Monarchie: Dromen over Máxima

Hier zijn we. Vermaak ons

Marie-Antoinette was een lichaam zonder ziel, Diana een glimlachend wrak, Kate is een aankleedpop. Juliana was een warhoofd, Beatrix de immer competente ijskoningin. En nu komt Máxima.

Medium maxima erwinolaf

De betovering van het koningshuis reikt ver. Ook de mensen die er eigenlijk weinig van willen weten, of zeggen te willen weten, komen er niet onderuit. Johnny Cash droomde over de koningin, en schreef een van zijn indringendste nummers. Niet dat in het apocalyptische The Man Comes Around nog een glimp van een breiende Elizabeth te vinden is, want zo zag hij haar voor zich in zijn droom, breiend, en dat ze hem aankeek en riep: ‘Johnny Cash! You’re like a thorn tree in a whirlwind’, maar ze stond wel aan de wieg van regels als deze: ‘Hear the trumpets hear the pipers/ One hundred million angels singin’.’

Dat kwam zo. Hij was in Nottingham, Engeland, voor een optreden en kocht in de plaatselijke boekhandel een intrigerend boekwerk, Dreaming of the Queen. Prompt die nacht droomde hij dat hij Buckingham Palace in liep, en ja, daar zat ze, te praten en te lachen met een andere vrouw. En te breien dus, of te naaien; naast haar op de grond stond een mandje, met ‘fabric and lace’.

Ramsey Nasr, tot voor kort dichter des vaderlands, droomde over de koningin en schreef een van zijn meest dramatische gedichten, O, zoete onbereikbaarhei __d_ :_ ‘Nu stond zij daar, een schemer aan het hoofd van mijn dromende lichaam/ en links van mij duikelde de zon en rechts begon zij rustig te stormen, oranje/ daalde ze over me neer, met alle gloeitristesse die ze had (…)’

Het boek dat Cash in Nottingham vond deed me denken aan een boekje dat ik zo’n tien jaar geleden kocht: I Dream of Madonna. Net als in het dromenboek over de koningin staan hierin dromen verzameld van ‘gewone’ mensen, vrouwen veelal, die gered worden, omhelsd of anderszins aangeraakt door een huiselijke versie van een onbereikbare figuur. ‘Ik stond in de rij voor de kassa en voor me stond Madonna, alleen was ze nog maar twaalf. Toen ik met haar stond te praten, kon ik alleen maar denken: hoe kan ooit iemand zich gekwetst voelen door dit twaalfjarige meisje?’

In het Madonna-boekje worden de dromen lichtelijk feministisch geïnterpreteerd richting het vrouwelijke libido dat bevrijd moet worden. In Dreaming of the Queen wordt de vraag wat algemener opgeworpen: wat maakt toch dat de monarchie bezit kan nemen van ’s mensen onbewuste, zozeer dat ze ervan gaan dromen? Bijvoorbeeld dat ze een kopje thee met de koningin drinken in een al dan niet koninklijke setting, of een pint in een pub met haar pakken, of dat de majesteit zelve een vrachtwagen bestuurt op een lange-afstandsrit, koffie serveert. Dat ze haar in een winkel tegenkomen en haar geld lenen, want een koningin heeft zelf nooit geld op zak. Of, zoals Ramsey Nasr droomde, dat Beatrix wilde buigen maar dat het niet ging.

Vrolijk, nog net niet triomfantelijk, wordt in het boek gesteld dat juist diegenen die zeggen weinig of niks te ‘hebben’ met de monarchie fervente koninginnendromers zijn. En om meteen maar alle hoop op enige deugdelijke bewijs­voering van die kant te kunnen laten varen: alleen omdat iemand zich niet herinnert ooit over de koningin te hebben gedroomd, betekent nog niet dat zo’n droom er nooit geweest is.

Veel van de dromen komen er overigens op neer dat de koningin oog heeft voor verborgen talenten van de dromer, die maar niet opgemerkt willen worden door vrienden of familie. Maar wat dát dan weer betekent? In de uitleg van de dromen wordt voortdurend benadrukt hoezeer het volk kennelijk onbewust oog heeft voor het menselijke aspect van zijn koningin. Hoe aardig, hoe sympathiek, hoe ‘gewoon’. Nasr: ‘U bent mijn eigen aangetaste moeder.’ Terwijl het tegenovergestelde toch net zo hard kan worden beweerd: dat de koningin juist vanwege haar ongewoonheid die verlossende rol krijgt toebedeeld, of die zienersgave. Is het niet in ons wakende leven, dan wel in ons oncontroleerbare onbewuste. ‘Hear the trumpets hear the pipers/ One hundred million angels singin’.’

