JEROEN BROUWERS, BITTERE BLOEMEN

Heur gedichten waren bagger

Jeroen Brouwers, Bittere bloemen, € 18,90

Ik denk niet dat het heel moeilijk is een lyrische, gevoelvolle recensie te schrijven van de nieuwe roman van Jeroen Brouwers, Bittere bloemen. Brouwers is wat je noemt een groot stilist, bijna een dinosaurus te midden van zijn collega’s die al te heldere en doorzichtige zinnen tikken op hun toetsenbord, en die zich blindstaren op het ordentelijke proza dat meteen al heel wat lijkt op zo'n beeldscherm, waar hij zijn ganzenveer nog steeds in inkt doopt om met grote krulletters en dikke komma’s, eindeloos veel komma’s, af te dalen in de krochten van zijn boze oudemannenbestaan.
‘Schrijven is een lichamelijke daad, inkt is het bloed van de schrijver’, schrijft hij in zijn nieuwe roman. Er zijn maar weinig schrijvers die geen hoongelach over zich afroepen met zo'n credo. Net als met zo'n verschrikkelijke titel. Bloemen als metafoor voor illusies, die verwelken en verrotten, en langzaam vergaan - afgeklovener en pathetischer kan het bijna niet. Maar hé, dit is Jeroen Brouwers, de schrijver van meesterwerken als Bezonken rood en Geheime kamers, geheimzinnige amalgamen van humor, woede en lyriek, met niks en niemand te vergelijken.
Het duurt dan ook even voordat je je het lachen durft te laten vergaan als je zijn nieuwe werk leest. Een hoogbejaarde schrijver bevindt zich op een cruise, in z'n eentje, in slechte fysieke toestand en tegen zijn wil. De perfecte uitgangssituatie om er een flinke portie mensenhaat tegenaan te gooien. Op zo'n cruise is de mensheid immers op z'n rijkst, landerigst, dikst en lelijkst. Brouwers, pardon, zijn alter ego Julius G.M. Hammer, behalve schrijver ook ooit rechter en minister geweest, geeft zijn ogen flink de kost, zij het dat er 'niet één jeugdig, fraai gesculptureerd lichaam’ zich in de buurt ophoudt 'om met verstolen welgevallen, ontroering ook, heel even vanuit de ooghoek naar te kijken’. Nee, hier slechts in de aanbieding 'ruim gevorderd middelbare mannen met puilpenzen en beplagde navel-, tepel-, rugpartijen, druipend van zweet, en hun vrouwelijke gezelschap, zelfde kaliber, even vet voorzien van uitstulpsels, ribbels en plooien, maar niettemin zich bh-loos etalerend, borsten, buiken, dijen als van griesmeeldril’. En zo gaat het nog pagina’s en pagina’s door, en wordt wat zich aanvankelijk voordoet als scherp en meedogenloos en ook wel grappig, al heel snel gewoon heel veel woorden voor iets wezenlijk oninteressants.
Zeker als het lichtpuntje aan de einder verschijnt, en er zich toch nog een jeugdig, fraai gesculptureerd lichaam op die boot blijkt op te houden. Pearlene! Het is een wonder dat zij hier ook is, zijn oud-studente, die bij hem een cursus creatief schrijven volgde en die hij publiekelijk vernederde door haar meisjesversjes voor haar ogen en die van haar medestudenten te verscheuren, of in ieder geval belachelijk te maken. De hoogste tijd om het goed te maken ('Heur gedichten waren bagger, maar hij hield van haar’), zij het dat hij kreupel en oud is, en om het minste of het geringste neerstort en geen lucht meer kan krijgen.
Bittere bloemen is geschreven als in een delirium, de koortsdroom van een man die zich op de drempel van de dood bevindt. Slechts één ding houdt hem staande, Pearlene, een 'aanwezigheid van louter goud en zijde’, de droomgeliefde die niet weet dat ze zijn geliefde is en zou giechelen als ze het wel zou weten. 'Kom tot jezelf, vermoste knotwilg,’ spreekt Hammer zichzelf toe. Alle zelfspot en zelfhaat ten spijt - 'Waar, mijn jeugd, zijt gij toch heen’ - het 'goetheaanse’ smachten naar haar fragiele meisjeslichaam wordt naarmate er minder gebeurt en alleen maar meer gezwijmeld wordt, vooral bijzonder spanningsloos. 'Gunnen wij hem zijn ultieme genoegentje in hoge graad van verzaliging’, schrijft Brouwers als zijn creatuur zich achter op het brommertje bevindt van zijn geliefde, en met zijn handen schroomvallig haar heupen laat omvatten, en - 'het bliksemt door hem heen’ - plotsklaps haar navelpiercing voelt.
Gunnen wij Brouwers zijn zwanenzang. Laten we het erop houden dat de brille van de schrijver in deze roman met hem op de loop gaat. Hij toont zich andermaal schuimbekkend welsprekend, vol walging over zijn lelijke, etende, stinkende medemens, mateloos verlangend naar dat ene meisje met haar poëtische naam, door hem consequent verbasterd tot 'Leentje’, het meisje dat weliswaar erbarmelijke gedichtjes prutst als ze niet haar tarotkaartjes legt, maar dat zo'n epifanie van bloesemachtige vlinderigheid is, af en toe in al haar springerigheid per ongeluk het onverwachte zicht biedend op daar waar haar string schuurt en knelt, net niet helemaal verhullend dat ze zich dáár, rond die verboden atol, helemaal geschoren heeft. Hoe jammer, hoe fijn als daar net toch nog iets krullerigs en kroezigs had gezeten, maar helaas, een kale venusheuvel dat is wat de mode voorschrijft deze dagen, net zoals de muziek van tegenwoordig ook helemaal nergens naar klinkt, en de literatuur ook maar wat vluchtig getetter in de ruimte is et cetera et cetera.
Bittere bloemen, er had een emmer bij geleverd moeten worden om alle onverteerde zinnen, dat hele stuwmeer aan associatieve vergezichten op de gehate dode echtgenote, de nog meer gehate springlevende dochter, de bitter beweende in de oorlog geëxplodeerde moeder, het onbereikbare jonge meisje, onmiddellijk weer in over te kunnen geven. Wat een moeite, wat een oervervelend, slaapverwekkend en onanistisch proza.

JEROEN BROUWERS
BITTERE BLOEMEN
Atlas, 288 blz., € 21,95