Hier die graal!

De duizendjarige zoektocht naar de heilige graal begint eindelijk vruchten af te werpen. De sporen leiden regelrecht naar het Oranje-huis. Behoort de ‘bekroning van alle aardse wensen’ tot ons nationaal cultuurbezit?
DE ZOEKTOCHT naar de graal leidde onder meer naar Punjab in India, naar de katharenburchten van Zuid-Frankrijk, de hoogvlaktes van Ethiopië, naar het paleis van Atreus in Mycene en de tempel van Zeus in Dodona, naar het klooster van Montserrat in Spanje, naar het paleis van Chosroës in Perzië en de heilige plaatsen in Constantinopel.

De meest recente graalmelding komt echter uit het dorp Aberystwyth in Wales. De Sunday Telegraph van 9 juni jongstleden meldt dat daar onlangs een kleine houten beker is gepresenteerd als de beker die Jezus bij het laatste avondmaal gebruikte en waarin na diens overlijden zijn bloed zou zijn opgevangen. Volgens het bericht lag de graal jarenlang opgeslagen in een kluis van de Lloyds Bank in Aberystwyth, zonder dat de directie er weet van had. Eigenaar was adellijke familie Powell van het naburige landgoed Nanteos, die het heilige relikwie rond 1860 had gedeponeerd onder de naam Nanteos Cup. De chef van de bank nam aan dat het ging om ‘een trofee van een paardenrace’. Al jaren werd de graal af en toe uit de kluis gehaald om wonderbaarlijke genezingen te verrichten. De Powells waren niet gierig met hun graal. 'Ze hadden de graal en dat was dat’, aldus een in de pers geciteerde kennis. 'Voor hen was het niets bijzonders.’ Een van de gelukkigen was Richard Wagner, die zich tijdens een verblijf in Groot-Brittannië naar Wales spoedde om de graal te aanschouwen. Adrian Wagner, in de beste traditie van zijn over-overgrootvader een verwoed graalzoeker, was er als de kippen bij om Aberystwyth tot een heilige plaats uit te roepen. De krant is terughoudender en omschrijft de graal als 'een aangevreten kokosnoot’.
Gepokte en gemazelde graalzoekers schrikken al helemaal niet meer op van een dergelijk bericht.
Het regent de laatste jaren graalmeldingen. Het is alleen fysiek al onmogelijk die allemaal te controleren. Dan kan je net zo goed alle Ufo-zieners gaan interviewen over hun ervaringen. Bovendien ontbreekt het aan criteria waaraan een graalvondst kan worden getoetst. De christelijke omschrijving van de graal als de beker van het laatste avondmaal, tevens dienend als schaal voor het heilandelijke bloed, door de Byzantijnse keizerin Helena uit het heilige graf opgegraven en na de val van Jeruzalem rond het jaar 700 naar elders overgebracht, heeft al lang geen monopoliepositie meer en heeft die in feite ook nooit gehad. De graal wordt nu op honderden uiteenlopende manieren omschreven. Als mystiek geladen ruimtegesteente, een kosmisch ei, een door koning Salomon geschreven boek, een kabbalistische trance, de bron van eeuwige jeugd, een Perzische parel, het oog van de Egyptische god Thoth, een brouwsel van de Ierse godin Dagda, et cetera. Er bestaan feministische interpretaties van de graal, nationaal-socialistische, antroposofische, gnostische, boeddhistische, en sinds de middeleeuwse mythe van de graal ook is geadopteerd door de New Age-beweging is er al helemaal geen houden meer aan. In die sferen is de graal uitgegroeid tot het symbool van alle door het Vaticaan verdonkeremaande geheimen van het christendom.
