Kroatische kuuroorden: een gelaagde geschiedenis

‘Hier is niets!’

In alle postcommunistische landen wordt het landschap gemarkeerd door verwoeste of verwaarloosde constructies. De monumentale ‘betonnen slapers’ kunnen rekenen op veel belangstelling van liefhebbers van het socialistisch modernisme. In Kroatische kuuroorden bespeur je nog iets van de oude communistische utopie.

Kuuroord in Ivanic Grad, 2006 © Marcel Malherbe / HH

God lijkt de provincie te hebben geschapen om daar de kuuroorden een plek te geven. Of heeft hij eerst de kuuroorden geschapen en ze toen over de provincie verspreid? Ik weet maar één stad die in wezen een gecamoufleerd kuuroord is, dan wel een kuuroord gecamoufleerd als stad. En dat is Boedapest.

Kuuroorden spelen in onze cultuurgeschiedenis een belangrijke rol. Veel veroveraars brachten de volken die zij onderwierpen in contact met nieuwe, nuttige vindingen. Overal waar de Romeinen kwamen, lieten ze thermen achter en heiligdommen voor de godin Minerva, zodat haar naam, ook al was de geneeskunst voor haar slechts een nevenactiviteit, tegenwoordig de gevel van menig kuurhotel siert. De Turken en Arabieren introduceerden in de gebieden die zij veroverden de hamam, een goedkope en voor iedereen toegankelijke badinrichting.

In Noord-Europa hebben ze stoombaden, zoals de sauna en de Russische banja, en in de mythologie vind je motieven als water, reiniging, helden die wonderbaarlijk genezen of zich verjongen, mythische schepsels en waternimfen of roesalki, kortom: een complete, rond het water gecentreerde verbeeldingswereld. De Russische banja is een belangrijk element in tradities en volkssprookjes. En in films. Zo begint De ironie van het lot van Eldar Rjazanov, uit 1975, in een banja, en de tweede titel luidt veelzeggend: Moge het je goed bekomen – de traditionele formule als iemand het badhuis verlaat. In Eastern Promises, een film uit 2007 van David Cronenberg, vinden in een Londens badhuis dat door Russische maffiosi als ontmoetingsplaats wordt gebruikt de gruwelijkste afrekeningen plaats.

We komen de banja ook tegen in de literatuur, zoals Het badhuis van Vladimir Majakovski en het gelijknamige verhaal van Michail Zosjtsjenko. De kuuroorden in het bekende Duitse Baden-Baden mochten schrijvers als Tolstoj en Dostojevski tot hun bezoekers rekenen, terwijl in het befaamde Karlovy Vary (Karlsbad) beroemdheden als Peter de Grote, Beethoven, Liszt, Chopin, Toergenjev en wederom Tolstoj rust en ontspanning vonden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Milan Kundera zijn roman Afscheidswals in een Tsjechisch kuuroord laat spelen.

De laatste tijd kom ik wel vaker in een kuuroord, niet alleen vanwege mijn rugklachten, maar ook om mijn perceptie van de wereld om me heen wat flexibeler te maken. Een kuuroord heeft op zijn bezoekers een magische uitwerking: ze kijken met een nieuwe, relativerende blik naar hun gezondheid en hun sociale status, wat hun een gevoel van algemeen welbevinden geeft en ze de dingen positiever laat zien dan ze in feite zijn.

Volgens Abi Wright, die met haar bedrijf SpaBreaks furore maakte in de zich snel ontwikkelende spa industry, kost één dag in een kuuroord tussen de twintig en tweeduizend pond. Het is aan de bezoekers om hun positie op de sociale ladder te bepalen, en dat leidt tot een grote dynamiek. Sommige ‘badgasten’ ondernemen een lange tocht naar ‘impopulaire’ bestemmingen, zoals het stadje Vrućica in de Servische Republiek in Bosnië, waarheen vanuit Kroatië clandestiene busreizen voor gepensioneerden worden georganiseerd. Mocht dat bekend worden, dan zou het als landverraad worden opgevat: de gepensioneerden, dan wel landverraders, geven hun goede geld dus uit om zich door die ‘vuile’ Serviërs te laten behandelen, want daar zijn ze goedkoper, en waarschijnlijk ook beter uit dan in een Kroatisch kuuroord. Zo’n plaats fungeert als lakmoesproef voor vaderlandsliefde, en voor een goed kuuroord moet alle vaderlandsliefde wijken. Dergelijke subtiele details voelt niemand beter aan dan de Kroaten en Serviërs zelf.

Wat trekt mij in een kuuroord zo aan? Als ik in een kuuroord ben, doe ik graag alsof ik met een geheim antropologisch onderzoek bezig ben: ik bestudeer de subtiele migratie van geld en personen waar dat het minst in het oog loopt. De kuuroorden waaraan ik denk, dateren gedeeltelijk uit het Habsburgse Rijk, en gaan soms terug op de thermen uit de Romeinse tijd, of ze stammen uit de dagen van het socialisme. De meeste zijn niet of nauwelijks onderhouden, en sommige raakten zwaar beschadigd doordat ze in handen vielen van veteranen uit de oorlog van 1991-1995, die uit wanhoop en woede aan de drank en de drugs waren geraakt en hun frustraties uitleefden op alles wat los of vast zat.

