50 jaar Paradiso. Historie en karakter

Hier spelen is een duet

In Paradiso spelen betekent deel worden van het verleden. Dezelfde trap bestijgen als Jagger en Bono en Bowie, een duik nemen in het publiek vanaf dezelfde planken waarop Kurt Cobain nummers lang het publiek niet aankeek.

Medium gettyimages 513971786
David Bowie, Tin Machine, 24 juni 1989 © Rob Verhorst / Redferns / getty

Paradiso, vijftig jaar oud deze week, is een zaal als weinigen. In Europa zijn dat de Royal Albert Hall in Londen, Olympia in Parijs en de Roma in Antwerpen en minder dan een handvol anderen: een zaal die zélf ook artiest is.

Het is een zeer regelmatig terugkerend ritueel in Paradiso, bij de meest uiteenlopende artiesten: het moment waarop ze, meestal na een nummer of drie, zich voor het eerst tot het publiek richten. In Paradiso is dat onmogelijk zonder een opmerking over de zaal. Soms niet eens meer dan een simpel ‘Wow’. Altijd die blik: van voor naar achter, en dan naar boven. Naar het eerste, en dan het tweede balkon. In Paradiso sta je als bezoeker nooit ver af, en als artiest nooit alleen, overal om je heen is publiek. Wie schuin naar boven kijkt, kijkt niet naar een plafond, maar naar een fan. Je kunt simpelweg niet vanaf het podium Paradiso in kijken zonder onder de indruk te zijn. Je richt je woord als artiest in Paradiso tot het publiek én tot de zaal. Spelen in Paradiso is een duet. Vrijwel geen enkele lichtman kan de verleiding weerstaan om bij de toegift de zaal uit te lichten. De finale spotlight is altijd voor de zaal zelf.

Waar zit ’m dat in? Daar is veel over beweerd in dit jubileumjaar. De kronieken gaven eigenlijk het antwoord alleen al in de termen die klonken naar vervlogen jaren. Cosmisch Ontspanningscentrum Paradiso. Echte punkers en weekendpunks. De kraakbeweging. New wavers. Hippies. Krautrock. No Future. De Pep Club. Door al die verhalen over legendarische en vergeten optredens en bands en stromingen en vaste en losse avonden struinen, is ook op en neer springen van de ene verdwenen subcultuur naar de andere. Het is volkomen logisch dat een concertzaal die vijftig jaar oud is ook het verhaal vertelt van vijf decennia jongerencultuur, muziekgeschiedenis, uitgaansgewoonten, politieke omwentelingen. Volkomen logisch, maar ook heel bijzonder, want het is zeldzaam dat een concertzaal het vijftig jaar uithoudt, met dezelfde naam op dezelfde plek met dezelfde relevantie. Het verhaal van Paradiso is het verhaal over een roemrijk verleden, maar het is geen verhaal uit het verleden. Nee, Paradiso staat natuurlijk al lang niet meer blauw van de rook, het ruikt er veel langer al niet meer naar wiet, en er staan keurige tijdschema’s op de site, want ook Paradiso-bezoekers hebben een oppas te regelen. En de artiesten houden zich ook aan die schema’s, want de zaal moet snel leeg: de dance-avond begint over een uur, zoals die artiesten gewend zijn uit alle andere steden waar ze spelen en waar het er vaak nog veel botter aan toe gaat: in sommige steden gaat na het laatste nummer de bar dicht en het licht aan. Eeuwig doorspelen kan hier niet meer, zoals vrijwel nergens. Paradiso-verhalen over oneindige avonden die ongemerkt nachten werden, zijn verhalen uit een andere tijd.

Wie wil weten hoe strak georganiseerd en professioneel deze zaal is hoeft maar in de agenda te kijken. Vorig jaar werden 850 concerten gegeven. Zelfs de maandag, de dag waarop veel andere zalen niet eens probéren een band neer te zetten, is het hier vaak vol. Vaak staat er een band in de grote zaal, een band in de kleine zaal, een dj in de grote zaal tijdens de club night, en dan ook een band in de Tolhuistuin aan de overkant van het IJ, die Paradiso Noord heet, want op een dag wordt historie ook gewoon een mérk met alle voordelen daarvan.

Historie dus. En karakter. Dat zit ’m in ieder detail van het gebouw. De trapjes alleen al, geen enkele moderne concertzaal heeft trapjes, en die deur tussen de ontvangsthal en de zaal zelf. Groot, zwaar. Het zijn praktisch gezien allemaal drempels, maar in de praktijk worden het rituelen: om van de wereld buiten tot de magie binnen te kunnen toetreden dienen handelingen te worden verricht. Een trap betreden, een poort geopend. Eens een kerk, altijd een kerk. Je moet ook nog steeds lid worden. Een concertkaartje is niet voldoende. Ja, voor het concert. Maar niet voor Paradiso.

