‘Hier helpt geen keynesianisme tegen’

Het neoliberalisme wordt al maanden ten grave gedragen, maar de tegenstanders van het eerste uur spelen geen rol in de discussie. Ook de Duitse andersglobalisten komen er niet uit.

BERLIJN – Tien jaar en een historische crisis waren ervoor nodig, maar nu heeft Oskar Lafontaine zijn revanche. Triomf en woede vechten op deze dinsdagavond in een Berlijns debatcafé bij de linkse politicus om voorrang: ‘Jarenlang ben ik versleten voor een idioot met achterhaalde ideeën. En nu melden de media dat we allemaal keynesianen zijn geworden!’
Inderdaad: eind jaren negentig maakten zijn keynesiaanse ideeën Lafontaine tot paria in Europa. Hij was amper tot minister van Financiën voor de SPD benoemd, of hij stapte al weer op. Nu praten alle wereldleiders over staatsinvesteringen, proberen ze de binnenlandse vraag te stimuleren en laat de Amerikaanse Fed bankbiljetten bijdrukken.
Veel reden tot blijdschap heeft Lafontaine desondanks niet. Zijn nieuwe partij Die Linke weet niet te profiteren van de crisis. De grote winnaar in de Duitse peilingen is uitgerekend de FDP, de partij van de vrije markt. Nederland laat een soortgelijk beeld zien. Het progressief-liberale D66 en de rechtspopulisten van Geert Wilders lijken de voorlopige winnaars in de crisis. En met zuiver keynesianisme heeft de crisispolitiek van de Verenigde Staten en de Europese landen, waarover zij begin april op de G20-top in Londen verder zullen praten, weinig van doen.
Heiner Flassbeck spreekt dan ook liever van ‘primitief keynesianisme’. Hij was als staatssecretaris van Financiën eind jaren negentig de rechterhand van Lafontaine. Tegenwoordig is hij chef-econoom bij de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties, Unctad, en lid van de wetenschappelijke raad van het andersglobalistische netwerk Attac. Heiner Flassbeck: ‘Ik zie het zwart in. Onder de politieke leiders heerst een stemming van overwinteren. Daarna kan het hele casino weer doorgaan als vanouds. Van een bedrijf als Opel verlangen politici in ruil voor staatssteun een fundamentele koerswijziging. Maar waar blijft de fundamentele koerswijziging bij de banken? Ik geloof dat het alternatief voor de crisis keynesiaans is. Maar niet enkel zoals we nu zien: hogere staatsuitgaven en lagere rentes.’
Zijn visie ontvouwt hij in zijn onlangs verschenen boek Gescheitert: Warum die Politik vor der Wirtschaft kapituliert. ‘Het gaat erom te denken vanuit de economie als geheel’, vertelt Flassbeck in een telefonisch interview. ‘Neem de loonpolitiek. Het is niet zo dat als de lonen dalen de werkloosheid vanzelf afneemt. Dat heeft Duitsland tien jaar lang geprobeerd, en die loonmatiging heeft uiteindelijk niets uitgericht. Lagere lonen zorgen voor minder vraag naar producten, en juist dát leidt tot werkloosheid. Of denk aan de veelgeprezen economische concurrentie tussen regio’s. Zowel in Duitsland als in Europa proberen lokale overheden met gunstige voorwaarden bedrijven te trekken. Maar wie denkt vanuit de economie als geheel, weet dat groei die op zo’n manier ontstaat ten koste gaat van andere regio’s. Nogmaals: zonder keynesianisme komen we deze crisis niet te boven.’
Is dat ook voor een klein, open land als Nederland realistisch? ‘Het is zeker lastiger, maar dat is geen excuus. Je kunt ook samen een keynesiaans beleid voeren, bijvoorbeeld in Europees verband. Maar heeft jullie regering het daarover? Ik heb nog altijd die minister van Financiën van jullie in mijn hoofd. Hoe heette die ook alweer? Ja, Zalm! Mann mann mann, dat was mijn grootste vijand in Brussel.’

ZOALS FLASSBECK zijn er meer in Duitsland. In tegenstelling tot Nederland is bij de oosterburen het afgelopen decennium wél een sterke beweging tegen de neoliberale globalisering ontstaan. Centraal daarin staat het internationale Attac-netwerk. De Duitse tak telt rond de twintigduizend leden. Zij zijn onder meer actief in 250 lokale groepen. Een topzware ‘wetenschappelijke raad’ verenigt rond de honderd professoren, wetenschappers en andere economische experts. Velen van hen waren begin deze maand aanwezig op het grote ‘kapitalismecongres’ van Attac op de Technische Universiteit in Berlijn, dat met ruim tweeduizend bezoekers een van de grotere in zijn soort was in de Duitse geschiedenis. Dit weekend staan massaprotesten gepland in Frankfurt en Berlijn onder het motto ‘wij betalen niet voor jullie crisis’.