Op zulke plaatsen bespeur je nog iets van de oude communistische utopie (de droom van lichte, modern ingerichte vertrekken waar iedereen zich professioneel kon laten behandelen) en van de postcommunistische volkswoede die daarop een reactie was, en de desolate sfeer wordt benadrukt door beschimmelde tegels en geel uitgeslagen massagebaden. Zelf bekijk ik alles iets anders dan de mensen die daar werken – voor het merendeel jonge, knap uitziende postcommunistische zombies bij wie de geheugenkaart is gewist. Ik ben ouder dan zij, en ook al heb ik daarvoor geen enkel bewijs, ik weet dat onder elk oppervlak nog een ander oppervlak verborgen ligt, en daaronder weer een ander…

In het Montenegrijnse kustplaatsje Igalo bevindt zich het ‘Instituut Dr. Simo Milošević’, dat in de Joegoslavische tijd massaal werd bezocht door mensen uit Slovenië, Kroatië, Bosnië, Servië en Macedonië die daar voor hun gewrichtsklachten genezing zochten. Hun verblijf werd – veel te riant, zoals dat tegenwoordig heet – vergoed door de Joegoslavische ziektekostenverzekering. Het instituut is een imposant, in socialistische stijl opgetrokken gebouw met waarschijnlijk de grootste hotellobby in heel voormalig Joegoslavië en enkele kamers van meer dan honderd vierkante meter, maar met een petieterig klein zwembad. Tegenwoordig ziet het er behalve indrukwekkend ook bijzonder troosteloos uit, zoals alles wat verwaarloosd wordt, en zeker als dat komt door de val van het communisme en de opkomst van iets wat voor democratie moet doorgaan.

De nog herkenbare sporen van de communistische tijd, het uitzicht op de Adriatische Zee en de betaalbare prijzen maken dat veel ouderen uit Noorwegen, Denemarken en Nederland ernaartoe komen, maar de mensen die er werken, wachten al jarenlang tot het complex wordt opgekocht door een rijke Noor, die er een exclusief wellnessresort van wil maken.

Igalo is niet alleen een bestemming voor Scandinaviërs met gewrichtsklachten, maar ook voor Russen met weinig geld. Terwijl de echt rijke Russen in de bergen van Montenegro een stuk grond kopen en daar een riante villa laten bouwen vanwaar ze als vanuit een adelaarsnest over zee kunnen uitkijken, kopen hun armere landgenoten ergens een kamertje of een appartementje van hoogstens vijftig vierkante meter in een van de lelijke socialistische wolkenkrabbers, waarvan regelmatig een balkon of een stuk van de pui naar beneden komt. Ik ontmoette in het stadje een oudere Russische vrouw en haar zoon, die zo’n appartementje gekocht hadden en er elk jaar naartoe gaan.

Toen de Russen het Tsjechische kuuroord Karlovy Vary hadden opgekocht en met hun geld in handen hadden gekregen wat ze eerder met hun tanks hadden willen veroveren; toen ze zich Montenegro als vakantieoord hadden toegeëigend en de trotse bewoners van het land tot hun obers, witwassers of bodyguards hadden gemaakt, trokken ze noordwestwaarts om uiteindelijk de bekende Sloveense badplaats Rogaška Slatina in te nemen. In Joegoslavië werden de mensen verenigd door broederschap en eenheid, en nu zijn de Russen de bindende factor. Uiteindelijk blijkt Tito in 1948 zijn historische ‘nee’ tegen Stalin vergeefs te hebben uitgesproken, want de post-Joegoslavische volken zeggen maar al te graag ‘ja’ tegen het kapitaal van Poetins trawanten.

De Russische gasten lopen in witte badjassen van het hotel rond en drinken braaf hun bronwater, dat nergens naar smaakt. In Donat, het hotel naast het mijne, krijgt elke bezoeker een eigen glas met een persoonlijk nummer, en daarmee betreedt hij het glazen heiligdom van ‘DonatMg’, de godheid van het magnesiumhoudende water dat liefkozend donatica genoemd wordt. Voor zo’n glas betalen ze zeven euro per dag, terwijl datzelfde bronwater op sommige plaatsen buiten het ‘heiligdom’ gewoon gratis is.

Petrova Gora, Kroatië. Monument voor de opstand van de volken Kordun en Banija, van Vojin Bakić en Berislav Šerbetić, 1979-1981 © Valentin Jeck, commissioned by The Museum of Modern Art, 2016

Tegenover hotel Donat staat een beeld van de Sloveense communist Boris Kidrič, die hier het verzet tegen het Duitse fascisme leidde. Hij verrijst vanaf zijn middel uit zijn marmeren sokkel, alsof hij in drijfzand staat. Zijn rechterarm hangt omlaag, maar in zijn linkerhand lijkt hij een glas donatica vast te houden en met iemand te proosten. De hand is leeg, maar de hotelgasten steken er vaak een bloem in. Dat het monument er nog altijd staat, bewijst dat de Slovenen zo verstandig waren om niet, zoals de Kroaten deden, in blinde woede alle antifascistische gedenktekens te vernietigen, en zeker niet een monument dat als glas of vaas kan dienen en bij kapitaalkrachtige bezoekers of potentiële vastgoedkopers wellicht nostalgische gevoelens oproept.

Zo’n zeventig kilometer ten zuidoosten van Zagreb, vlak bij de grens met Bosnië, ligt het plaatsje Topusko. In mei bracht ik daar twee weken door in hotel Top-Terme, waar ik geen Rus heb gezien. Wel banjerde er een troep Chinezen doorheen, sloop er een groepje Koreanen stilletjes in en uit en rende er een stelletje Kroatische schoolkinderen rond. Een gezelschap apart waren de jonge, stoere kerels uit Nederland, die duidelijk contrasteerden met alle bejaarde en half invalide gasten die hier verbleven.

Bij het toeristenbureautje in de hoofdstraat – en andere straten zijn er niet – vraag ik aan de meneer achter de balie: ‘Heeft u wat informatie over Topusko, een paar foldertjes, of zo?’

‘We hebben hier niets’, zegt hij, met nadruk op het woordje ‘niets’.

‘Echt helemaal niets?’