Op de schaal gewoon-ongewoon is toekomstig koningin of eeuwig prinses Máxima nog niet zo eenvoudig te plaatsen. Alleen al vanwege haar sekse zou zij naadloos kunnen aansluiten in de rij Emma, Wilhelmina, Juliana, Beatrix. En haar populariteit is groot. Maar hángt zij dan ook daadwerkelijk tussen de koninginnen, met naam en toenaam op een wapperend banier aan de gevel van Magna Plaza, pal achter het Paleis op de Dam, dan is dat toch eigenlijk ook niet goed. Want wat denkt zij wel, het meisje van buiten dat onze prins aan de haak heeft geslagen? Misschien willen we haar uiteindelijk de officiële koninginnenstatus verlenen, maar dan zou ze daar niet zelf al het voorschot op moeten nemen. Bijvoorbeeld door te zeggen, vlak nadat de troonswisseling bekend werd, dat ze ‘zeer vereerd was haar schoonmoeder op te mogen volgen’. Haar gebrek aan gevoel voor verhoudingen verraadt haar burgerlijke gretigheid.

Een achtergrond die ze gemeen heeft met de twee laatste grote Engelse prinsessen, Diana en Kate. Over de speciale aantrekkingskracht die van de vrouwelijke leden van het koningshuis uitgaat, hield Hilary Mantel, schrijfster van onder meer de historische roman Wolf Hall, onlangs een redevoering die misschien onbedoeld wat cynisch uitpakte. Ze trok hierin een lijn van Anne Boleyn naar Kate Middleton, via Diana en Marie-Antoinette. Een bloedrode lijn, gemarkeerd door miskraam, bevalling, car crash en onthoofding. Een lijn ook geheel bepaald door al dan niet aanwezige broedkwaliteit. Zijn ze gezond, kunnen ze zich voortplanten? Dat was altijd vraag numero uno. Toen aangekondigd werd dat Diana lid zou worden van de koninklijke familie beklopte de Duke of Edinburgh nog net niet haar flanken. Het huwelijk kon in zijn ogen goedkeuring wegdragen, want: ‘She would breed in some height.’

Het fijne van Kate, afgezien van het feit dat ze vruchtbaar is, is dat ze zo ‘irreproachable’ is, in de terminologie van Mantel. Letterlijk ‘onverwijtbaar’, maar met een normaler Nederlands woord: onberispelijk. Dit natuurlijk vooral in vergelijking met haar betreurde schoonmoeder, van wie vanaf dag één dat ze in de media opdook de neuroses afspatten. Maar die zich ook vanaf dag één liet piepelen. Toen de eerste foto van haar gemaakt mocht worden, kuis en zedig voor het kinderdagverblijf waar ze werkte, kindertjes rondom, werd ze zo gepositioneerd, tegen de zon in, dat je door haar rok heen kon kijken. In 1980 begon aldus een nieuwe wereld, met de ontdekking dat de toekomstige Princess of Wales benen had.

Je kunt intens mededogen hebben met de vrouwen die in de koninklijke kooi vast komen te zitten, en ze tegelijkertijd een beetje haten. Want waar waren ze op uit in the first place? Wat hadden ze dán gedacht? Kate Middleton lijkt vooralsnog de perfecte paspop in de ogen van Hilary Mantel, ontworpen door een comité van aanbeveling: pijnlijk dun, zonder gekkig­heden, zonder dat het risico aanwezig lijkt dat ze karakter heeft. Een soort Stepford Wife, bij wie vergeleken Diana al te menselijk was, vreemd en emotioneel, zonder remmingen.

Met terugwerkende kracht is het adembenemend om een willekeurig fotoboek door te bladeren met foto’s van Diana, zozeer bleek zij door de jaren heen in staat verschillende gedaantes aan te nemen, van ingetogen en verlegen naar extreem sexy en los, en dat dan – onweerstaanbaar – ook nog eens allemaal tegelijk. In het tragische en tegelijkertijd het dorstige, passieve, is ze de evenknie van Marilyn Monroe, ook zo’n eeuwig gewond meisje deep down. Kom me redden, neuken, doe íets, iedere foto is een cry for help.

