Een tehuis als een Oostblokflat

‘Hier ga ik dood. Help me’

Tijdens de kerstbrunch raakt de broer van Marja Pruis bijna slaags met een activiteitenbegeleidster. ‘Als ik hier niet weg mag, pleeg ik zelfmoord’, dreigt hun moeder.

ER IS GROENTESOEP, er zijn verschillende broodvariëteiten, diverse vleeswaren, er is kippenragout, er zijn kroketten, er is kerstvla toe. De spreekstalmeester, met klassiek haperende microfoon, is hoorbaar trots op wat ze vandaag de mensen kan voorzetten. Ze is zo'n twee meter lang, heeft een praktisch kort grijs kapsel en een hippe bril. Ze stelt zich voor, voor wie dat nog niet wist, als activiteitenbegeleidster Anja. Het is haar eerste kerstbrunch, maar ze zal ervoor strijden dat de komende jaren de kerstbrunch gehandhaafd zal blijven.
Voor wie gaat ze die strijd leveren? Het merendeel van de mensen hier bijeen, in het restaurant van verzorgingshuis De K. te E., zal de volgende kerstbrunch niet halen. En waarom gebruikt ze het woord ‘strijden’? Gaat er beknibbeld worden op de voorzieningen, kan mijn moeder hier straks niet meer naar de kapper, of naar koersballen, maar zal er wel tot aan het einde der tijden gebruncht worden twee weken voor Kerst?
De brunch is in ieder geval heel populair, want het is me niet gelukt om nog een plaatsje extra te reserveren. M'n jongste broer, nog niet zo lang terug uit Afghanistan en sinds kort woonachtig in Duitsland, wilde ook graag komen, net als mijn zus en ik. Tegelijkertijd is het bij hem altijd maar afwachten of hij echt komt opdagen, en hoe laat. Gelukkig is mijn zus altijd heel praktisch.
‘Ach’, zei ze eerder deze week, nadat ik een vergeefs telefoontje had gepleegd richting De K.. ‘Anders doe ik ondertussen boodschappen voor mama.’
Vlak nadat de welkomstkoffie is geserveerd komt hij binnenzetten, breedgeschouderd in een grijs sweatshirt en op schoenen alsof hij de Dolomieten moet bedwingen.
‘Ik ben al om vijf uur vanochtend vertrokken’, zegt hij.
M'n zus laat haar stoel aan hem.
‘Zal ik een kerstboompje voor je kopen, mam?’ vraagt ze.
‘Nee hoor’, zegt mijn moeder. ‘Zo'n gedoe, laat maar.’
De medebewoonster die bij ons aan tafel zit, in een rolstoel, kijkt star voor zich uit. Ik had haar een hand gegeven bij binnenkomst, maar ze reageerde amper. Ook zij heeft familie bij zich, een man en een vrouw.
O, tafel zeven mag naar het buffet en tafel zeven dat zijn wij.
‘Ga je mee, mam?’
De eerste keer dat ik merkte dat er iets bij mijn moeder begon te haperen, was toen ik een la in haar keuken openschoof en ongeveer 75 potjes appelmoes zag staan. Of nou ja, ik had er ook meteen een verklaring voor, en kon het niet uitstaan toen mijn oudste broer erover begon. Naar mijn smaak ook iets te lacherig. Wat viel er te lachen? Het kan toch, dat je gefixeerd bent op een bepaald soort boodschappen. Mijn keukenla staat vol met potjes pesto.
Eerder al, tijdens een vakantie op Sicilië, had ik mijn moeder horen vragen aan mijn schoonmoeder hoe het ook al weer zat met haar man, of die nog leefde. Terwijl die al 45 jaar dood is. Maar ook dat had ik snel weggewuifd. Mijn moeder was altijd al een beetje vaag, en ik vergeet zelf ook de meest essentiële dingen. Zorgen begon ik me pas te maken toen ik met haar had afgesproken de stad in te gaan, en ze me ’s ochtends huilend opbelde. Opeens was het een brug te ver, om in haar eentje op de trein te stappen. Mijn broer zei later dat ik al tijden bezig was m'n kop in ’t zand te steken.
Een van de goeie eigenschappen van mijn moeder is haar monterheid.
‘Overal zijn aardige mensen’, zegt ze.
Ik was er voorzichtig over begonnen dat het misschien beter voor haar is om niet langer alleen te wonen.
‘Als jij denkt dat het beter voor me is.’
Een bezoekje aan de huisarts, en later aan de geriater, bevestigen waar we al bang voor waren. Tegelijkertijd is mijn moeder er een meester in om de situatie de baas te blijven.
‘Moet je altijd alles willen weten?’ vraagt ze aan de huisarts. ‘Word je daar gelukkiger van?’
Tijdens een familie-etentje in een druk Italiaans restaurant ontstaat een verhitte discussie over ideale minnaars, naar aanleiding van een televisieprogramma.
‘De ideale minnaar’, zegt mijn moeder opeens, ‘is de man die zijn hele leven van je houdt.’
Later denk ik dat ze precies weet hoe ze de voor mij geruststellende dingen moet zeggen.
‘Geen zorgen om je moeder hoor.’
‘Maar vind je het niet erg dan om uit je huis te gaan?’
‘Ach, dat is geweest. Ik heb een goed leven gehad, Mar.’