‘Nee, we hebben niets hier…’

De man zegt het in een iets andere volgorde, maar opnieuw met de nadruk op ‘niets’.

‘Heeft u dan misschien een paar suggesties?’

Tito sprak in 1948 zijn ‘nee’ tegen Stalin vergeefs uit, want de post-Joegoslavische volken zeggen maar al te graag ‘ja’ tegen het kapitaal van Poetins trawanten

‘Ik kan de dienstregeling van de bus naar Zagreb voor u uitprinten.’

‘Ja, doet u dat maar…’

Hij overhandigt me het printje en zegt: ‘Ik kan u ook het nummer van een taxi hier in de stad geven.’

‘Ja, graag…’

Hij geeft me een kaartje waarop staat: ‘Taxibedrijf Rijden maar, Miško!’

Ik pak het aan en houd het als een laatste strohalm vast.

‘O ja, als ik het wel heb, was hier in de buurt, op de Petrova Gora, vroeger een hospitaal van de partizanen… Ik herinner me dat ik daar een keer met school ben geweest…’

‘Dat is er niet meer.’

‘Hoe kan dat nou?’

‘Alles is kapot, foetsie, er groeit alleen nog onkruid, verder is er helemaal niets meer’, zegt hij, met nadruk op ‘helemaal niets’.

‘En dan nog iets, was hier ook niet de derde bijeenkomst van de Landelijke Antifascistische Raad voor de Bevrijding van Kroatië?’

‘Ja, ’t zou kunnen’, zegt hij, een beetje op zijn hoede.

‘En waar is de plek waar die werd gehouden?’

‘Nergens.’

‘Hoezo nergens? Er zal toch nog wel ergens een gebouw staan?’

‘Nee. Dat hebben ze afgebroken.’

‘O, maar als u weet dat het afgebroken is, weet u dan misschien ook waar het gestaan heeft?’

‘Tegenover de ingang van het hotel. Er is daar ook een informatiebord, daarop kunt u alles lezen.’

Ik verlaat het lege vertrek, waar die man, als de receptionist van een niet-bestaand hotel, eenzaam achter zijn balie zit. Naast de ingang staat duidelijk: ‘Toeristenbureau’. Enkele huizen in de hoofdstraat liggen nog in puin en tussen de resten zie ik, als in een documentaire over Tsjernobyl, onkruid en jonge bomen opkomen. Ik stop de dienstregeling voorzichtig in mijn tas. Op de terugweg naar het hotel vraag ik me af of dat bureautje waar ik net was morgen misschien niet is opgeheven. Dan zal er binnenkort niets meer van over zijn.

Tijdens het ontbijt vroeg ik aan de stoere Hollandse jongens wat ze op deze plek, waar helemaal niets was, in vredesnaam deden. Ze gaven me nauwelijks antwoord, misschien omdat ik zei dat ik hun auto’s niet had zien staan. Hier wist iedereen die ze wel zag direct wie zij waren en wat ze kwamen doen. De masseuse legde het me uit. De jongens crossten met hun terreinwagens rond, de mensen hier noemden hen de ‘moddervreters’, want ze zaten soms tot hun nek onder de modder. Er werden hier ook wedstrijden voor de Croatia-Trophy gehouden. En elk jaar kwam er een Rus, die als een idioot met zijn pantserwagen rondscheurde…

‘Een pantserwagen, hoezo?’

‘Het is net een tank! Wij noemen die vent allemaal Mad Max’, vertelde de masseuse.

Sommige meisjes zagen er met hun vlechten, zwarte baretten, zwarte bloesjes en zwarte korte broeken uit als een Kroa­tisch-nationalistische versie van Lolita

De rest van het verhaal hoorde ik van Boba. Zij is de vrouw van taxichauffeur Miško en rijdt zelf ook. Alleen in Kroatië kun je het landschap zo volledig vernielen, want elders in Europa is dat verboden. Daarom komen de ‘moddervreters’ zo graag hierheen. Op weg naar de Petrova Gora wees Boba me een verminkte, omgeploegde en van elke begroeiing ontdane heuvel aan. ‘Zo ziet het eruit als die jongens hier geweest zijn’, zei ze.

Boba kent de streek als haar broekzak, ze is al jarenlang lid van de vrijwillige brandweer, want er zijn hier regelmatig bosbranden; ze kent alle dorpen en gehuchten, ze is hier geboren, ze brengt oudere mensen in de afgelegen dorpen wat ze nodig hebben, zoals levensmiddelen, medicijnen, brandstof, gloeilampen, en waar geen elektriciteit is: kaarsen, en in de meeste van die plaatsjes is verder niets meer… Ik staar verbijsterd naar het verwoeste landschap om me heen, net een verkracht woud, zeg ik, en ik besef tot mijn schaamte dat woorden tekortschieten om de desolaatheid die zich voor me uitstrekt te beschrijven.

Iets eerder op die dag – een schitterende dag in mei – had ik een taxi besteld, en het was Boba die voor kwam gereden, een lange, forse blondine van middelbare leeftijd. Ze verontschuldigde zich meteen: haar man had geen tijd, en ze hoopte dat ik het niet erg vond dat zij was gekomen. Nee, zei ik, absoluut niet. Ik wilde een bezoek brengen aan het beroemde Monument voor de opstand van de volken van Banija en Kordun. Het staat op de hoogste top van de Petrova Gora, een kleine bergketen vlak in de buurt, en werd vervaardigd door de beroemde beeldhouwer Vojin Bakić, een Serviër uit Kroatië, of zoals het in de Kroatische Wikipedia staat: ‘een Kroatische beeldhouwer van Servische afkomst’. Waarom vermeld ik dat hier? Omdat dit voor zijn leven zo bepalend was. Want ook al maakte hij er zelf geen punt van, het was alsof er geleidelijk een strop om zijn hals werd aangetrokken. Zijn vier broers werden in de Tweede Wereldoorlog door de ustaše – de fascistische Kroatische nationalisten – vermoord. Bakić voltooide het monument op de Petrova Gora in 1982 en overleed tien jaar later.

