Geschiedenis van Amsterdam

Hier woonde Jan Salie

Remier Aerts & Piet de Rooy (red.)
Geschiedenis van Amsterdam. Deel iii, Hoofdstad in aanbouw, 1813-1900
SUN, 636 blz., € 44,50

Op grond van zijn reputatie en inwonertal was Amsterdam rond 1800 de derde of vierde stad van Europa. In de daarop volgende decennia raakte hij die positie snel kwijt. Dat in de grondwet werd vastgelegd dat Amsterdam de hoofdstad was van het Koninkrijk der Nederlanden was in feite een veeg teken. Tijdens de Republiek had hij die officiële titel niet gehad, maar wist iedereen wel dat het zo was.

Gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw leek de hoofdstad hard op weg in economisch en cultureel opzicht een ‘dode stad’ te worden. Van de dynamiek die steden als Londen, Parijs, Berlijn, Wenen en Brussel voortstuwde, viel hier weinig te bespeuren. Hier woonde Jan Salie, de bête noire uit Potgieters Jan, Jannetje en hun jongste kind, ‘de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen ten onzent’.

Dat dit beeld van Amsterdam zo negatief is, komt voor een deel doordat de stad in het laatste kwart van de negentiende eeuw op veel terreinen een stormachtige ontwikkeling doormaakte en doordat met name de generatie van de Tachtigers een karikaturaal beeld van haar ouders en grootouders heeft geschetst. ‘De slaap van de stedenmaagd (…) was niet zo diep als veelal wordt beweerd, het ontwaken niet zo abrupt als vaak is voorgesteld’, schrijven de redacteuren in het derde deel (en vierde boek) van deze onvolprezen Geschiedenis van Amsterdam.

Gedurende de gehele negentiende eeuw was er sprake van ontwikkeling, al zou het tempo hiervan pas na 1860 worden versneld. Het conservatisme en traditionalisme maakten plaats voor liberale opvattingen en de dynamiek van de industriële revolutie. De stad waagde zich eindelijk buiten zijn zeventiende-eeuwse omwalling; grote infrastructurele werken zorgden voor een enorme impuls; en cultuurbolwerken als het Rijksmuseum, Artis, het Concertgebouw en het Paleis voor Volksvlijt gaven de stad een heel ander aanzien.

Met de economische groei namen ook de sociale en religieuze spanningen toe. Het socialisme kwam op en bij een spontane woede-uitbarsting als het Palingoproer van 1886 vielen 26 doden. Toch was het niet alleen het proletariaat dat naar revolutionaire middelen greep. Tussen de talloze illustraties in dit prachtig uitgegeven boek staat een foto van de beschadigde deur van de consistorie van de Nieuwe Kerk. Een half jaar voor het Palingoproer hadden Abraham Kuyper en zijn orthodox-calvinistische medestanders zich namelijk met geweld toegang verschaft tot deze kerk. Toch zouden niet alleen de gereformeerde broeders maar ook de veel oproeriger socialisten binnen niet al te lange tijd worden gedomesticeerd. Maar dat verhaal zal grotendeels worden beschreven in het volgende deel.