DE ONBETWISTE bijbel van de laatstgenoemde leer is het 1982 verschenen The Holy Blood and the Holy Grail van Michael BaiHgent, Richard Leigh en Henry Lincoln. Hun boek zorgde ervoor dat de moderne graalqueeste, tot dan toe vooral een Britse aangelegenheid vanwege koning Arthur en de ridders van de ronde tafel, een internationaal gezelschapsspel werd. Het trio speurde voor een BBC-documentaire in Zuid-Frankrijk naar een schat van de tempeliers, die begraven zou moeten liggen in de buurt van het gehucht Rennes-le-Château in de Languedoc, veertig kilometer ten zuiden van Carcasonne. Eind vorige eeuw was de lokale pastoor, Franσois Bérenger Saunière op verdachte wijze steenrijk geworden, terwijl zijn religieuze opvattingen allengs blasfemischer werden. Saunière bleek aan het eind van zijn leven een bedrag ter waarde van drie miljoen dollar te hebben uitgegeven, zonder dat er enige vorm van officiële inkomsten tegenover stonden. De plattelandspriester onderhield contacten met allerlei occult voortgestuwde types in de betere kringen van Parijs, dronk als een tempelier en luisterde zijn landgoed op met allerlei heidense symboliek. In 1912 werd Saunière op beschuldiging van illegale verkoop van missen uit de kerk gezet, om luttele tijd later weer in ere te worden hersteld. Op zijn inmiddels luisterrijke landgoed ontving hij gasten als zijne doorluchtigheid Johann von Habsburg en sopraan Emma Calvé, de Maria Callas van haar dagen. Met historische zevenmijlslaarzen kwamen Lincoln, Baigent en Leigh tot de conclusie dat het geheim van Saunière - datgene waarmee hij de kerkelijke autoriteiten met succes zou hebben gechanteerd - berustte op informatie over de ware gang van zaken rondom de Messias. Zij stelden dat Saunière beschikte over een oud tempeliersgeheim, dat er kortgezegd op neerkwam dat Jezus niet aan het kruis was gestorven, maar naar Zuid-Frankrijk was uitgeweken om samen met Maria aan de wieg te staan van het geslacht der Merovingen, dat nog altijd zou voortleven in diverse Europese vorstengeslachten, Otto van Habsburg als stamhouder voorop. De schrijvers bestreden dat de graal een voorwerp was. Zij meenden dat de 'san gral’ uit de oude Franse graalteksten een verbastering was van 'sang royal’, het koninklijke bloed uit het huis van David dat via Jezus en de Merovingen Europa was binnengestroomd. The Holy Blood and the Holy Grail staat bol van verborgen genootschappen die waken over de geheimen van de graal - van de alom aanwezige Tempelorde tot een genootschap dat zich de Prieuré de Zion noemde en in tegenstelling tot de tempeliers niet op de brandstapel van de inquisitie was beland. Door de eeuwen heen stond deze graalraad onder gezag van edellieden en artiesten, onder wie Leonardo da Vinci, Victor Hugo, Jean Cocteau en Claude Debussy.
De publikatie van The Holy Blood and the Holy Grail geschiedde onder snerpend gefluit en hoongelach van historici, maar werd niettemin voorpaginanieuws voor de Britse sensatiekranten. Wie dacht dat de mannen van Monty Python met hun hilarische graalridderskomedie over de zoektocht naar de graal deze materie voor eens en altijd in de hoek der historische hilariteiten had geplaatst, kwam bedrogen uit. Het boek ging in een miljoenenoplage over de toonbank en veroorzaakte een kettingreactie aan soortgelijke studies, de een nog wilder dan de ander, speculerend over het rijk aan geheimen van de grote graalfamilie, die rond het jaar 2000 definitief zal aantonen dat het christendom berust op historische nonsens.
De jongste loot aan deze stam komt van historicus Richard Andrews en ingenieur Paul Schellenberger, die in het spoor van Lincoln, Baigent en Leigh naar de Languedoc trokken en aan de voet van een berg bij Rennes een graf lokaliseerden dat zij met tweehonderd procent zekerheid identificeerden als de tombe van Jezus. Triomfantelijk riepen zij deze vondst uit tot de definitieve weerlegging van de dogma’s van de r.k.Kerk. Wellicht daarom dat de paus nog altijd afstand neemt van de 'zwart-magische’ graalcultus. Rennes-le-Château groeide uit tot een bedevaartsoord. Jaarlijks wordt het zeventig koppen tellende dorp overspoeld door tienduizenden graalzoekers. De kans dat zij werkelijk iets zullen vinden is overigens klein. Het landgoed van de in 1917 overleden abbé Saunière is 25 jaar lang tot op de vierkante centimeter afgegraven door de laatste Franse eigenaar, Henri Buthion, die voor dat doel zelfs dynamiet inzette. In 1994 verkocht Buthion het terrein aan vier Nederlandse zakenmannen, die het domaine van Saunière naar eigen zeggen willen 'oppoetsen’ tot toeristische attractie. Ze verwachten jaarlijks veertigduizend bezoekers, zo liet Bert Gerards, een van de investeerders, eind vorig jaar aan de Telegraaf weten.
DE GRAALMYSTIEK deed zijn intrede in de Europese letterkunde in de tijd van de kruistochten en de tempeliers. In 1095 riep Paus Urbanus II op tot een kruistocht tegen de moslims. Vier jaar later veroverden de kruisvaarders Jeruzalem en kreeg Godfried van Bouillon de koningszetel toegewezen. Hij verkocht al zijn Europese bezittingen en vestigde zich als verdediger van het heilige graf definitief in Jeruzalem, alwaar een autonoom koninkrijk werd uitgeroepen. Na Godfrieds dood werd zijn broer Boudewijn de eerste koning van Jeruzalem. De koning van Jeruzalem kreeg al snel steun van een nieuwe ridderorde: de Arme Ridderorde Christi van de Salomonische Tempel, oftewel de Tempelorde, opgericht door Hugo van Payns, een edelman uit de Champagne, die met zes kameraden naar Jeruzalem zou zijn gereden om Boudewijn I bij te staan. In snel tempo groeide de Tempelorde uit tot een machtig instituut. Invloedrijke aristocraten als de graaf van Anjou en de graaf van Champagne voegden zich bij de gelederen van de orde, en legden de gelofte af van kuisheid, verplichte armoede en absolute opofferingsgezindheid. In 1139 verordonneerde paus Innocentius II dat de tempeliers aan niemand anders verantwoording schuldig waren dan aan de paus.