Tijdens de oorlog van 1991-1995 begon in Kroatië de systematische afbraak van zijn monumentale werken: zes ervan werden volledig vernietigd, en vier raakten ‘in mindere of meerdere mate beschadigd’. Bakić werd geboren in Bjelovar. Hij liet ook zijn eigen geboortestreek enkele gedenktekens na. Zijn standbeeld Man uit Bjelovar (of Oproep tot revolutie), waarmee hij het tragische lot van zijn gezin herdacht, werd in 1991 opgeblazen. Alleen het hoofd en een hand bleven nog over, terwijl de rest, aldus de Kroatische Wikipedia, in een metaalgieterij in Bjelovar werd omgesmolten.

Zijn in roestvrij staal uitgevoerde monument in het dorpje Kamenska werd in 1992 opgeblazen en de onderdelen werden gebruikt om pannen van te maken. Het partizanenmonument in Bačkovica werd opgeblazen en vervolgens omgesmolten, en het monument voor de gevallenen in Čazma werd weggehaald en vernietigd. Zijn zes abstracte, in de vorm van kristallen uitgevoerde beeldhouwwerken die te zien waren in het monumentenpark Dotrščina in Zagreb – in de Tweede Wereldoorlog werden hier duizenden Kroatische antifascisten door de ustaše vermoord – werden gestolen of vernield. Voor de stadsbibliotheek van Karlovac stonden drie door Bakić gemaakte bustes: van de slavist Ljudevit Jonke en de dichters Silvije Strahimir Kranjčević en Ivan Goran Kovačić. Laatstgenoemde schreef in 1944 het beroemde anti-oorlogsgedicht Jama - De kuil, waarin hij de Kroaten opriep zich op hun oorlogsdaden te bezinnen. Daarom werd in 2004 alleen zijn buste vernield. In Bjelovar haalden onbekende vandalen de gedenkplaat voor zijn vier broers van zijn ouderlijk huis, en de gemeente besloot de naar Bakić genoemde straat een andere naam te geven.

Tijdens de Kroatische legeractie ‘Storm’, die op 5 augustus 1995 begon, werden tienduizenden Kroatische Serviërs uit de streken Banija en Kordun verdreven. Een aantal dorpen werd door Kroatische militairen platgebrand en er kwamen enkele honderden onschuldige burgers om, onder wie veel bejaarden en kinderen (de exacte aantallen en de interpretatie daarvan verschillen per bron). Bakić’ Monument voor de opstand van de volken van Banija en Kordun raakte zwaar beschadigd en is sinds 1995 aan de genade van vandalen overgeleverd. De regionale en nationale autoriteiten bleken de afgelopen 23 jaar niet in staat of bereid het kunstwerk te beschermen en voor verder verval te behoeden.

Zagreb, 14 april 2016. Demonstratie voor soldaten die in de Tweede Wereldoorlog met de Duitsers collaboreerden © STR / AFP / ANP

Het beschadigde monument bood een treurige aanblik en ik kreeg het gevoel dat ik zelden iets ergers had aanschouwd. Het deed denken aan een enorm walviskadaver met overal aangevreten botten, rotte plekken en uitpuilende organen; alles wat er maar af te halen viel, was eraf gehaald. Boven het dak van het monument, dat ooit bedoeld was als uitkijkpunt vanwaar je een majestueus uitzicht over de omgeving had, verrees als een stalen, opgestoken middelvinger een hoge zendmast. Op een kale, betonnen wand zag ik een kleine poster met een foto van Emma Goldman en haar uitspraak: ‘Het meest gewelddadige element in de samenleving is onwetendheid.’ Het was middag en er hing een stilte als op een begraafplaats. Het leek alsof het gras, het onkruid en de jonge boompjes die uit de barsten in het beton te voorschijn kwamen hun adem en hun krachten inhielden om het ogenblik waarop het monument definitief in het niets zou opgaan, nog even uit te stellen.

Het lot dat het werk van Vojin Bakić trof, is geen uitzondering. In alle postcommunistische landen wordt het landschap gemarkeerd door verwoeste of verwaarloosde constructies. Je ziet ze overal, half verscholen onder het gras of overwoekerd door onkruid, als betonnen karikaturen of monumentale ‘betonnen slapers’. Ze zijn er in allerlei soorten: verwoeste fabrieksgebouwen, vernielde monumenten, half gesloopte woonwijken, mislukte of onafgemaakte bouwobjecten, gesloten scholen, afgebrande huizen, verlaten boerenbedrijven, en huizenblokken met kapotte ramen en losgerukte leidingen, kortom: een beeld van algeheel verval… Je hebt kleine en grote ruïnes, en sommige zijn zelfs megagroot.

De ‘betonnen slapers’, die vooral worden geassocieerd met het vroegere communisme en de bijbehorende esthetiek en architectuur, kunnen tegenwoordig rekenen op de belangstelling van nostalgische freaks en liefhebbers van ‘communistische’ elitaire of decadente betonbouwsels, van historici, documentairemakers, architecten en archeologen van het socialistisch modernisme.

Daarentegen heeft bijna niemand aandacht voor de ‘overwinnaars’ – de nieuwe machthebbers die zonder enig respect het oude ‘meubilair’ op straat gooien en in brand steken, en dat van zichzelf neerzetten. Een typisch voorbeeld van triomfale architectuur met ‘artistieke’ pretenties is de Macedonische hoofdstad Skopje, een soort Balkan-Disneyland dat bijna meer openbare beeldhouwwerken dan inwoners telt, met overal fonteinen, triomfbogen, paarden met aanstootgevend dikke achterwerken en buitenproportioneel grote hoeven, met beroemde ruiters als Alexander de Grote en Philippus van Macedonië, en legendarische, met een enorme boezem gezegende moeders van grote, historische persoonlijkheden.