VOORDAT we weten waar ze een goed onderkomen kan vinden, krijgt ze thuiszorg. Als ik bij haar kom, ligt er een map op tafel waarin wordt bijgehouden wat mevrouw eet en of mevrouw al dan niet in een goede stemming is. Het is allemaal goed bedoeld, maar opeens is m'n moeder een geval.
‘Daarin kan je precies lezen hoe het met me is’, zegt ze spottend.
Ik voel me een collaborateur als ik ook verslagjes in die map begin te schrijven. Eigenlijk vooral om tegenwicht te bieden aan alle sombere berichten.
‘Mevrouw had niet veel zin om op te staan vandaag’, schrijft Naomi, of Chantal. ‘Mevrouw deed alsof ze al gedoucht had.’
‘Lekker samen koffie wezen drinken in de Hema’, schrijf ik.
Bij de keukendeur staat een groot whiteboard, waarop de thuiszorgsters bijhouden wie wanneer komt. Mijn moeder draait het whiteboard steevast om.
‘Ze denken dat ik achterlijk ben.’
Kwaad wordt ze als ze ’s ochtends te vroeg aanbellen. Nóg kwaaier wordt ze als ze, na overleg met ons, besluiten de elektriciteit van haar kookplaat af te halen. Het was al een paar keer gebeurd dat ze van plan was om aardappeltjes te gaan bakken, boter in de pan had gedaan en dat vervolgens vergat omdat de telefoon ging. Ik heb mijn moeder nog nooit kwaad meegemaakt, besef ik als ze keer na keer opbelt, tierend.
‘Dan kan ik meteen wel dood’, roept ze.
En: ‘Denken jullie soms dat ik gek ben?’
Ik begin te aarzelen. Heb de brandwonden op haar handen gezien. Maar boodschappen doen voor het eten, en koken: het zijn nog zo'n beetje de enige bezigheden die haar dag structuur geven. De maaltijden die ze krijgt bezorgd van Tafeltje Dekje gooit ze (‘mieteren’ is het werkwoord dat ze zelf gebruikt) onmiddellijk in de vuilnisbak.
‘Moeten we niet toch…’ vraag ik aan mijn oudste broer, die het dichtst bij haar woont.
‘Wil jij het op je geweten hebben als straks dat hele appartementencomplex af fikt?’
Mijn zus, ook nog maar amper bekomen van de schok een kwaaie moeder te hebben, heeft net gehoord van een buurvrouwtje dat dementie ook tot persoonlijkheidsverandering kan leiden.
‘Dit is niet mama die tegen ons spreekt. Dit is die ziekte.’

