Onder ons

‘Hier en nu. Daar gaat het om’

In de tuin van kunstenares Marijn te Kolsté in ’t Goy staan drie vrouwen met veiligheidsbrillen op te hakken.

Medium beeldhouwen

Hun gehamer vermengt zich met getjilp uit het bos. Schilfers steen vliegen door de lucht. Te Kolsté loopt rond om iedereen van feedback te voorzien. Ze heeft lang bruin haar in een knotje en ze beweegt alsof ze 25 is, terwijl ze vandaag zestig is geworden.

‘Mooi’, zegt Marijn als ze langs een grote houten sculptuur loopt. Met haar hand volgt ze de vormen. ‘Daar zat geen leven in, maar doordat je hier nu hout weghakt, komt de vorm daar naar voren.’

Tonny staat er trots bij. Eens in de veertien dagen komt ze bij Marijn. Tijdens een burn-out zei iemand dat ze moest proberen haar creatieve snaar te raken. Het gaat meer om het proces dan om het resultaat. Altijd komen in haar sculpturen fragmenten van lichamen te voorschijn. Eerst was ze verbaasd, maar eigenlijk is het logisch. Als haptotherapeut raakt ze de hele dag lichamen aan. Die beelden komen uit een andere laag dan waar ze normaal uit put. Dieper. Ze wrijft over haar buik. Bij beeldhouwen word je geconfronteerd met je eigen halsstarrigheid, zegt ze. ‘Om dan zacht te worden.’

Bij Lyda lukt het vandaag niet helemaal. ‘O o o dit gaat helemaal niet goed’, zegt Marijn als ze langsloopt. Lyda is fanatiek aan het hakken, daardoor komen er scheurtjes in haar steen. Lyda werkt in de GGZ.

Voor Astrid is het de derde les. Ze heeft een grijs schelpje meegenomen. ‘Hier heeft een slakje in geleefd.’ De schelp staat voor ontwikkeling. Astrid gunt iedereen ontwikkeling. ‘Als eb en vloed.’ Ze wil de vorm uithouwen in steen en die dan op een houten sokkel zetten. Thuis heeft ze er een bak vol van. Schelpjes. ‘Ik kan helemaal vallen voor iets wat ik onderweg vind. Dan word ik blij en gelukkig.’ Haar ogen zijn meisjesachtig helder. Ze werkt als zorgbemiddelaar in een antroposofische zorginstelling.

Na afloop raken Lyda, Astrid en Tonny met elkaar in gesprek. Alle drie werken ze met mensen. Toeval, denken ze. Hun handen maken dezelfde gebaren tijdens het praten. En ze hebben alle drie kort haar. Niet roodgeverfd pittig of christelijk praktisch, eerder eigenzinnig modern. Astrid heeft een zilveren lok, Tonny stoere plukjes koper en Lyda een asymmetrisch kapsel waar ze telkens met een hand doorheen gaat waardoor de kortgeknipte kant nu als een borstel omhoog staat.

Lyda vindt Marijn zo’n leuke vrouw. Zo sprankelend. Ze denkt dat het komt doordat Marijn weinig blokkades heeft. Die zijn waarschijnlijk opgeheven door het beeldhouwen. Door het gevecht met het materiaal.

‘Jij bent in gevecht met je materiaal?’ reageert Tonny. ‘Nee’, zegt Lyda. Ze denkt even na. ‘Ik bedoel dat je door de confrontatie met je materiaal ook de onderstroom in jezelf tegenkomt. Nee, vechten tegen jezelf heeft geen zin. Het eerste wat je moet doen, is…’ Ze spreidt haar armen en ademt diep in en uit. ‘Hier en nu. Daar gaat het om.’