Toen in 1147 de tweede kruistocht begon, gold de Tempelorde als steenrijk. In nauwe samenwerking met de r.-k.orde van de Cisterciënzers onderhielden de tempeliers diplomatieke contacten met alle koningen, inclusief de saracenen en zelfs de gevreesde islamitische orde van de assassijnen. De tempeliers traden op als bankiers van de grote vorstenhuizen, kenden dankzij hun uitstekende Arabische connecties veel beter de geheimen van de cartografie dan de andere Europeanen, zoals het ook aan hun rol als intermediair te danken was dat ze kennis ontwikkelden op het gebied van de geneeskunde. Van sommige kruisridders, zoals de rooms-Duitse keizer Frederik Barbarossa, wordt zelfs gezegd dat zij zich tijdens hun verblijf in het Heilige Land tot de islam bekeerden.
IN 1188 PUBLICEERDE Chrétien de Troyes zijn boek Perceval le Gallois ou le conte du Graal. Hiermee werd het begrip Graal voor het eerst op papier geïntroduceerd. De schrijver leefde aan het hof van de aan de tempeliers verwante graven van Champagne in Troyes. Zijn verhaal handelde over een ridder, Perceval, die op een nacht tijdens een bezoek aan een burcht een geheimzinnig object, de graal, te zien kreeg. In zijn vertelling werd de graal nog niet geassocieerd met Jezus. Dat gebeurde enkele jaren later, toen de Bourgondische dichter Robert de Boron zijn Roman de l'Estoire de Graal afrondde dat in 1261 nog als Historie van den Grale zou worden vertaald door de hofdichter van FlorisV, Jacob van Maerlant). Boron stelde dat zijn kennis over de graal afkomstig was uit een geheim oude boek. Hij omschreef de graal als een schaal die bij het laatste avondmaal werd gebruikt, om daarna in handen van Jozef van Arimatea te belanden, op wiens landgoed het avondmaal zich afspeelde. Jozef zou met de schaal het bloed van Jezus hebben opgevangen, dat na de dood van Jezus naar Engeland zou zijn overgebracht.
Bijna gelijktijdig met Borons boek verscheen een anoniem werk, Perlesvaus genaamd, waarvan de experts aannemen dat het uit de rijen der tempeliers afkomstig was. Daarin werd voor het eerst een connectie gelegd tusen de graal en de tempeliers, terwijl de graal hier eerder als een bewustzijnstoestand dan als een object werd gekenmerkt. Parsifal wordt in dit boek tijdens zijn omzwervingen op een burcht ontvangen, waar een bijeenkomst van Ingewijden plaatsvindt. Hij wordt door twee 'Meesters’ ontvangen, waarna 33 ridders verschijnen, van wie de beschrijvingen geheel stroken met het bekende beeld der tempeliers. 'Ze waren in witte gewaden gekleed. Allen droegen een rood kruis op de borst, en het leek dat ze allemaal even belangrijk waren.’