Door de stad stroomt de Vardar, maar door de nieuwe brug, die wordt gesteund door drie pilaren die als drie reusachtige vazen op betonnen eilanden rusten waarvan de vorm doet denken aan een schip, lijkt die nauwelijks nog op een rivier. Door al dat nieuwe, massieve en triomfale ‘meubilair’ werd het aanzicht van Skopje, inclusief de paar door de Japanse architect Kenzo Tange ontworpen modernistische gebouwen die er na de aardbeving van 1963 werden neergezet, volledig ‘opgevreten’.

Stel je eens voor dat door een horde roze plastic flamingo’s, tuinkabouters van diverse afmetingen en wandkleden met zonsondergangsmotieven, of anders door hun eigenaars, een kruistocht wordt ondernomen tegen alles wat we tot dusver onder ‘cultuur’ verstonden, dat ze de hele ‘inventaris’ uit het MoMa, het Guggenheim, het Louvre, het British Museum en alle andere tempels van ‘onze kunst en cultuur’ naar buiten smijten en dan, met goedkeuring van alle politieke, nationale, kerkelijke en militaire overheden, zelf de vrijgekomen ruimtes in bezit nemen. Zoiets zul je in een sciencefictionfilm niet zien, maar het gebeurt wel in werkelijkheid, zij het in een beperkt gebied, waar zoiets als cultuur door bijna niemand serieus wordt genomen en door de analfabeten die nu aan de macht zijn een ware terreur wordt uitgeoefend over degenen die wel enig cultureel besef hebben (en zijn die niet altijd in de minderheid?).

Voor de theaters wordt door Kroatische oorlogsveteranen gedemonstreerd voor een verbod op voorstellingen die geen recht doen aan de offers die zij voor hun vaderland brachten. Diverse hysterische pro-life-organisaties eisen dat de literatuurlijsten van de scholen worden ontdaan van alle moderne boeken die propaganda zouden maken voor seks, pedofilie, homoseksualiteit en meer van zulke ‘perversiteiten’. Sommige Kroatische parlementsleden keren zich openlijk tegen bepaalde schrijfsters en eisen dat hun boeken uit de Kroatische literatuur worden verbannen. Zelf hebben ze die boeken nooit gelezen, daarvoor zijn ze ook te laag geletterd, maar dat belet hen niet om over alles, dus ook over literatuur, luid en duidelijk hun mening te verkondigen. Bij elke toneel- en filmpremière en bij elke expositie die wordt geopend, zijn politici, criminelen, moordenaars, rovers en stinkrijke parvenu’s aanwezig, die als ware kunstkenners hun oordeel geven.

Onlangs verhinderden de verdedigers van het Kroatische vaderland het optreden van een Servische popzanger in Karlovac. In het stadje Petrinja wist de vereniging van Kroatische oorlogsweduwen een ojkanje-festival te verhinderen, met als argument dat deze zangstijl daar geen traditie was. Waarom maakten de weduwen zich zo kwaad om zoiets alledaags als ojkanje? Omdat zij vinden dat het vooral een Servische traditie is, en daarom zou de nagedachtenis worden beschaamd van hun echtgenoten die voor het vaderland hun leven hadden gegeven. Deze redenering sloot naadloos aan bij wat Franjo Tuđman in 1990 in het stadje Sinj verklaarde: de dageraad van de vrijheid was gekomen, en daarmee een tijd waarin het Kroatische volk vrijelijk zijn liederen, zijn mooie, onschuldige liederen zou kunnen zingen.

Opa en ik gaan samen even wandelen’, zegt de vrouw tegenover mij als ik haar vraag wat ze na het eten gaan doen.

‘Opa en ik’ zijn een gepensioneerd echtpaar waarmee ik aan tafel zit, want iedereen heeft hier een vaste plek. Op tafel ligt een menukaart, je kunt voor het middag- en avondeten uit drie dingen kiezen.

‘Wij hebben voor morgenmiddag varkensschnitzel met gestoofde aardappelen besteld, hè, opa?’ zegt de vrouw.

‘Opa’ loopt en praat moeilijk, waarschijnlijk weet hij dat zelf ook en is hij daarom niet zo spraakzaam. Zij noemt hem ‘opa’ en behandelt hem als een teddybeer, als een stuk speelgoed dat ze ooit heeft gekregen en waarvan ze geen afstand meer kan doen. Zelf beslist hij helemaal niets. ‘Mijn lieve opa is een beetje kinds aan het worden, hè, opa?’

Ze hebben van jongs af aan hard gewerkt, zij en haar man, en het leven is niet altijd even vriendelijk voor ze geweest, ze hebben de nodige klappen gekregen, links en rechts. Ik zie haar ogen schitteren. Ze kijkt me door haar brillenglazen berekenend aan. Ze had me al door toen ik bij hen aan tafel kwam zitten, zo sluw is ze wel. Ze is arrogant en kruiperig tegelijk, die twee eigenschappen zijn voor haar functioneren even belangrijk als het bloed dat door haar aderen stroomt, het zijn de wapenen waarmee de zwakkeren zichzelf kunnen handhaven…

‘Wij hebben daar nog nooit niets over gehoord, hè, opa?’

