Het Zwitserlezengevoel

Herman Koch, Kees van Beijnum en Tim Krabbé verzekeren hun lezer van nabije romans met een heldere moraal en een afgrond die dreigt, maar nooit echt gevaarlijk wordt.

Medium boekportret zwart wit 5

Toen een recensent een paar jaar geleden Thomas Rosenboom ‘de grootste vakman in ons taalgebied’ noemde, was de schrijver daar niet zo blij mee. ‘Het is dan toch alsof je het over een kunstje hebt’, zei hij, ‘iets waar je je in kunt bekwamen, en op een gegeven moment beheers je het. Terwijl of je nu twee of dertig romans hebt geschreven: iedere keer begin je opnieuw en is het maar afwachten of het je gaat lukken.’
De laatste Rosenboom is alweer van een tijdje terug; het was het boekenweekgeschenk, Spitzen, vijf jaar geleden. Er komt vast weer wat, maar op de een of andere manier merk je aan zijn boeken dat ze hem jaren van zijn leven kosten. Zijn schrijverschap is niet wankel, maar wel breekbaar. Misschien moet je wat schrijvers zelf zeggen over het juk van hun bestaan niet al te serieus nemen, maar toch. Iedere pagina Rosenboom is er één, weggesleept voor de poorten van de ongeschreven wereld.

Tim Krabbé, die dit jaar het boekenweekgeschenk schreef, Een tafel vol vlinders, is weliswaar ook niet luchthartig over zijn productie, maar de moeilijkheid lijkt elders te liggen. ‘Het komt mij niet aanwaaien als schrijver’, zei hij onlangs in een interview. ‘Ik denk niet dat ik zo’n groot natuurlijk talent heb. Misschien wel in het verzinnen van verhalen, maar niet in het schrijven zelf.’
Voor iemand die het niet komt aanwaaien heeft Krabbé in veertig jaar een respectabel oeuvre opgebouwd met een aantal hecht geconstrueerde romans, waarin met behulp van perspectiefwisselingen en sprongen in de tijd een sterke spanningsboog wordt gecreëerd. Kenmerkend voor Krabbé’s romans is ook de irrationele, lichtelijk magische ondertoon, immer wiebelend op de grens van gevoelig en sentimenteel. De Dood en de Liefde, voor minder doet Krabbé het niet, en de lezer gaat met hem mee, of niet.
Zowel in zijn werkerige opvatting van het schrijverschap en zijn afkeer van een poëtica als in zijn verhalende stijl en herkenbare thematiek is sprake van een onmiskenbare verwantschap van Krabbé (1943) met zijn jongere collega’s Kees van Beijnum (1954) en Herman Koch (1953). Op een andere manier dan de ooit Grote Drie (Reve, Hermans, Mulisch), die ieder voor een geheel andere literatuuropvatting stonden en een heel eigen, elkaar uitsluitend, universum, vormen Koch, Krabbé en Van Beijnum een nieuw soort driemanschap. Zij zijn een Grote Drie nieuwe stijl, waarbij de door Rosenboom gewraakte term ‘vakmanschap’ een sleutelrol speelt. Koch, Krabbé en Van Beijnum, ze verkopen het Zwitserlezengevoel. Als een betrouwbare verzekeringsmaatschappij bieden zij hun lezers het vangnet van de goed gecomponeerde, krachtig geschreven roman, met een kop, een staart en een weemoedige, troostende boodschap daartussenin. Welke loer het leven ons ook draait, het levert in ieder geval een goed verhaal op. Ze hebben de wind mee in het huidige literaire klimaat, zowel wat verkoop als wat ontvangst betreft. Krabbé kreeg de eer het officiële boekenweekgeschenk te schrijven, Van Beijnum schreef de boekenweekuitgave van De Bijenkorf en Kochs Het diner voert al weken de bestsellerlijst aan.
Als populariteit en literaire waardering elkaar niet in de weg zitten, kunnen er twee dingen aan de hand zijn: we hebben hier te maken met iets geniaals, of we stuiten op een type literatuur waar gewoon niet zo veel tegenin te brengen is. Zorgvuldig geschreven, handig gebruik gemaakt van literaire technieken, inhoudelijk interessant, wat wil je nog meer. Ze schrijven in eerste instantie voor het gemak van de lezer. Het feit dat deze schrijvers alledrie het vertellenswaardige verhaal vooropstellen en compositie en stijl inzetten om dat verhaal zo helder en boeiend mogelijk over het voetlicht te brengen, is op zichzelf misschien nog een wat magere reden om ze hetzelfde clubshirt aan te trekken. Gecombineerd echter met het feit dat ze ook nog eens binnen dezelfde biotoop opereren, de gegoede middenklasse met het leven net iets te veilig op de rails en daardoor behept met een lichte hang naar ontsporing en destructie, maakt hun werk bijna – oneerbiediger gezegd dan bedoeld – onderling uitwisselbaar. Dit laat zich goed illustreren aan de hand van hun meest recente werk, dat bij alledrie gek genoeg – of juist niet – draait om de vader-zoonrelatie.