Het belangrijkste graalboek werd echter geschreven door Wolfram von Eschenbach, wiens Parzifal - tussen 1197 en 1210 onstaan - nog altijd als een monument van de middel-hoog-Duitse letterkunde geldt. De Beierse ridder vertelde dat hij al zijn informatie over de graal betrokken had van een geleerde genaamd Meester Kyot de Provence, die in Toledo een oud Arabisch handschrift over het wezen van de graal zou hebben ingezien. Volgens de overlevering stuitte Kyot in Toledo, toen een vermaard centrum voor de studie van zowel joodse als Arabische mystiek, op een tekst met een verwijzing naar het bestaan van de graal. Een wetenschapper genaamd Flegetanis, een joodse geleerde die van koning Salomon zou afstammen, zou in visioenen en astrologische vorsingen gecombineerd hebben en zo achter het bestaan van de graal zijn gekomen. Kyot ging vervolgens op zoek naar verdere sporen van de graal. Sommige Parzifal-exegeten menen dat hij in het Franse Anjou het definitieve, maar niet nader genoemde bewijs vond. Ook Anjou was een centrum der tempeliers. Graaf Fulk van Anjou zou het zelfs tot koning van Jeruzalem schoppen. Von Eschenbach liet in zijn boek veel ruimte voor magie uit de kabbalistische keuken en toespelingen op een geheim geslacht van heersers. Ook is zijn dichtwerk vergeven van de verwijzingen naar de tempeliers, die in hun burcht Munsalvaesche, volgens Von Eschenbach in de Pyreneeën gelegen, onder meer zouden beschikken over de steen der wijzen, die gelijk zou zijn aan de graal. Von Eschenbach omschreef vervolgens de graal als een soort heilige steen:
'Hoort wat de strijdende ridderschap voeding verschaft: Zij leven van een steen/ Die edel in zijn soort moet zijn./ Is hij nog onbekend,/ Zijn naam wordt u hier genoemd:/ Hij heet lapis exilis./ Door zijn kracht verbrandt de foenix,/ Zodat hij tot as wordt/ En dan verjongd uit de gloed ontzweeft/ De foenix schudt zijn veren/ En verkrijgt opnieuw een lichte glans,/ Zodat hij schoner wordt dan ooit./ Al heeft een mens nog zoveel pijn,/ Hij zal niet sterven op dezelfde dag/ Waarop hij de steen aanschouwen mag/ En ook de volgende week niet/ Ook zijn aanzicht zal niet worden ontsierd:/ De kleur blijft helder en zuiver/ Als hij dagelijks de steen aanschouwt,/ Zoals hij in zijn beste tijd/ Eens was, als jongeling of meisje/ Zag hij de steen tweehonderd jaar,/ vergrijzen zou hem niet zijn haar./ Zo'n kracht geeft aan de mens de steen,/ Dat zijn vlees en gebeente/ Op slag verjongen/ Deze steen wordt graal genoemd.’
De overleveringen rond de graal zoals die in de twaalfde eeuw ontstonden, moeten vooral in het teken worden gezien van het niet-katholieke christendom zoals dat vooral in de Languedoc in die tijd stevig had postgevat. Het gebied dat de paus altijd al een doorn in het oog was geweest, vanwege de afwijkende gebruiken aldaar op het gebied van religie, was uitgegroeid tot een zeer rijke regio, alwaar de religieuze tradities van het arianisme, het manicheïsme en de gnosis waren versmolten tot een alternatief christendom, dat wellicht veel dichter bij de bron van het originele geloof stond dan de met allerlei verdichtsels en hevige censuur bij elkaar gehouden leer van Rome. De aanhangers van deze stroming werden aangeduid als de Katharen - waaraan later het Nederlandse begrip 'ketter’ zou worden ontleend. Van de dogma’s van de r.k.Kerk trokken zij zich weinig aan. Hun godsbegrip stond los van de instituties en ging ervan uit dat ieder mens een god in zijn gedachten was, als iemand zich tenminste kon ontworstelen aan de greep van het materiële. Verzaking van al het aardse was het hoogste doel bij de Katharen, enigszins analoog aan de praktijken der Indiase brahmanen. Bij de Katharen vervulden ook vrouwen belangrijke functies als priesteressen, en in sommige van hun rituelen grepen zij terug op oud-Griekse Dionysische gebruiken, gericht op extase en roes.
De graalmystiek moet worden gezien als een literaire uiting van deze nieuwe geest. Gaandeweg ontstond er tussen de Katharen en de tempelridders een steeds steviger band. Uiteindelijk waren zij zielsverwanten in hun ideeën en hun praktijken, die wellicht nog het beste kunnen worden verklaard aan de hand van de contacten met de Arabische wereld. De vierde grootmeester van de Tempelorde was zelfs een Kathaar: Bertrand de Blanchefort, grootmeester van 1153 tot 1170. Hij zorgde voor een enorme machtsexpansie van de tempeliers, waarbij de Languedoc nadrukkelijk als een van de hoofdkwartieren van de orde fungeerde. Het gebied van de Katharen werd nog belangrijker voor de orde toen grootmeester Gerard van Ridefort in 1187 met een serie van verschrikkelijke blunders de tempeliers naar een catastrofale nederlaag in het Heilige Land leidde. Daarbij ging Jeruzalem voor de orde verloren. De tempeliers moesten uitwijken naar Cyprus, alwaar het nieuwe hoofdkwartier werd gevestigd. De nederlaag tegen de Saracenen bracht de orde een zware klap toe. Alleen in Akko hielden zij nog stand: dat was hun enige voet aan de grond in het Heilige Land.
IN DE WETENSCHAP dat een herovering van het gebied er niet in zat, begonnen de tempeliers aan andere regio’s te denken. De Duitse Tempelorde had aan de noordoostelijke grens van het Heilige Roomse Rijk een eigen staat losgepeuterd, waar zij naar eigen goeddunken kon heersen. De Franse tempeliers wilden ook iets dergelijks. Zij lieten hun blik vallen op de Languedoc.
