Hier ben ik

Ik heb me op vele rollen in het leven min of meer voorbereid.

Die van vriend, verloofde, echtgenoot, gescheiden man, vader, schrijver, presentator, toneelspeler, musicus. Je stelt je voor wat er enigszins van je wordt verwacht. Er zijn normen en waarden waaraan je wilt voldoen, en dat is soms moeilijk, maar je hebt het min of meer overdacht.

De enige rol die ik nooit heb overdacht is die van grootvader.

Medium opheffer 28 2012 opa

Een grootvader is een oude, krom lopende man met een baard die stinkt naar alcohol en tabak en niet meer helemaal bij de tijd is.

Tenminste, dat is het beeld dat ik van grootvaders heb. Dat is ook het beeld zoals ik me dat herinner van mijn eigen grootvader.

Een man die soms zijn viool pakte en dan iets wilde spelen, zich schaamde en het instrument dan weer weglegde. Een man op wiens schoot ik kroop, dat herinner ik me nog. Ik was vijf toen hij overleed. Er zijn foto’s van hem en daarop is hij duidelijk herkenbaar als pater familias.

Ik ben nu ook grootvader.

Niemand vraagt hoe ik dat vind, maar iedereen zegt vragend: ‘Leuk hè?’

Wat moet ik dan zeggen?

Natuurlijk heb ik een schattig kleinkind, het is het liefste kleinkind dat ik ken, en ik heb plezier met het ventje. Ik neem het op schoot, ik lach naar hem, ik verschoon hem als er geen oma in de buurt is en ik geniet van hem als hij weer naar de poes kruipt.

‘Hartstikke leuk.’

Het kind heeft drie grootvaders. Grootvaders die in betere conditie zijn dan ik. Ze roken niet, hebben nooit een kater omdat ze te lang in het café hebben gezeten, hebben geen problemen met hun eega’s en slikken niet dagelijks een handvol pillen tegen hoge bloeddruk, hartritmestoornissen, verhoogd cholestorol en maagzuur.

Ik wou dat mijn kleinzoon al zeventien was, dan kon ik hem meenemen naar mijn wereld.

Maar tegen die tijd ben ik 76.

Ik denk dat hij dan niet naar mijn wereld wil.

Mijn vader stierf toen hij 76 was.

En daar moet ik steeds aan denken. Aan mijn vader als grootvader. Mijn dochter was gek op haar opa. Hij deed ook leuke dingen met haar. Hij kende de namen van de vogels, de bomen en de planten. Hij kende verhalen uit het bos in Indië.

Mijn vader leefde op door de kleinkinderen – zijn ervaringen in het jappenkamp overschaduwden het naoorlogse geluk, maar toen de kleinkinderen kwamen en hij een vermoeden van een rechtvaardig levenseinde had, leefde hij iets op.

Ik zie mijn dochter in het Vondelpark lopen met de kinderwagen.

Ik heb een kater van hier tot de volgende maand. Ik lig wat te bakken in de zon. De avond kende wat drank, een joint en wat cocaïne. Niet te veel, maar toch te veel, zeker voor iemand met hartritmestoornissen en een kleinzoon. Ik heb de stralen van de zon nodig, want die moeten ook mijn schuldgevoel wegsmelten – de vraag is of één zon daarvoor genoeg is.

Mijn dochter en mijn kleinzoon naderen.

Ik hou me stil, maar kan dat wel?

Ik wil zo graag iets voor het jongetje betekenen, maar ik weet niet wat. ‘Er zijn, pap’, zegt mijn dochter steeds, ‘gewoon er zijn.’

Er zijn. Maar dat is nu net het probleem. Daarom was ik ook een slechte vader: ik was er nooit. Mijn ambitie was een ingewikkelde puzzel met puzzelstukjes die nergens pasten en ’s nachts ging ik op zoek om te kijken of ik stukjes bij vreemde vrouwen, drank en drugs kon vinden. Tot op heden niets gevonden.

Ik hou echt van mijn dochter en dat kereltje.

Ik sta op en de wereld draait. Mijn hart bonkt.

‘Hallo, hier ben ik’, roep ik.