VROEGER ZEI mijn moeder altijd tegen me dat ik niet zo moest twijfelen.
‘Dan word je zo'n twijfelaartje.’
Nu weet ze het twijfelaartje in haar gezin feilloos te vinden.
‘Je moet me helpen, Mar. Ik zeg je één ding: help me alsjeblieft. Help me.’
Ik bel de thuiszorg op die, ondanks de goedbedoelende Naomi’s en Chantals, in mijn hoofd steeds meer uitgroeit tot de Chinese Volkspartij.
‘Ik wil dat mijn moeder weer zelf kan koken’, zeg ik ferm.
‘Wij kunnen daar niet onze verantwoordelijkheid op nemen’, klinkt het zalvend aan de andere kant van de lijn.
‘Maar…’
‘Als uw moeder zich verwondt, of haar omgeving schade berokkent…’
Voordat ik ertoe kan overgaan nu eindelijk míjn ware gezicht te laten zien, belt mijn moeder op.
‘Ik heb zelf de kookplaat weer aangesloten hoor.’

VOLGENS DE GERIATER is mijn moeder gebaat bij meer activiteiten met andere mensen. Hoe meer, hoe beter. Zeker drie keer in de week zal ze naar een dagopvang moeten.
‘Als ik maar nooit door zo'n busje opgehaald word.’
Het is een van de uitspraken van mijn moeder die er bij mij is ingeramd. Net zoals ze me ooit heeft gevraagd om op tijd een kussen op haar gezicht te drukken. Niet vastgelegd natuurlijk. Waarmee we voorgoed de vraag hebben omzeild wat ‘op tijd’ zou betekenen. Als ze dan toch door zo'n busje dreigde opgehaald te worden? Of als ze appelmoes aan het hamsteren was? Of als ze steeds vaker zichzelf buitensloot, omdat ze haar sleutels kwijt was?
‘Dan kan ze spelletjes doen, of wat handwerken’, zegt de geriater. Een zachte vrouw met meisjesachtige haren en een Limburgs accent. ‘Houdt je moeder van handwerken?’
‘Mijn moeder heeft een hekel aan spelletjes, ze haat handwerken, en liedjes zingen wil ze al helemaal niet.’
Toch begeven mijn zus en ik ons een paar dagen later met m'n moeder op de achterbank richting een tehuis waar m'n moeder dagopvang zou kunnen krijgen. We raken de weg kwijt en stoppen als we eindelijk iemand op straat zien.
‘Weet u misschien waar…’
Mijn moeder schatert vanaf de achterbank. ‘M'n kinderen willen me namelijk wegbrengen. Opsluiten!’