Paus Innocentius III zag na de val van Jeruzalem zijn kans schoon om af te rekenen met allerlei dissidente elementen. Toen op 14 januari 1208 de pauselijke legaat Pierre de Castelnau werd vermoord in de Languedoc, riep Innocentius III de Noordfranse edelen op tot een kruistocht tegen het 'rotte zuiden’ waar de Katharen huishielden. Tegelijkertijd riep hij de tempeliers officieel tot de orde, omdat deze zich schuldig zouden maken aan kwalijke magische praktijken. Het was indirect bedoeld als een bevel om zich afzijdig te houden bij wat de eerste grote georganiseerde volkerenmoord van Europa zou worden. In 1209 vielen dertigduizend soldaten onder leiding van Simon van Montfoort moordend en plunderend de Languedoc binnen. Alleen al in de stad Béziers werden vijftiendduizend mannen, vrouwen en kinderen vermoord. 'Dood allen’, was het bevel van de pauselijke vertegenwoordiger ter plekke; 'God zal de zijnen herkennen’. In maart 1244 viel de laatste Katharen-vesting, Montségur, het kasteel dat later vaak aangewezen zou worden als de mysterieuze graalburcht.
Na de Katharen was het de beurt aan de tempeliers. Hun machtspositie kwam helemaal in gevaar toen in 1291 hun laatste Palestijnse vesting viel.
In samenwerking met stroman paus Clemens V bereidde de Franse koning Filips IV de Schone in het geheim een plan voor om de hele orde op te rollen. Tegelijkertijd aasde Filips natuurlijk op de bezittingen van de tempeliers. Op vrijdag 13 oktober 1307 werden alle tempeliers in Frankrijk gearresteerd en aangeklaagd wegens immorele seksuele praktijken en godslastering. De actie was goed voorbereid, maar enige tempeliers konden blijkbaar toch tijdelijk ontsnappen om de geheime schatten, waaronder vele documenten, van de orde in veiligheid te brengen. Dit blijkt uit documenten van een serie verhoren van tempeliers in 1308 te Poitiers - stukken die deels door Napoleon Bonaparte zou worden geconfisqueerd en pas in 1907 openbaar werden gemaakt.
IN DE PROCESSEN die daarop volgden werden de tempeliers van alles en nog wat beschuldigd: ze zouden afgoderij hebben bedreven, kinderen ritueel hebben geofferd, vrouwen geaborteerd, sodomie bedreven, kruisbeelden bespuugd en wat al niet meer. In 1312 kwam het tot een officieel verbod van de tempeliers in Frankrijk. Twee jaar later werd grootmeester De Molay samen met enkele andere kopstukken levend verbrand. Volgens de overlevering gebruikte de grootmeester zijn laatste momenten om de paus en Filips de Schone te vervloeken, alsmede hun opvolgers. Zowel de paus als de koning stierven nog datzelfde jaar onder raadselachtige omstandigheden.
Deze ontwikkelingen betekenden geenszins het einde van de tempeliers. In Groot-Brittanië kon de orde nog jaren ongestoord bestaan. Veel Franse tempeliers hadden daar een veilig heenkomen gezocht. In Duitsland ging de orde op in de Johannieters die later werden omgedoopt in de Maltezer Orde) of de reeds bestaande Duitse Orde met hun eigen staat in Oost-Pruisen. Ook in Spanje gingen de Tempeliers op in andere ordes, terwijl het in Portugal na een officieel onderzoek zelfs tot vrijspraak kwam. Aldaar veranderden de Tempeliers de naam in Christusorde, in welke hoedanigheid ze zich vooral met de zeevaart bezighielden, profiterend van de cartografische kennis die de orde door hun contacten met de Arabische wereld had opgedaan. Columbus trouwde met de dochter van een voormalig lid van de Christusorde en werd volgens de overlevering zo in staat gesteld zijn tocht naar Amerika te maken.
TELKENS WEER hebben de Katharen en de tempeliers, in combinatie met de graaloverlevering, de verbeelding van allerhande mystici en kunstenaars geprikkeld. Vooral het literaire meesterwerk van Wolfram von Eschenbach, dat in de romantische negentiende eeuw werd 'herontdekt’, is daar debet aan. De meeste van Eschenbachs moderne lezers gingen voorbij aan de boertige humor van de berooide Beierse ridder en namen zijn graallegende zo letterlijk mogelijk, inclusief de mededeling dat de graal, na door de ridder Parsifal te zijn ontdekt, een veilig heenkomen in Indië vond, waarmee volgens de topografische kennis in Eschenbachs tijd dan net zo goed Indië als Ethiopië bedoeld kon zijn. Von Eschenbachs heldenepos inspireerde Richard Wagner tot zijn laatste opera Parsifal.