‘Ja’, zeg ik, ‘maar ze zitten hier toch, vlak over de grens, in Velika Kladuša, duizenden vluchtelingen uit Syrië, Afghanistan, Iran…’

In Bulgarije zijn de Turken de gebeten hond, in Kroatië de Serviërs, en allemaal hebben ze een even grote afkeer van ‘donkere types’… En van homoseksuelen

‘Kom op zeg, we hebben hier toch nooit vluchtelingen gehad, hoe komen die hier nou terecht…?’ Ze vraagt het alsof het niet over mensen gaat maar over de oprukkende tijgermug.

‘Maar het is echt waar. Het hele hotel zit vol met politie, heeft u dat niet gezien? Ze gaan in de omgeving op zoek naar vluchtelingen, en iedereen die ze te pakken krijgen, gaat de grens over, terug naar Bosnië.’

‘Nooit geweten. Maar ik kijk ook nergens meer naar, hè, opa? Niet naar het nieuws en ook niet naar tv-series. Ik snap er toch niks meer van.’

‘U kunt het best naar het nieuws kijken alsof het een tv-serie is, en naar een tv-serie alsof dat het laatste nieuws is, dan komt het helemaal goed’, zeg ik.

Ik zit in de bus terug naar Zagreb en kom door de streek die ooit Krajina werd genoemd. Ik heb nooit geweten – en me daar ook geen moment druk over gemaakt – dat hier vroeger vooral Serviërs woonden. Ze waren vaak het doelwit van de ustaše en daarom vluchtten velen van hen naar de bossen om zich bij Tito’s partizanen aan te sluiten. Lika, Banija en Kordun, dat waren partizanengebieden. Als de bus door het stadje Glina komt, zie ik naar wie de straten zijn genoemd: baron Josip Jelačić, president Franjo Tuđman en Josip Runjanin, de componist van ‘Ons prachtige vaderland’, het Kroatische volkslied. Misschien vallen die naambordjes zo op omdat ze het enige nieuwe zijn dat aan de oude, vervallen huizen te zien is.

Niet alleen ziet de stad er verlaten uit, maar er heerst duidelijk ook een ernstig gebrek aan Kroatische grootheden naar wie ze de straten, pleinen en parken zouden kunnen noemen. Misschien komt het daardoor dat ik behalve Tuđman, Jelačić en Runjanin, nog een uiterst merkwaardige naam aantref: Hrvatska ulica – de Kroatiëstraat.

In 1941 werd in de orthodoxe kerk van Glina een groot aantal onschuldige burgers van Servische afkomst omgebracht en kort daarna werd de kerk afgebroken. Ter herdenking van deze massamoord werd tien jaar later op last van de communistische autoriteiten een gemeenschappelijk ossuarium ingericht. Later werd op die plek een gedenkteken voor de slachtoffers van het fascisme neergezet. De schattingen over het aantal mensen dat door de ustaše werd vermoord, lopen uiteen van tweehonderd tot 2200. In de Kroatische versie van Wikipedia wordt in twijfel getrokken of het incident überhaupt heeft plaatsgevonden. Toen Glina in 1995 na de actie ‘Storm’ was veroverd en alle inwoners met een Servische achtergrond waren verdreven, werd het gedenkteken voor de slachtoffers van het fascisme een Kroatisch gedenkteken. Onlangs werd er in het stadje een plaquette onthuld als eerbetoon aan alle soldaten van de Onafhankelijke Staat Kroatië en de Duitse Wehrmacht die daar sneuvelden of gevangen werden genomen.

Ongeveer twee maanden later, op 5 augustus 2018, de Dag van de Overwinning en het Dankbare Vaderland, en tevens de Dag van de Kroatische Verdedigers, ontvingen de Kroatische generaals Gotovina en Čermak van president Kolinda Grabar-Kitarović de hoogste nationale onderscheiding wegens hun verdiensten voor het eclatante succes van de militaire actie ‘Storm’.

Op diezelfde dag kwam ook Glina weer in beeld: popzanger Marko Perković Thompson – het boegbeeld van de Kroatische rechtse meerderheid – gaf daar een spectaculair concert, waar volgens ruwe schattingen honderdduizend mensen op afkwamen. Te zien aan de video’s die op internet circuleren, waren er veel jonge mannen in zwarte hemden, zwarte broeken en zwarte laarzen, met zwarte baretten op en vol met indrukwekkende tatoeages. De effectvolle vormgeving van het evenement was het werk van de Kroatische strijdkrachten, de militante religieuze groepering ‘Broeders en Zusters’ en een politieke partij met in haar logo de leus ‘Voor het vaderland bereid’, de Kroatische variant van ‘Sieg Heil!’.

Sommige meisjes zagen er met hun vlechten, zwarte baretten, nauwsluitende zwarte bloesjes en strakke, zwarte korte broeken uit als een Kroatisch-nationalistische versie van Lolita. Ze hadden op hun dijen of kuiten verleidelijke tatoeages met de troplet, het Kroatische nationale driedubbele vlechtmotief, zodat hun benen een verbintenis aangingen met de Kroatische Middeleeuwen en de Baščanska ploča – het tablet van Baška – hét symbool van de Kroatische geschreven taal. De jongens kozen voor nog uitgesprokener motieven, zoals een zwaard dat een hart doorboort, en vereenzelvigden zichzelf aldus met de historische (en grotendeels fictieve) Kroatische ridderstand.

De menigte van ongeveer honderdduizend mensen (Kroatië is een klein land, dus dat kun je best een indrukwekkend aantal noemen) schreeuwde, zong, sprong, scandeerde leuzen, zwaaide met vaandels en brandende fakkels, terwijl de meisjes, gezeten op de schouders van hun vriendjes, Kroatische vlaggen ontrolden. Thompson liet met zijn krachtige ritmes en teksten de temperatuur zo hoog oplopen dat iedereen uiteindelijk met elkaar versmolt tot één roedel, één stam, één enkel wezen met één enkele gedachte en een collectief vaatstelsel waar een gezamenlijk kloppend hart met krachtige slagen het bloed doorheen pompte. Thompsons liederen, met een vocabulaire van hoogstens twintig woorden, gaven iedereen een extra dosis etnisch zelfvertrouwen.