Misschien gaat voor Nederland de verklaring van de Berliner TagesZeitung voor de linkse onmacht nog op. ‘Uitgerekend in het afgelopen decennia, toen economen de ongeremde markteconomie propageerden, verwaarloosden linkse mensen het economische discours’, aldus een commentaar in het alternatieve dagblad. Voor Duitsland geldt dat niet – zie Attac. Dat maakt de vraag des te interessanter: hoe kan het dat uitgerekend nu het neoliberalisme failliet lijkt, de tegenstanders van het eerste uur nauwelijks een rol spelen in het debat?
Volgens Lafontaine komt dat doordat voorheen neoliberale politici de oplossingen van links overnemen. Banken worden genationaliseerd, belastingparadijzen gesloten. Dat is velen te optimistisch. Activist en politiek econoom Philipp Hersel legde in een interview een verband tussen de dominante rol van ontwikkelingsorganisaties binnen de globaliseringsbeweging, Attac in het bijzonder, en de moeite die zij heeft te ‘profiteren’ van de kredietcrisis. De aandacht ging tot nu toe vooral uit naar de armoedekloof tussen Noord en Zuid. En naar de risico’s van valutaspeculatie, zoals die rond de Azië-crisis zichtbaar werden. Een crisis midden in de westerse wereld werd niet voorzien.
In plaats van triomfantelijk te zijn zoals Lafontaine toont Hersel zich pessimistisch over de toekomst. ‘Het gevaar bestaat dat we straks een postneoliberalisme hebben dat nog erger is dan het neoliberalisme.’ Die angst deelt Ulrich Brand, als hoogleraar internationale politiek verbonden aan de Universiteit Wenen en ook actief voor Attac. Jazeker, de politiek lijkt te breken met het neoliberalisme. Maar de ‘postneoliberalismen’ die zich op dit moment uitkristalliseren, hoeven zeker niet progressief te zijn. Daarvoor is links de afgelopen decennia te zeer verzwakt. Autoritaire vormen en gedachten vieren daarentegen hoogtij.
Ulrich Brand: ‘Kijk naar de vakbonden. Die hebben geen antwoord op de crisis, ze komen enkel met conservatief-keynesiaanse maatregelen.’ De reden daarvoor? ‘Links maakt de fout dat ze enkel onderscheid maakt tussen staat of markt. Mensen kiezen vervolgens voor de eerste, zonder te beseffen dat de staat niet neutraal is. Zij was de drijvende kracht achter de neoliberale globalisering. Nu zorgt zij ervoor dat de verliezen van het bedrijfsleven gesocialiseerd worden. In plaats van blind te kiezen voor de staat en een aanpak van de crisis van bovenaf, zouden we onze eigen “imperiale levenswijze” moeten bekritiseren. Onze hyperconsumptie. De vraag stellen wat een goed leven nu werkelijk inhoudt. In de jaren tachtig was daar nog wel debat over, ook binnen de vakbonden.’ Een voorbeeld daarvan was de eis voor arbeidstijdverkorting met behoud van loon.
Behalve het conservatieve, protectionistische keynesianisme van de vakbonden en de sociaal-democratie onderscheidt Brand nóg een aantal reacties op de crisis. Hij somt ze op: ‘Er is de aanpak van business as usual, waarbij politici proberen met wat kleine correcties het bestaande beleid voort te zetten; er is het conservatief-populistische antwoord van Sarkozy en Berlusconi; en er zijn diverse aanzetten tot een New Deal. Die kunnen conservatief zijn, zoals in Duitsland waar de auto-industrie waarschijnlijk geld krijgt. Maar zo’n New Deal kan ook groen uitvallen.’
Misschien wel de prominentste voorstander in Duitsland van die laatste variant, waartoe ook secretaris-generaal Ban Ki-moon van de Verenigde Naties en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz zich hebben bekeerd, heet Sven Giegold. Hij staat bekend als het wonderkind van de jongere politieke generatie. Hoewel hij nog geen veertig is, was Giegold medeoprichter en jarenlang de spil van Attac. Hij werkt moeiteloos het ene na het andere mediaoptreden af. En hij is populair vanwege zijn trouw aan zijn principes. Alle bekendheid ten spijt blijft hij wonen in een ecologische commune in een dorpje in Niedersachsen. Daar leeft hij volgens een lovend profiel in Die Zeit nog steeds van een zeer bescheiden duizend euro per maand.
Die Linke wilde hem graag inlijven, maar Giegold koos recentelijk voor De Groenen, voor wie hij hoog op de lijst voor het Europarlement staat. Zijn stokpaardje in de verkiezingsstrijd zal de mede door hem ontworpen Green New Deal zijn. Sven Giegold: ‘Het idee achter de groene New Deal is dat je de grote crises van het moment – de economische crisis, de klimaatcrisis, de energiecrisis – niet los moet zien. Ze zijn niet afzonderlijk van elkaar ontstaan en kunnen ook niet afzonderlijk worden opgelost.’