OP DE KERSTBRUNCH is mijn broer ondertussen slaags geraakt met activiteitenbegeleidster Anja. Hij heeft al twee borden volgeladen met de broodvariëteiten, de vleeswaren en de kippenragout, en denkt nu een kroket te kunnen transporteren in een schaaltje. Maar dat schaaltje is bedoeld voor de visvariëteiten.
‘Dus u gaat mij nu vertellen’, zegt mijn broer die de Afghaanse Baluchi-vallei nog in zijn schouders meedraagt, maar dat moet je ook maar net weten, ‘dat ik vandaag vijfhonderd kilometer heb gereden om nu te horen te krijgen dat ik mijn kroket niet in dit schaaltje mag doen?’
‘Inderdaad meneer. U zult gewoon achteraan moeten aansluiten om een bord te pakken.’
‘Dat soort mensen’, briest mijn broer, zijn enorme benen en dito voeten weer geschoven onder tafel zeven. ‘Zo eng. Ik heb vannacht de website bekeken van dit huis. Nou…’
Hij kijkt alsof hij een bejaardenpornonetwerk op het spoor is. Met activiteitenbegeleidster Anja in de hoofdrol.
Mijn moeder heeft alleen maar zoete dingen op haar bordje.
‘Er is ook paling mam’, zeg ik.
‘O ja?’ zegt ze. ‘Ik heb hier wel genoeg aan hoor.’
De starre medebewoonster aan tafel krijgt de groentesoep gevoerd door haar zoon of schoonzoon. Ik ben er nog niet helemaal uit of het een dochter is met haar man, of een zoon met zijn vrouw. Vanuit een bepaalde hoek gezien lijken alle mensen op elkaar. Vanuit mijn hoek gezien, op dit moment, beurtelings starend naar mijn bord met daarop een pasteitje, een kadetje en een hoopje paling, naar mijn opgewonden schrokkende broer, naar mijn stille moeder, naar de andere bewoners van dit tehuis, hier tezamen met hun kinderen of andere familieleden, ze eten wat ze wordt voorgezet, ze kauwen en ze houden de moed erin, alleen maar lieve mensen overgeleverd aan de wreedheid des levens, vanuit mijn hoek gezien dus heb ik moeite om niet te gaan huilen.
‘Woont je moeder of je schoonmoeder hier al lang?’ vraag ik aan mijn buurvrouw, terwijl ik wat paling aan mijn vork prik.
‘Ons moeder’ woont hier lang genoeg om al eerder een kerstbrunch te hebben meegemaakt.
‘Zijn jullie tevreden?’ vraag ik.
De vrouw blikt me trouwhartig aan. Ze heeft subtiel aangebrachte eyelinerstreepjes vlak boven haar wimpers.
‘Ze doen hier heel veel’, zegt ze. ‘Ze hebben een aspergefeest, en ze hebben…’
Ze noemt nog iets eterigs, ik ben vergeten wat precies. Waar ik nu ook niet al te gemakkelijk lullig over moet doen, is dit: ze zijn heel tevreden over de zorg. Op iedere verdieping is een huiskamer, waar gezamenlijk televisie wordt gekeken, waar gezamenlijk wordt gegeten. De zorg voor haar moeder moet ongeveer om de drie maanden worden geïntensiveerd, zo progressief is de ziekte waarmee ze te kampen heeft.
‘Wat is het dan?’ vraag ik zacht, met een half oog op de starre blik van die vrouw.
Even zachtjes krijg ik het antwoord. De ziekte behelst een zeldzaam snelle aantasting van het totale zenuwgestel. Tot voor een paar jaar geleden reed deze vrouw nog overal naartoe in haar autootje, ze werkte tot haar 65e. En nu moet alle voedsel in kleine porties aan haar worden gevoerd, anders zou ze zich kunnen verslikken. Ik zie de zorgzaamheid waarmee het kerststolletje voor haar wordt kleingesneden, het vertrouwen waarmee ze haar mond openspert.

DE EERSTE KEER dat we dit tehuis bezochten, zus, schoonzus, m'n moeder en ik, was het ook een koude decemberdag. We hadden al meer tehuizen gezien, groot- en kleinschalig. Iedereen dweept in theorie met kleinschalig, tot je ziet waar het in de praktijk toe leidt. Een huiskamer waar je tot dan toe in je eentje, of hoogstens met z'n tweeën in vertoefde, opeens bevolkt met minstens zes knikkebollende vreemden. Zo gezellig, maar niet heus. Ik begon opeens voeling te krijgen met Oostblokflats. Hoe meer anonimiteit, hoe beter. Maar dit was wel weer het andere uiterste. Een flat waarvan de betonrot je zo ongeveer tegemoet sprong, handgeschreven briefjes op de buitendeur of je alsjeblieft ‘in verband met de wind’ de zij-ingang wilde gebruiken, en binnen regeerden bruin en oranje. Er stond een soort huifkar in de hal met appels.
‘Pak er maar eentje hoor’, zei een vrouw vriendelijk, toen ik er kennelijk te lang naar keek.
Op de eerste verdieping stond iemand ons te woord, een vrouw met wilde krullen in een Cora Kemperman-gewaad gehuld, zich telkens verschuilend achter het feit dat zij het ook allemaal niet wist, want ze werkte er nog maar net. Ik hield mijn jas aan.
‘Kunt u ons de kamers laten zien?’ vroeg ik.
Ik kon het mens wel aanvliegen. Hoe durf je aspirant-bewoners te woord te staan, en zo helemaal niks te weten? Mijn moeder schudde haar blijmoedig de hand. Paarlen! Zwijnen!