Een identiek vocabulaire, en ook een soortgelijke vormgeving, vinden we aan de ‘vijandelijke’, dus Servische kant. Ook daar wordt het vaderland gezien als een moeder, een vrouw of een geliefde (‘Ach, Anica, koningin van Knin’, of: ‘Ach, Krajina, mijn zoete lief, neem mij in je armen!’). Wat opvalt, is de liefde voor steen die aan zowel Kroatische als Servische zijde uit veel dichtregels spreekt. Terwijl Thompson zingt over ‘genen in steen’, en een populaire neofascistische website Kamenjar.hr heet – dat wil zeggen: steenpatrijs – worden de Servische opruiende popsongs vergeleken met de klanken die deze vogel laat horen. Ik snap absoluut niet waar deze nostalgische liefde voor steen vandaan komt, maar voor degenen die zulke teksten schrijven en beluisteren, is het een bijzonder fascinerend motief.

Een ander motief vinden we in een Servische popsong waarin een vaderlandslievend ojkanje te horen is, met op de achtergrond het huilen van een roedel wolven, want het vaderland is een ‘wolvenland’ (‘Terwijl in de bergen de bomen ontluiken, waken de wolven over onze gebruiken’) waarmee het militaire karakter van het vaderland nog extra wordt benadrukt. Ook de leus die de Kroatische zwarthemden voeren: ‘God vergeeft, maar de Kroatische Strijdkrachten nooit!’ klinkt niet bepaald vriendelijk. Met andere woorden: God zou de Serviërs nog vergiffenis kunnen schenken, want barmhartigheid staat nu eenmaal in Zijn functieomschrijving vermeld, maar de soldaten van de Kroatische Strijdkrachten hoeven niemand iets te vergeven.

Bij het spectaculaire ustašaconcert in Glina waren ook talloze ‘zonen en dochters’ van Kroatië aanwezig die in West Europa wonen en werken, maar hierheen waren gereisd om dit grootse evenement in hun vaderland mee te maken. Nu stonden ze daar met Kroatische vlaggen en brulden uitzinnig: ‘Kroatië! Kroatië! Kroatië!’ Voor de videocamera’s verscheen een jong Hongaars echtpaar dat elk jaar naar Kroatië ging om de Dag van de Overwinning en het Dankbare Vaderland te vieren. Ze droegen allebei een zwart ‘uniform’. De man deed een onbeholpen poging om uit te leggen waarom ze nu uitgerekend hier waren. Misschien was het omdat hij van zulke massabijeenkomsten een kick kreeg, al worden die net zo goed in Hongarije georganiseerd.

Kuuroord in Krapinska Toplice, Kroatië, 2006 © Marcel Malherbe / HH

Want de Hongaren, Tsjechen, Slowaken, Serviërs en Bulgaren, ze zijn allemaal ongeveer hetzelfde, ze houden van hetzelfde uiterlijke vertoon en hetzelfde soort emblemen en tatoeages, en alleen wanneer je ze vraagt aan wie ze de grootste hekel hebben, ontdek je enkele kleine verschillen. Overal heeft de meerderheid de pest aan minderheden, en overal komen de Roma wat dat betreft op de eerste plaats. De Hongaren, Serviërs en Slowaken hebben ook een hekel aan joden, en in Servië richt de collectieve haat zich niet alleen tegen de Roma, maar ook, en zeker nu, tegen de Kroaten en de ‘binnenlandse’ Turken – de Albanezen en Bosniërs. In Bulgarije zijn de Turken ook de gebeten hond, en in Kroatië de Serviërs, en allemaal hebben ze een even grote afkeer van ‘donkere types’… En natuurlijk van homoseksuelen – die werken als een rode lap op elke nazistier die meer van zijn moederland houdt dan van zijn eigen moeder of vrouw. Nee, ze zijn niet homofoob, zeggen ze, maar toch ook geen watjes, en ze slaan iedere homoseksueel die ze tegenkomen in elkaar. Met de media en de camera’s van journalisten gaan ze net iets voorzichtiger om.

Een en ander wordt natuurlijk ook opgemerkt door de links georiënteerde intellectuelen, filosofen en politieke analisten, die voor zulke verschijnselen in Europa een correct en neutraal woord proberen te vinden. Iedereen grijpt naar de populaire parapluterm ‘populisme’ en grabbelt daarin zoals het uitkomt, zoals dronken Russen in de sovjettijd hun vingers in een gezouten en gedroogde karper (Rutilus caspicus) uit de Kaspische Zee staken, het vlees lostrokken en dat met een royale slok bier naar binnen werkten. En terwijl de links-politieke denkers met het nodige gevoel voor smaak en proporties en vanuit hun achtergrondkennis de huidige politieke, sociale en culturele ontwikkelingen trachten te evalueren, weten de lokale neonazi’s en neofascisten zich uitstekend te vermaken en zijn ze duidelijk van plan dat binnenkort nog veel meer te doen.

Tijdens de diverse vieringen die in juli en augustus werden gehouden, escaleerde ineens de ‘vluchtelingencrisis’. De Kroatische politie had er al snel genoeg van zich terughoudend op te stellen en koos voor een wat ‘intiemere’ communicatie met de vluchtelingen. Dat resulteerde in een aantal doden en gewonden, terwijl anderen door de agenten van hun geld en hun mobieltje werden beroofd, iets wat ook de ‘kwaadwillende’ journalisten van The Guardian ter ore kwam. Mensen uit Syrië, Afghanistan en Iran lieten voor de camera’s hun blauwe plekken zien, maar de Kroatische politie hield bij hoog en bij laag vol dat de ‘emigranten met elkaar slaags raakten en dat daarbij soms rake klappen vielen’.