Giegold onderscheidt vier cruciale stappen bij het bestrijden van de huidige crisis. ‘Als eerste moet de brand natuurlijk geblust worden. We moeten de banken stabiliseren, maar niet zonder dat daar zeggenschap tegenover staat, dus aandelen. Die fout is in Duitsland wel gemaakt. Ten tweede moet uit deze crisis een nieuwe dynamiek ontstaan. Dat kan door met gerichte, groene investeringen een nieuwe industriële revolutie te bewerkstelligen. Dat levert volgens ons ook banen op: één miljoen in Duitsland, vijf miljoen in heel Europa. Ten derde is er meer gelijkheid nodig tussen Noord en Zuid wil de aanpak van het klimaatprobleem überhaupt kans van slagen hebben. En ten slotte moet om nieuwe crises te voorkomen de economie sterker gereguleerd worden. Banken moeten veel meer eigen kapitaal aanhouden, belastingparadijzen dienen gesloten te worden.’
Hoe vernieuwend is dat alles in een tijd waarin vrijwel alle politici lippendienst bewijzen aan duurzame investeringen? Giegold: ‘Ik ken maar één investeringsplan dat echt groen is. In het Zuid-Koreaanse conjunctuurpakket gaat tachtig procent van de middelen naar groene investeringen. Dat loopt uiteen van schone energie tot de isolatie van gebouwen.’

AAN CONCRETE voorstellen ontbreekt het niet in de globaliseringsbeweging. Er is het wat traditionelere, sociaal-democratische keynesianisme van Flassbeck, de groene versie van Giegold en de antikapitalistische analyse van Brand. Bij al die antwoorden blijft de ene vraag overeind naar hoe het kan dat al die ideeën zo’n beperkte invloed hebben.
Giegold wijt het aan de conservatieve meerderheid in Europa: ‘De grote uitzondering wereldwijd zijn de Verenigde Staten. Vergeleken met zijn voorganger is Obama een grote vooruitgang, maar hij staat ideologisch natuurlijk niet zo ver af van onze Merkel.’
Dat verklaart niet waarom veel rechtse politici naarmate de crisis vordert populairder worden. Misschien heeft juist de diversiteit van het linkse antwoord, de pluriformiteit aan meningen die het Duitse Attac als geen ander belichaamt, hier iets mee te maken. De globaliseringsbeweging is groot geworden dankzij de bereidheid brede bondgenootschappen aan te gaan, van progressieve christenen tot en met anarchistische revolutionairen. Om die samenwerking mogelijk te maken, is zij in gezamenlijke verklaringen relatief vaag gebleven in haar economische analyse. Ging het om kapitalisme of neoliberalisme, of vooral om het ‘financiële marktkapitalisme’, zoals Attac het onlangs noemde in een stellingname tegen ‘het casinokapitalisme’? Zat het probleem van de neoliberale globalisering nou in dat neoliberale of in het woordje globalisering?
Die onduidelijkheid breekt nu op. Een rechtse populist als Sarkozy kon het afgelopen jaar moeiteloos antiglobalistische kritiek leveren op het neoliberalisme. Het sterke-staat-kapitalisme dat hij zelf voorstaat bleef buiten schot. Maar er is meer. De dominante interpretatie van de kredietcrisis is die van een morele crisis. Er is kritiek op de bonuscultuur, de graaimentaliteit, het onverantwoorde gedrag van de bankiers die maar geen sorry zeggen. Zo is de kredietcrisis onderdeel geworden van het normen-en-waardendebat. Dat maakt de kredietcrisis niet alleen onschadelijk, maar zelfs electoraal aantrekkelijk voor christen-democraten, conservatieven en populisten.
Ligt de oplossing voor de andersglobalisten dan bij radicalere systeemkritiek, in plaats van met het vingertje zwaaien zoals alle anderen doen? Volgens Ulrich Brand wel: ‘Ik denk dat de fundamentele oorzaak van deze crisis de overproductie in het kapitalisme is. Daar helpt geen keynesianisme tegen.’ Door de almaar hevigere wereldwijde concurrentie (denk aan de opkomst van China en India) lonen nieuwe investeringen in bijvoorbeeld de industrie steeds minder. In plaats daarvan trachten investeerders hun vermogen te gelde te maken op de beurs, in de derivatenhandel of met speculeren in grondstoffen. Met als gevolg steeds nieuwe zeepbellen: eerst de dotcom-crisis, nu de slechte hypotheken en de derivaten. En straks?
Die analyse snijdt in economisch opzicht hout. Maar Giegold ziet toch één grote zwakte: ‘Het politieke debat moet nu om twee kwesties draaien. Wie betaalt voor de crisis? En hoe kan de economie een nieuwe dynamiek krijgen?’
Het eerste punt is geen probleem. Parallel aan het motto ‘de vervuiler betaalt’ pleit Attac eendrachtig voor een vermogensheffing voor de rijksten. Maar op de tweede vraag ontbreekt het de radicalere critici aan een aantrekkelijk antwoord. De boodschap dat het kapitalisme in elkaar stort en er eigenlijk geen makkelijke uitweg is uit deze crisis is nu net wat het grote publiek níet wil horen. En dat is eigenlijk wel begrijpelijk, meent Giegold: ‘We krijgen straks massawerkloosheid. Je kunt het mensen niet kwalijk nemen dat ze op zo’n moment behoefte hebben aan zekerheid.’