DIE KAMER die ze ons liet zien tartte alles. Mijn dochter was net verhuisd naar een soort kippenhok, maar dan nog een vrolijk kippenhok, met de wetenschap van het Vondelpark om de hoek. Hier hield het op. Rechttoe-rechtaan kamer, de geëigende stopcontacten her en der, een keukentje waar je net een waterkoker kon plaatsen. Smal balkonnetje met ijzeren hekwerk, uitkijkend op de immer groene loofbossen die al die Scandinaviërs ook al nooit van zelfmoord hebben weten te weerhouden.
‘Hiernaast is een tweekamerappartement’, doorbrak Cora Kemperman de plotselinge stilte, ‘maar dat is eigenlijk voor twee.’
Het appartement hiernaast leek opeens een vat vol mogelijkheden.
‘We gaan er even over denken’, zei ik.
Wat mij parten speelde, was die verschrikkelijke groentesoeplucht die op je neerdaalde zo gauw je dit tehuis betrad.
‘Je moet erdoorheen kijken’, zei mijn zus. ‘Dan heeft het ook wel weer iets genoeglijks.’

AAN TAFEL ZEVEN is de stemming inmiddels top. Mijn broer bespreekt met de andere man aan tafel de Spaanse infrastructuur die een stuk beter toegerust blijkt te zijn dan de Nederlandse.
Ook heeft hij verteld over zijn nieuwe Duitse domicilie, en de wijnen van het gebied waar hij woont.
‘Hoe spel je dat?’ vraagt die man, en hij heeft zijn BlackBerry in de aanslag.
Ik kijk naar de starkijkende vrouw.
‘Ga je er niet kapot aan?’ vraag ik aan mijn buurvrouw.
‘Het is heel moeilijk’, zegt ze.
‘Ben je enigst kind?’ vraag ik.
‘Nee’, zegt ze. Ze knikt naar de overkant. ‘Dat is mijn broer.’

TOEN M'N MOEDER nog maar net verhuisd was naar hier, leek het wel alsof het altijd regende. In de gietende regen zochten we onze weg naar het centrum, waar we wat hoopten te eten. Ze hing zwaar aan mijn arm, de regen kletterde op mijn paraplu, en het enige wat mijn moeder steeds tegen me zei, was: ‘Hier ga ik dood, Mar. Je moet me helpen.’
‘Ja’, zei ik.
‘Je moet me helpen. Anders pleeg ik zelfmoord.’
‘Ja’, zei ik.
En ik zei: ‘Als je echt terug wil naar je huis, dan ga je terug naar je huis.’
Toen ze voor de dertigste keer had aangekondigd dat ze anders zelfmoord ging plegen, raakte ik geprikkeld. ‘Hoe ga je dat doen mam? Spring je dan van je balkon?’
Ze keek me aan met dezelfde blik als waarmee ze me had aangekeken toen ze voor de dertigste keer vroeg of ze haar sleutels wel bij zich had.
‘Nog één keer mam’, zei ik, ‘en ik ga je slaan.’
‘Jij zou een goeie voor de zorg hier zijn’, zei ze.

BOVEN HEEFT M'N ZUS de boodschappen al in de ijskast gedaan.
‘Ik heb toch een kerstboompje voor je gekocht hoor mam.’
Ze loopt in haar hemdje te redderen.
‘Is het hier nou zo warm, of heb ik een opvlieger?’
Tevreden kijkt m'n moeder om zich heen.
‘Nou’, zegt ze. ‘Hoe vinden jullie dat ik hier zit?’
Om het hardst zeggen we hoe gezellig haar huis is. En dat is het ook: het is een miniversie van haar oude huis, met haar schilderijen, foto’s, de bank, m'n vaders bureau.
‘Het is hier best te doen hoor’, zegt ze.
‘Ja?’ vraag ik, en voel ondertussen op haar verzoek het voorhoofd van m'n zus.
‘Ach’, zegt m'n moeder. ‘Ik zeg altijd maar: overal heb je aardige mensen.’