Wagner las het boek voor het eerst in de zomer van 1845 tijdens een vakantie in Mariënbad. Pas 25 jaar later zette de componist zich aan het schrijven van zijn eigen opera Parsifal. 'Wo find ich dich, du heil'ger Gral/ dich sucht voll Sehnsucht meine Herze’, schreef de getourmenteerde toondichter eens vol smart. Veel begrip voor de symbolistische essentie van Von Eschenbachs werk kan Wagner niet worden toegedicht. In brieven beklaagde Wagner zich over de in zijn ogen primitieve en ruwe stijl van het Beierse graalepos. Vandaar dat de hofcomponist van Ludwig II in zijn libretto voor de Parsifal op vitale punten afweek van de brontekst. Als belangrijkste werktuigen van de graal lanceerde Wagner wederom de heilige schaal van Jozef van Arimetea, terwijl hij ook de lans waarmee de Romeinse soldaat Longinius het lichaam van de gekruisigde verlosser verwond zou hebben als een graalinstrument presenteerde. Voor alles moest de graal van Wagner worden gezien als het geïdealiseerde doel van het Germaanse mythische bewustzijn, zo scheef de componist al in een essay uit 1848. 'Die Nibelungen: Weltgeschichte aus der Sage.’
Wagners 'Arische’ versie van de graal heeft heel wat koninklijke Duitse koppen op hol doen slaan. Kaiser Wilhelm vaardigde de ene na de andere expeditie naar de graal uit. Die traditie werd door de nazi’s overgenomen. In opdracht van het wetenschappelijke bureau van de SS Ahnenerbe zocht Otto Rahn, auteur van het in 1934 verschenen Kreuzzug gegen den Gral, in de Franse Pyreneeën zeer verwoed naar de graal. In 1939 overleed Rahn onder verdachte omstandigheden, hetgeen in de jaren zestig en zeventig een bron van inspiratie zou blijken voor een nieuwe generatie magische realisten. De Engelse schrijver Trevor Ravenscroft, ex-vlieger van de RAF, veroverde medio jaren zeventig de harten van een miljoenenpubliek met zijn Wagneriaans getoonzette verhandelingen over de occulte krachten die Hitler, Himmler en de andere kopstukken van de NSDAP zouden putten uit de graallegendes, daartoe ingewijd met behulp van morfine, psychedelische paddestoelen en andere hippie-avant-la-lettre-methodes. Het hier onder de titel De lans van het lot verschenen werk behoort inmiddels tot een New Age-klassieker. Ravenscroft stelde dat hij de informatie over deze mystieke graalcultus der nazi’s had ontleend aan de woorden van de Weense geleerde Walter Johannes Stein, auteur van het standaardwerk Weltgeschichte im Lichts des Heiligen Grals, das neunte Jahrhundert. Stein, die Adolf Hitler nog persoonlijk had gekend tijdens diens jaren in de artistieke goot van Wenen, vertrok vlak voor de oorlog naar Engeland, waar hij Churchill zou hebben geadviseerd over het mythische universum van zijn Duitse tegenstanders.
Net als later bij de graalexercities van Lincoln, Baigent en Leigh het geval zou zijn, werd Ravenscrofts oeuvre door de historici naar het vuilnisvat der fabels verwezen. Een miljoenenpubliek trok zich daar niets van aan. De al even succesvolle tweede Indiana Jones-film van Steven Spielberg - met de graalzoekende Harrison Ford in een mondiale nek-aan-nekrace tegen nazispeurders verwikkeld - is zwaar schatplichtig aan de door Ravenscroft geschetste graalgeschiedenis.
DEZE VERWIKKELINGEN liggen ondertussen weer ver achter ons. Inmiddels is de graalvorserij weer een nieuwe weg ingeslagen. En daarbij speelt Nederland - zij het langs een omweg - een essentiële rol. Dit alles is te danken aan het werk van de Zwitserse geleerde Werner Greub, wiens in 1974 voor het eerst verschenen studie Wolfram von Eschenbach und die Wirklichkeit des Grals een ware revolutie veroorzaakte in het circuit der graalzoekers. De in 1906 geboren Greub is een leerling van de Oostenrijkse wijsgeer Rudolf Steiner 1861-1925), de geestelijke vader der antroposofie, door hem ook wel 'de wetenschap van de graal’ genoemd. Steiner was als een typisch kind van zijn tijd met huid en haar verslingerd aan het graalmysterie, en stelde dat de omgeving van het Zwitserse Arlesheim, in de iets ten zuiden van Bazel gelegen streek Ermitage, in de negende eeuw het historische decor was geweest van Terre de Salvaesche, het gebied waar Wolfram von Eschenbach zijn Parsifal de graalburcht laat vinden. Niet geheel toevallig lag in die buurt ook het Goetheanum, het antroposofische hoofdkwartier dat Steiner bij Dornach liet verrijzen.
