Pool neemt het personage dat het «waterscherm» van regisseur Ozon betreedt, de gedaante aan van Sarah Morton (Charlotte Rampling), een archetypische Engelse auteur van detectiveromans: bleek, gekleed in herfstige kleuren, seksueel geremd. Haar gebrek aan passie gaat gepaard met een crisis in haar schrijverschap. Om deze op te lossen, vertrekt ze naar een zomerhuis in het zuiden van Frankrijk. Daar loopt ze de sensuele Julie (Ludivine Sagnier) tegen het lijf. Die is jong, energiek en barstensvol levenslust en erotiek. Die karaktertrekken komen tot bloei als Julie zich voor het eerst neervlijt naast het zwembad, de spil van een mysterieus verhaal dat zich vervolgens ontvouwt.

De film is losjes gebaseerd op wellicht de beroemdste en mooiste der zwembadfilms: La piscine (1969) van Jacques Deray, waarin Alain Delon verwikkeld raakt in een driehoeksverhouding met Jane Birkin en Romy Schneider. Onder de zon, naast het zwembad, schitteren de lichamen van de spelers-filmsterren. De camera maakt hen tot objecten van begeerte, onderling als mensen die elkaar liefhebben en bedriegen, maar ook in de ogen van de kijker, voor wie ze karakters zijn binnen een verhaal dat net echt is.

Bij het zwembad tieren gevoelens van begeerte en verlangen welig. Het zwembad bevredigt; het laaft de ziel. Het is een symbool van recreatie, van rijkdom en vooruitgang. Maar het is ook de plaats waar dood en verderf heersen.

Schijn bedriegt in de zwembadfilm. Neem een typische zwembadscène, bijvoorbeeld de eerste minuten van de politiefilm Dirty Harry (1972). Op de bovenste etage van een wolkenkrabber heeft de sluipmoordenaar Scorpio een in een bikini gekleed meisje in het vizier van zijn geweer. De zon schijnt, de muziek is opzwepend, Scorpio raakt opgewonden. Het meisje zwemt gracieus in een zwembad op het dak van een nabijgelegen wolkenkrabber. Dan: de knal van een geweerschot. En het blauwe water kleurt rood.

Seks en geweld gaan hand in hand in de filmwereld van het zwembad. In The Osterman Weekend (1983) is het zwembad een gevaarlijke plaats waar onderdrukte homo-erotiek tot geweldsuitbarstingen leidt. De mannen die samen met hun echtgenoten een weekend doorbrengen bij het huis van een vriend nemen in het zwembad deel aan een balspel. Aanvankelijk gaat het er gemoedelijk aan toe. Maar dan wordt het spel serieus en mondt uit in een vuistgevecht. Regisseur Sam Peckinpah gebruikt het zwembad als schokeffect, net als Alfred Hitchcock deed met de douche in Psycho. Beide locaties zijn een onwaar schijnlijke setting voor plotseling geweld. Het zwembadgevecht in Peckinpahs film is een commentaar op de capaciteit van ogenschijnlijk onschuldige mensen voor geweld. Het is ook een voorbode van een nacht waarin bloed zal vloeien, waardoor de tuin de volgende ochtend bezaaid zal zijn met dode mensen.

Zwembadwater, de mannenliefde en de dood zijn ook onlosmakelijk verbonden in Jonathan Glazers Sexy Beast (2000). Deze meesterlijke misdaadfilm bevat naast de films van Deray en Ozon het interessantste zwembaddiscours. In de openingsscène ligt de gepensioneerde gangster Gary «Gal» Dove (Ray Winstone) te bakken in de zon naast het zwembad van zijn villa in Spanje. Gal heeft het gemaakt. Hij ziet eruit als een gebraden speenvarken; hij kreunt van genot als hij ijs op zijn oververhitte kruis legt. Een Spaanse jongen, die het zwembad schoonmaakt, kijkt geamuseerd toe. Dan komt het verhaal in beweging. Als Gal opstaat en zich lui uitrekt, rolt een reusachtige rots van de nabijgelegen berg tot in het zwembad. De rots wijst op verandering.

De volgende ochtend arriveert de psychotische gangster Don (Ben Kingsley) uit Soho, die de onwillige Gal dwingt mee te doen aan een overval op een bank in Londen. De komst van Don rukt Gal uit zijn droom. Het zwembad, symbool van vrijheid en het goede leven, is nu kapot. Het is leeg en donker als de onvermijdelijke confrontatie tussen Gal en Don zich afspeelt. Ze gaan elkaar te lijf. Hysterisch pakt Gals vrouw een geweer en schiet Don neer. Als een waanzinnig monster stort de gangster in de donkere diepte van het lege zwembad. Datgene wat ooit het teken bij uitstek van ontspanning en romantiek was, is nu een poel van verderf.