Verder kwam er een sympathieke jongeman uit Syrië in beeld, die in vlekkeloos Engels vertelde hoe hij in Velika Kladuša, bij de grens met Kroatië, waar een geïmproviseerd opvangkamp was geopend, naar werk zocht. Alle mensen die hij aansprak, joegen hem met steeds dezelfde uitroep weg, alsof ze hem met een verbale bezem wilden wegvegen: ‘Er is niets! Er is niets! Er is niets!’ De Syriër, niet gespeend van humor, zei voor de camera’s, en in de taal van zijn ‘gastheren’ (het doet er niet toe welke, want in alle drie de talen – Bosnisch, Kroatisch en Servisch – zeg je dat hetzelfde): ‘Tu nema ničega! – Hier is niets!’

Je moet écht naar die expositie!’ zeggen een paar vroegere landgenoten van me (als je het hebt over ‘je vroegere vaderland’, kun je dan ook zeggen: ‘je vroegere landgenoten?’), die nu burgers van New York zijn. Ik bespeur een vreemde intonatie, zelfverzekerd en een beetje paternalistisch, alsof zij, mijn landgenoten, het als hun persoonlijke verdienste beschouwen dat in het MoMa de expositie Toward a Concrete Utopia: Architecture in Yugoslavia, 1948-1980 werd geopend. Ik zie de Kroaten net zo stralen van trots als op de dag dat hun voetbalelftal op het afgelopen WK tweede werd, of de Serviërs wanneer Novak Djoković op de tennisbaan verschijnt.

Bij de entree van de expositie is het eerste wat ik zie een rode kiosk, ontworpen door de Sloveen Saša J. Mächtig. Deze kiosk, met het typenummer K67 en ooit te vinden in heel Joegoslavië ‘van de Triglav tot aan Gevgelija’, werd voor alle mogelijke doeleinden gebruikt: als krantenkiosk, als winkeltje, als douanehokje of als stalletje waar je iets lekkers kon kopen, zoals een hotdog, waarvoor destijds allerlei onhandige omschrijvingen bestonden, zoals ‘worstje in een broodje’, ‘frankfurter met een laagje deeg’ of ‘dashondje’. Mijn ontmoeting met de kiosk werkte als een emotionele vuistslag. De volgende kwam even later, toen ik een telefoon zag uit de Sloveense fabriek Iskra (Ik had er vroeger ook zo een!) en daarna een paar houten stoelen en een draagbare televisie (Wij hadden er thuis ook zo een!).

In een verduisterde museumzaal wordt een documentaire uit de jaren tachtig vertoond over de architectuur van de betonnen hotels met zwembaden die vooral aan de Adriatische kust verrezen, toen het leven dat je op de toeristische posters zag werkelijk bestond en voor de grote massa toegankelijk was. Het waren beelden van een leven dat met de dag beter beloofde te worden. En dat werd het ook. De film loopt continu door, het einde is het begin en het begin het einde. De bezoekers volgen elkaar op, maar ik blijf als gehypnotiseerd op een houten bank in het zaaltje zitten. Ik voel de koelte van het vertrek om me heen. Buiten is het heet, het is half september (zoals het in New York half september hoort te zijn), ik zit daar als in een luxueuze graftombe, waar losse fragmenten uit mijn vroegere leven op een muur worden geprojecteerd…

De staat waarin de Joegoslavische modernistische bouwwerken tegenwoordig verkeren, blijft om bepaalde redenen buiten beeld. Dat er van veel hotels en monumenten slechts verlaten ruïnes over zijn, daar wordt discreet aan voorbij gegaan. Alsof de organisatoren van de expositie geen zin hadden om zich met het verhaal van before versus after in te laten – en waarom zouden ze ook? Dat zou een ander verhaal opleveren dan ze zelf wilden vertellen en het zou bovendien verplichtingen scheppen. Ik voel me dankbaar: er is niets vergeten, weliswaar zijn het allemaal kopieën die je hier ziet, want de meeste originelen zijn verloren gegaan, maar kijk: het staal van Bakić’s grandioze monument, waarvan in de museumwinkel kleine replica’s te koop zijn, glanst in volle glorie…

‘Ik ben blij dat uw rugklachten iets minder erg zijn en dat u voorspoedig bij ons in Amerika bent gearriveerd. Als u in New York bent, gaat u dan naar het wellnessresort dat een paar Koreanen in Queens hebben opgezet. Ze hebben daar uitstekende fysiotherapeuten…’ lees ik in een mail van een jonge kennis die als kind van Bosnische vluchtelingen in de VS terechtkwam en nu aan een universiteit Engelse literatuur doceert. Ik zoek op Google het adres op, kijk op de kaart waar het is, het is vlakbij, denk ik, en ik noteer het telefoonnummer. Morgen zal ik ze bellen en een afspraak maken… Het leven gaat door, zoals een bekende troostrijke platitude luidt. Dat troostrijke komt doordat we denken dat het waar is. En inderdaad, het leven gaat gewoon door.


Dubravka Ugrešić (1949) werd geboren in het Kroatische stadje Kutina. Ze is auteur van romans, essays, toneelstukken en verhalen. Veel van haar werk verscheen in het Nederlands, waaronder Museum van onvoorwaardelijke overgave, Ministerie van Pijn en Niemand thuis. Afgelopen najaar verscheen haar nieuwe roman De vos. Vertaling: Roel Schuyt. De tentoonstelling Toward a Concrete Utopia: Architecture in Yugoslavia, 1948-1980 in het MoMA, New York, is te zien tot 13 januari.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.