Zoon van heet de korte roman die Kees van Beijnum schreef in opdracht van De Bijenkorf. Zonder dat het met zoveel woorden wordt gezegd, is al snel duidelijk dat het hier gaat om de zoon van Ferdi E., de ontvoerder en moordenaar van Gerrit-Jan Heijn. Eerder al schreef Van Beijnum een televisiescenario geïnspireerd op deze zaak, maar toen focuste hij op de verhouding tussen de dader en zijn slachtoffer. Nu hij het perspectief van de zoon heeft gekozen, en het drama zich ook nog eens in retrospectief laat ontwikkelen, komt alle aandacht te liggen op het geschonden vertrouwen van de zoon in zijn ooit almachtige vader. Het laatste hoofdstuk, waarin vader en zoon samen in het bos everzwijnen gaan spotten, krijgt in het licht van wat er later zal gebeuren op deze zelfde plek de maximaal aangrijpende betekenis. Een effect dat Van Beijnum sorteert door het verhaal achterstevoren te vertellen en te eindigen met de zoon die zich geborgen weet bij de vader. ‘Je moet van je personages houden, maar je moet ze ook naar de rand van de afgrond voeren’, zei Van Beijnum een tijd geleden in een interview. ‘Daar zit toch het echte drama, de waarheid en de pijn.’ Voor te veel pijn, of literatuur die zijn spijsvertering op wat voor manier dan ook ontregelt, hoeft de Zwitserlezer niet te vrezen: daar is hij tegen verzekerd.
In Het diner van Herman Koch is het de zoon die de vader voor een onaangename verrassing stelt. En hoe is het dan gesteld met de vader-zoonloyaliteit? Net als Van Beijnum geïnspireerd door een gebeurtenis uit de werkelijkheid, haalt Koch een moreel dilemma de vertrouwelijke setting van een familie-etentje binnen. Zulke ogenschijnlijk normale mensen, die alles kabbelende weten te houden, hun baan, hun huwelijk, hun huishouden, maar ondertussen. Moord en doodslag, en het toedekken daarvan, kunnen zomaar binnen handbereik komen. Kochs protagonist, Paul Lohman, vervroegd uitgetreden leraar geschiedenis, zit vol agressie jegens het leven in het algemeen en jegens zijn omgeving in het bijzonder. De weinige mensen die hij dacht te kunnen vertrouwen blijken ook zo hun geheime agenda te hebben. Koch speelt een spel met het vertellersperspectief dat al ontoereikender en onbetrouwbaarder blijkt te zijn, waardoor de lezer op een gegeven moment zelf zijn conclusies moet trekken over wat er nu echt aan de hand is.
Ook Krabbé zet de lezer aan het werk, met Een tafel vol vlinders. Een beetje. De vader en de zoon zijn in dit geval niet echt vader en zoon; Fred blijft voor Bram zorgen, ook als zijn relatie met de moeder van Bram al lang over is. De echte vader van Bram heeft zelfmoord gepleegd. Met behulp van het beproefde procédé van de perspectiefwisseling vertelt Krabbé het universele drama van de uiteenlopende verwachtingen van ouder en kind. Van meet af aan weet Fred dat Bram tot grootse dingen in staat is, grootser dan hij zelf, want Bram is ‘geen confectie’ en Bram omhelst het leven als geen ander. Als we echter een kijkje krijgen in de dagboeken van Bram, blijkt die net iets anders in het leven te staan dan Fred kon bevroeden. Zo blijft hij hangen aan het eerste het beste meisje, om zijn grote droom maar niet waar te hoeven maken. En voelt hij al meer de doem van zijn echte vader boven zich hangen. De lezer kan de rest invullen.

Krabbé, Van Beijnum en Koch beheersen het vak en tillen de lezer op een prettige manier op. Hun werk is bijna uitwisselbaar, maar net niet helemaal. Van Beijnum is de klassieke realist, met landschappelijke uitwijdingen: ‘Het uitzicht is betoverend, uit een andere tijd, een ander land, met de gele, welgedane koeien op het weiland en de glooiende lanen omzoomd door reusachtige villa’s uit het prentenboek.’ Koch is de sardonische observator, bij wie de meligheid altijd een beetje op de loer ligt: ‘De pink van de gerant had eerst op mijn met Duits spek omwikkelde parelhoenfilet gewezen, en vervolgens op de bijgerechten: een met een cocktailprikkertje bijeengehouden stapeltje “lasagneschijfjes met aubergine en ricotta” dat aan een miniatuur clubsandwich deed denken, en een in de lengte met een springveer doorstoken maïskolf.’ Krabbé is de dramaticus, of de romanticus zo men wil, die niet terugschrikt voor grote woorden en dito gevoelens: ‘Maar hij hield echt van Bram. En Bram hield van het leven – dan was het zijn taak te zorgen dat dat leven iets bleef waar Bram van kón houden.’
Dit vakmanstrio levert gewoon goede boeken zogezegd, wat wil je inderdaad nog meer? Behalve dan opmerken dat Van Beijnum in Zoon van net niet onverwacht genoeg voor de dag komt met dingen die we niet zelf ook hadden kunnen bedenken op grond van de ontvoeringszaak. Dat Koch van zijn hoofdpersoon in Het diner opeens een échte gek maakt, met een pathologisch ziektepatroon, in plaats van iemand zoals jij en ik en iedereen, waardoor hij de angel uit het drama haalt. En dat Krabbé in Een tafel vol vlinders al te snel het perspectief van de vader verlaat, waardoor je als lezer net niet helemaal de klap voor je kop krijgt die de schrijver wil uitdelen.
Om in Van Beijnums metaforiek te blijven: misschien blijf je bij deze schrijvers – geheel volgens de polis van de Zwitserlezer – uiteindelijk wel te veel aan de rand van de afgrond vertoeven, in plaats van dat je er echt in dreigt te kukelen.

KEES VAN BEIJNUM
ZOON VAN
De Bezige Bij/Bijenkorf, 96 blz., € 4,95

HERMAN KOCH
HET DINER
Anthos, 302 blz., € 19,95

TIM KRABBÉ
EEN TAFEL VOL VLINDERS
CPNB, 90 blz., boekenweekgeschenk

Op dinsdag 17 maart interviewt Marja Pruis Herman Koch over zijn werk in het kader van de serie ‘Het scheppingsverhaal’, georganiseerd door Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. 20.00 uur, De Balie, Amsterdam. Reserveren via www.debalie.nl