Door de dood van Don kan Gal niet anders dan meedoen aan de overval. De gangsters gebruiken een naast de bank gelegen massage salon om door te dringen tot de hoofdbrandkluis. Hiertoe moeten ze in de salon onder water in een zwembad boren om bij de kluis te komen. Wat volgt is een verpletterende scène: aanvankelijk lijken de gangsters met hun witte lichamen — uitgezonderd de uit Spanje overgekomen Gal — als jongetjes in hun onderbroek die in het water spelen. Of, om Freud te volgen, als ongeborenen in de baarmoeder. In elk geval draait het om één ding: seks. Naarmate de camera langer talmt op de lange drilboren die ze gebruiken om tot de kluis door te dringen, wordt de suggestie steeds sterker dat de mannen seksueel tot elkaar zijn aangetrokken.

De film heeft een gelukkig einde. Gal, zijn vrouw en hun vrienden ontspannen zich naast het gevulde, azuurblauwe zwembad, dat net als aan het begin van de film nu weer een teken is van succes, recreatie, heteroseks en romantiek. Natuurlijk ligt er onder de zwembadbodem een lijk te verrotten — Don — maar dat zal deze magnifieke Cockney gang sters een zorg zijn. Ze zitten te bakken. De zon schijnt. En het zwembadwater schittert.

François Ozon heeft iets met water. Zowel Sous le sable als Swimming Pool opent met shots van grauwe Europese rivieren die door eeuwen oude stadsharten vloeien. In de eerste film is er een merkwaardige scène waarin Charlotte Rampling, die de rol vertolkt van de vrouw die de dood van haar echtgenoot niet kan accepteren, dineert met een aantrekkelijke man die verliefd op haar is. De camera fotografeert de personages van achter een aquarium, zodat het lijkt alsof zij onder water eten. Zo neemt de kijker deel aan de belevingswereld van de vrouw, die steeds meer schizofrene trekken vertoont.

In Swimming Pool is de wereld van het zwembad even dubbelzinnig en allesbepalend als in Sexy Beast en La piscine. In Ozons film is het zwembad voor Sarah Morton (opnieuw dus een rol van Rampling) een instrument om haar schrijverschap te herdefiniëren. Maar het gaat dieper: het zwembad is het leven. Wie zwemt, leeft. En niet iedereen kan dat. De mens is niet van nature een zwemmer. In zijn boek The Springboard in the Pond: An Intimate History of the Swimming Pool wijst Thomas A.P. van Leeuwen erop dat zinken eerder iets is wat de mens spontaan doet. Alleen baby’s weten zich in de eerste vier maanden in het water te redden. Dat is toe te schrijven aan hun genetische herinnering aan het evolutionaire stadium van het mensdier dat bekend staat als de «wateraap». Het is dankzij dit stadium dat de mens nog überhaupt in staat is het zwemmen aan te leren. Zonder het antieke erfelijke materiaal zou hij een pathetisch wezen zijn dat meteen verdrinkt.

Aangezien Sarah niet zwemt — ze leeft niet echt — is het zwembad een dreigende aanwezigheid als ze bij de villa in Frankrijk arriveert. Het is bedekt met een zwart net. Herfstbladeren drijven op het water. Sarah gruwt. Voor haar is het een «zinkput van levende bacteriën». Haar houding verandert langzaam met de komst van de wulpse Julie. Eerst ligt er een felrood zwembadkussen aan de rand. Dan verdwijnen het zwarte net en de bruine bladeren en komt het blauwe water te voorschijn. Nu is het zwembad, net als Julie, een object van plezier en verleiding. Het is de locatie waar de mens de staat van gewichtloosheid kan bereiken om, luidens de psychologie van het zwembad, te kunnen terugkeren naar de baarmoeder.

Voor dit alles is Sarah niet klaar. In haar kamer begint ze te schrijven. Maar waarover? Terwijl ze door het huis beweegt, zoekt ze naar een verhaal. Overal ziet ze reflecties: in een spiegel, waarin ze als een figuur in een schilderij van Magritte verschijnt, op de oppervlakte van het zwembadwater, in de ramen van het huis. Het gereflecteerde beeld is leugenachtig en complicerend. Wat is echt en wat is onecht?

Meer en meer focust Sarah op Julie. Met een lege blik in haar ogen — alleen de fantastische Charlotte Rampling kan zo doods kijken — aanschouwt ze hoe het sexy meisje de liefde bedrijft met een reeks mannen. Langzaam transformeert Sarah van objectieve toeschouwer tot actieve participant. Eerst doet ze de dopjes uit haar oren om de hartstochtelijke geluiden van Julie en haar minnaar te kunnen horen. Vervolgens tuurt ze overdag lang naar het ferme, zongebruinde lichaam van het meisje dat aan de rand van het zwembad ligt, gekleed in een zwart-witte bikini, een been lui in het water bungelend. En dan, later, beweegt Sarah heel voorzichtig in de richting van het zwembad. Nadenkend voelt ze het water met haar hand. Dan zwemt ze; ze dringt de reflectie binnen, haar lichaam zacht glanzend onder het water, alsof ze er niet werkelijk is.