Greub wijdde heel zijn leven aan de wetenschappelijke staving van Steiners woorden. Als officier van de Zwitserse artillerie kreeg hij vlak voor de oorlog de opdracht om de Ermitage geografisch te ontleden. Die verrichtingen duwden hem naar de rotsvaste overtuiging dat Von Eschenbach geen woord gelogen had in zijn Parzifal. Volgens Greub vallen de geografische omschrijvingen in het graalboek met verbluffende zekerheid samen met de afstanden in de Ermitage. In de ogen van de Zwitserse speurder is het relaas van Von Eschenbach de enige betrouwbare graaloverlevering.
Net als Steiner plaatst Greub het graalverhaal in de negende eeuw. Interessant daarbij is dat Greub niemand minder dan Willem van Oranje aanwijst als degene die Von Eschenbach heeft gesouffleerd bij het schrijven van het Parsifal-verhaal. En dan hebben we het natuurlijk niet over de zwijgende vader des vaderlands, maar over de stamvader van het Oranjehuis, de Zuidfranse graaf Guilhelm d'Orange, de negende-eeuwse paladijn van Karel de Grote.
Deze Oranje, tot twee keer toe heilig verklaard als de zalige schutspatroon der ridders, was een van de beroemdste heersers uit de middeleeuwen. Zijn leven werd in niet minder dan zes grote, in de tijd van de kruistochten ontstane chansons de geste uitbundig bezongen en als gevolg daarvan leefde zijn naam voort. Zelfs de grote Dante zou Willem een plaats in zijn Goddelijke Komedie toebedelen. Maar het grootste literaire monument voor deze Oranje is de Willehalm, wederom geschreven door Wolfram von Eschenbach. Het was hem niet vergund om zijn sage over de heldendaden van Willem van Oranje af te maken. Wel liggen er negen kloeke hoofdstukken, al even lezenswaardig als Parzival, maar helaas zijn zij nooit in het Nederlands vertaald. In zijn eerste werk voegde Greub daar uit eigen fantasie een tiende (slot)hoofdstuk aan toe.
DEZE EERSTE WILLEM van Oranje heerste over een autonoom rijk dat zich van Zuid-Frankrijk tot over de Pyreneeën in Noordoost-Spanje uitstrekte. Hij was graaf van Razès, Barcelona en Toulouse, hertog van Aquitanië, en sprak volgens de overlevering vloeiend Hebreeuws en Arabisch. Zijn schild was getooid met de Leeuw van Judah, de voorlopers van de Nederlandse leeuw die het huis van Oranje-Nassau zou introduceren. Willem van Orange, bijgenaamd Cornet - volgens sommige historici een verbastering van 'court nez’, daar een van de overleveringen wil dat Willems neuspuntje tijdens een slag ter verdediging van Rome met een zwaard was gecoupeerd - was leenman van Karel de Grote en een van de belangrijkste militairen van de keizer. Zo was het Willem die in 803 in Karels strijd tegen de Moren Barcelona innam. Zijn zuster was met Karels zoon Lodewijk de Vrome. Toen de laatste in 813-814 keizer werd, was het opmerkelijk genoeg niet de paus, maar Willem die hem de kroon op het hoofd zette. 'Heer Willem, het is uw afkomst die de mijne adelt’, zou Lodewijk bij die gelegenheid hebben gezegd.
De al eerder genoemde Lincoln, Baigent en Leigh baseren op die uitspraak de theorie dat Willem van Merovingische afkomst was. De Merovingen vormden het eerste vorstengeslacht waarmee het Vaticaan na de val van het Romeinse rijk in zee ging. De keizerlijke linie werd later door de paus uitgerangeerd en vervangen door de Frankische heersers in de linie van Karel de Grote.
Van Willems voorouders is weinig bekend. Alleen over zijn vader, een zo mogelijk nog mysterieuzere figuur dan Willem zelf, bestaan enkele overleveringen. Tijdgenoten noemden hem Ayméry, maar toen hij eenmaal in de rijen van de Frankische adel werd opgenomen werd het ook wel Theoderik.
In zijn omstreden werk A Jewish Princedom in Feudal France 1972) beweert de Amerikaanse historicus Arthur Zuckermann dat Ayméry-Theoderik koning was van een autonome joodse staat in Zuid-Frankrijk, gevestigd tussen tussen Marseille en de Pyreneeën, een streek die Septimanië werd genoemd. Dat ook zijn zoon Willem enige joodse beginselen was aangedaan, mag gevoegelijk worden aangenomen. Zo respecteerde deze volgens de overlevering zelfs tijdens oorlogen de sabbat. Een ander signaal is het verhaal dat Willem omstreeks 792 in Gellone een grote Academie voor religieuze studie oprichtte, alwaar vooral de kabbalistiek zou worden onderwezen. De kabbala is een mystieke leer, joods-arabisch van oorsprong, die in zijn gerichtheid op bewustzijnsverandering en overstijging van het ego sterk lijkt op sommige boeddhistische of hindoeïstische tradities. In het middeleeuwse Frankrijk en Spanje waren er diverse van deze scholen. Die van Gellone werd zeer vermaard, onder meer door een imponerende bibliotheek. Toen Willem zich in 806, zes jaar na zijn verovering van het gebied Orange, uit het openbare leven terugtrok, wijdde hij zich geheel aan studies in Gellone. In deze stad bloeide in dezelfde tijd een geweldige cultus op rond Maria Magdalena. De Academie werd later een klooster, het nog steeds wereldvermaarde Saint-Guilhelm-le-Désert, zo'n vijftig kilometer ten noorden van Montpellier.