Medium wdj 000003001515
Johnny Rotten, Sex Pistols, 1976 © Wubbo de jong / Maria Austria instituut
Het glas-in-lood van Paradiso lijkt alleen op het glas-in-lood van Paradiso

Karakter bezitten, dat betekent per definitie zichtbare onvolkomenheden hebben. Al die nieuwe concertzalen – iedere middelgrote gemeente in Nederland heeft er een, geopend door de ambitieuze of ijdele wethouder van Cultuur – hebben een betere akoestiek, want zijn gebouwd voor muziek, met de mogelijkheden van nu. Het tweede balkon van Paradiso, gebouwd om aan de capaciteit van vijftienhonderd te komen die voor veel promotors geldt als een minimale vereiste, is in akoestisch opzicht het strafbankje van de zaal. Logistiek zijn er inmiddels veel praktischere zalen. Die hebben backstage wél de ruimte, en daar hoeven dikke schuimlagen niet te voorkomen dat de artiest zijn hoofd stoot.

Maar karakter hebben betekent ook wegkomen met die onvolkomenheden. Want al die nieuwe zalen, die allemaal lijken op 013 in Tilburg (hetzelfde zwart, hetzelfde staal, dezelfde industriële, grove stijl), zijn de vinexwijken van de concertwereld. Ze hadden overal kunnen staan, net als de artiest en de bezoekers. Het glas-in-lood van Paradiso lijkt alleen op het glas-in-lood van Paradiso. De nieuwe concertzalen met namen die nog moeten inburgeren komen van een tekentafel, vaak dezelfde, maar er is nog geen leven doorheen gewaaid.

Een zaal bestaat namelijk niet alleen uit het heden, maar uit het opgetelde verleden. In het legendarische cbgb’s in New York speelde ook geen enkele artiest alleen bij de gratie van die avond zelf. Zelfs zonder historisch bewustzijn waren ze zich bewust van de historie, omdat de zaal zelf die uitademde. Daarvoor zijn geen ingelijste foto’s of vergeelde concertposters nodig. Elk Hard Rock Café ter wereld is het bewijs: je kunt de hele tent nog zo volhangen met verwijzingen naar het verleden, je zult het nooit kunnen opeisen. Het zal nooit jóuw verleden worden. In Paradiso spelen, dat betekent wél onderdeel worden van dat verleden. Dezelfde trap bestijgen als Jagger en Bono en Bowie, een duik in het publiek nemen vanaf dezelfde planken waarop Kurt Cobain in 1991 zeventien nummers lang het publiek níet aankeek.

Geen enkele popzaal die in de 21ste eeuw is gebouwd, is ooit begonnen als een kerk van de Vrije Gemeente, of heeft nog het podium geboden aan Pink Floyd, of de Sex Pistols of Prince, beide voor nog geen vierhonderd mensen. Hier zullen nooit meer stiekem bootlegs worden opgenomen, die decennia lang de wereld rondgaan. Enfin: het lijstje is lang, en wordt alleen maar langer, al dan niet met vertraging: soms duurt het jaren voor een concert alsnog legendarisch wordt, en er met terugwerkende kracht vijf keer zo veel mensen waren als in werkelijkheid. Een kwestie van het eindelijk doorbreken van de artiest, of het sterven.

Een onverbiddelijke zaal is het ook. Keihard, eigenlijk. Paradiso stil krijgen is hard werken: Paradiso-publiek is niet zomaar onder de indruk. Niet alleen de artiest, ook deze mensen weten wie hier nog meer hebben gestaan. Ze waren er zelfs bij, of geloven dat zelf. En een halfvol Paradiso oogt als een halfleeg Paradiso. Nieuwe zalen hebben allerlei manieren om de pijnlijke waarheid van geringe belangstelling te verhullen, Paradiso niet. Wie daar speelt maar de zaal niet weet te vullen, zal het voelen. Dat lege balkon, waar Courtney Love nog woedend op zoek ging naar de gooier van een beker, zal twee uur de doorn in het oog blijven, die keiharde bekers zullen nog harder richting het podium galmen wanneer ze uit verveelde handen vallen.

En toch is het de zaal waar iedereen wil staan. Of preciezer nog: waar iedereen wil hebben gestaan. Desnoods in de kleine zaal boven, want dan heb je toch in Paradiso gestaan, en met een beetje geluk vraagt niemand in welke zaal dan, en komt de grote zaal alsnog, want dromen mag altijd. Bovendien: Adele en Coldplay zijn ook ooit begonnen in die kleine zaal. Maar in al die jaren hebben er ook artiesten gestaan die Paradiso al lang ontgroeid waren. Prince gaf er nachtconcerten. De Rolling Stones stonden er. David Bowie ook, met zijn band Tin Machine, terwijl alle duizenden mensen die niet in de zaal pasten buiten op een scherm keken. Pearl Jam brak door, schrok daar zelf van, stond opeens in Ahoy en gaf dan maar een extra concert in Paradiso. Als tegenwicht voor hun eigen populariteit. Paradiso als blijk van credibiliteit, al is het maar richting de artiest zelf. Zoals je ook in andere kerken vroeger een aflaat kon kopen.


Op 29, 30 en 31 maart wordt het jubileum in Paradiso uitgebreid gevierd met een programma onder de noemer ‘PARADI50’; paradiso.nl

Van 30 maart t/m 19 augustus is in het Amsterdam Museum de tentoonstelling 50 jaar Paradiso te zien; amsterdammuseum.nl