Daar was het volgens Werner Greub dat Willem het verhaal van Parsifal opstelde, waarna het via de orale overlevering bij de troubadours terechtkwam.
Kyot, de bron die Von Eschenbach noemt in zijn Parzifal, zou een schuilnaam zijn van Guillaume d'Orange. Zo werd Parsifal, aldus Greub, van generatie op generatie doorgegeven, om na elf generaties bij Von Eschenbach terecht te komen. Hij was degene die het graalverhaal voor het eerst in zijn geheel en zonder censuur opschreef.
Toegegeven, het is een wat gezocht scenario, maar in zijn bijna vijfhonderd pagina’s tellende studie van uiterste Zwitserse precisie maakt Greub het zeer aannemelijk. Zijn antroposofische uitgevers waren minder onder de indruk. Na een keiharde afkeurende recensie in een antroposofisch verenigingsorgaan distantieerden de erfgenamen van Rudolf Steiner zich van het werk van Greub, dat over dezelfde kam werd geschoren als die van de sensatiezoeker Ravenscroft. Greub schreef nog twee andere studies over de connectie Willem van Oranje - Parzifal - Von Eschenbach en het wezen van de graal, maar het Goetheanum wees deze manuscripten zonder opgaaf van redenen van de hand.
Pas dit jaar werd Greubs eerste baanbrkende boek herdrukt. Dat gebeurde met financiële ondersteuning van een kapitaalkrachtige fan wiens identiteit verborgen bleef.
BIJ NEDERLANDSE graalvorsers heeft het pionierswerk van Greub heel wat losgemaakt. Dick Koelman, auteur van Graal en Foenix, geeft ruimhartig toe dat Greub zijn voornaamste inspiratiebron is geweest bij zijn eigen naspeuringen, die hem overigens vooral naar het middeleeuwse Ethiopië van de geheimzinnige priester Johannes voerden. Koelman: 'Ik heb Greub twee keer ontmoet en daarbij maakte hij de indruk van een verbolgen, gedesillusioneerd mens. Hij voelt zich in de steek gelaten door de antroposofen, zijn eigen mensen. Logisch, hij heeft een absoluut meesterwerk geschreven, maar krijgt daarvoor geen lof.’
In Nederland wordt Greubs boodschap vooral uitgedragen door het in Amsterdam gevestigde Willehalm Instituut onder leiding van de Canadees-Hollandse antroposoof Robert Jan Kelder. Kelder is een gewezen folkrock-singer-songwriter die in de jaren zestig de geneugten van Woodstock verruilde voor een studie van de leer van Steiner in het Zwitserse Goetheanum. Zijn enthousiasme voor Greubs werk bracht hem in conflict met de zijns insziens 'verstarde’ leiding van de antroposofische vereniging. Sindsdien draagt hij in Amsterdam de boodschap van Greub uit.
Zo bracht het Willehalm Instituut in 1991 Greubs tweede studie, Willehalm-Kyot, der Gewährsmann Wolframs von Eschenbach, in een provisorische uitgave op de markt. 'Je zou zeggen dat er in Nederland veel enthousiasme voor de graalvisie van Greub zou moeten zijn’, zegt Kelder. 'Uiteindelijk is het niet meer koning Arthur, maar de geestelijke voorvader van prinses Juliana en koningin Beatrix die bij Greub de centrale rol speelt. Helaas zijn Nederlanders weinig in historie geïnteresseerd.’
Om het werk van Greub grotere bekendheid te geven in de Lage Landen, stelde het Willehalm Instituut onlangs voor aan de uitgevers van het jaarlijkse antroposofische boekenweekgeschenk om dit jaar met de titel Mijn god, de heilige graal en het huis van Oranje op de proppen te komen. Helaas werd het voorstel verworpen. Het grote wachten blijft zo op een Nederlandse toelichting op de relatie tussen Oranje en de graal. Dames en heren van de Rijksvoorlichtingsdienst, grijpt uw kans! Misschien dat een beetje graalmystiek het Olympisch gehavende blazoen van Willem Alexander weer enigszins kan opvijzelen.