Kate heeft maar één transformatie in huis, oreerde Mantel: die van perfecte bruid naar perfecte moeder. Ze is keurig opgevoed, het ‘dankjewel’ en ‘alsjeblieft’ liggen in haar mond bestorven. Geen sex-appeal, geen benen ook, maar wel al op haar eerste officiële staatsieportret ‘dode ogen’. Ze zou met die foto zo op de cover van een roman van Catherine Cookson passen, volgens de kenners. Let wel: dat zijn de boeken die al een jaar of twintig in Engeland de bestseller­lijsten aanvoeren, en steevast het sprookje vertellen van het meisje dat zich aan haar armzalige omstandigheden weet te ontworstelen.

In haar biografie De Diana-legende schrijft Tina Brown over de literaire voorkeuren van Diana: de 723 liefdesromans die zwijmelkoningin Barbara Cartland schreef. Deerne in nood wordt gered door prins of gelijkwaardig personage, dat werk. Ze zouden voorgoed haar blik vergiftigd hebben, haar geest verlamd. In de playboy James Hewitt zag ze de zwierige cavalerie-officier. In de ernstige en gesloten cardioloog Hasnat Khan zag ze de hartveroverende arts die haar op haar Florence Nightingale-missies terzijde zou staan. In de aan cocaïne verslaafde Dodi Fayed zag ze de Arabische sjeik met de glanzende ogen die haar zou ontvoeren op zijn vliegend tapijt. En wat ze in Charles zag? Ze geloofde in sprookjes, definitely.

Sue Townsend, een andere Engelse schrijfster, onder meer van de Adrian Mole-serie, noemde Diana een ‘fatal non-reader’: ze kende het einde van haar eigen verhaal niet.

Niet dat lezen alles is, maar wat zou Máxima lezen? Is ze überhaupt een lezer?

De magie van Máxima is deels wat ze gemeen heeft met Diana en Kate: het aloude sprookje van het gewone meisje dat prinses wordt. De koninklijke status komt daarmee binnen het bereik van ons allemaal. Of ze vervolgens nog lang en gelukkig leven, dat doet er eigenlijk niet eens toe. Het gaat vooral om dat moment van uitverkorenheid. Bruce Springsteen die Dancing in the Dark zingt en uit het uitzinnige publiek één meisje met stralende ogen pikt en op het podium trekt om met hem te dansen. Natuurlijk kiest hij haar uit, zo gauw ze daar stond in haar witte T-shirt en strakke spijkerbroek had het nooit iemand anders kunnen zijn dan zij. Dan wil je eigenlijk niet eens weten dat het allemaal geregisseerd is, en dat het meisje Courteney Cox heet die nog heel bekend zal worden als Monica in de televisieserie Friends.

Die scène, met de hand van Bruce, de opengesperde blik van het meisje (‘Echt? Bedoel je mij?’), is in mijn herinnering verankerd, zoals ook de rode jurk waarin Máxima zich voorstelde aan het Nederlandse volk in mijn geheugen ligt opgeslagen. Later werd die jurk door de modepolitie weggezet als braaf, te zeer een seksloze schoondochtersjurk, maar die jurk was op dat moment gewoon goed, en zelfs leuk, door de opvallende kleur en de strakke, klassieke snit. Een zogenaamd ‘prinsessenmodel’, simpel, en met zijn rechte lijnen vooral dienstbaar aan het lichaam van de draagster.

Van meet af aan maakte het optreden van Máxima indruk. Omdat ze mooi was, op een intelligente manier. Marie-Antoinette was, als ik Hilary Mantel mag geloven, een en al lichaam zonder ziel: geen ziel, geen verstand, geen gevoel, vastgezet in haar verschijning en haar verschijning alleen. Ze was een vrouw die van meet af niet kon winnen. Diana was een glimlachend wrak, afkoersend op een ramp. Kate is die aankleedpop, onberispelijk en saai, zij het met een parelende lach. Juliana – om maar even in de evaluerende mood te blijven, al merk ik dat hoe dichter we bij huis komen, hoe meer dat toch als een vorm van heiligschennis aanvoelt – was een labiel warhoofd, geslagen door het lot en daarmee een potentieel ongeleid projectiel. Beatrix in reactie daarop de immer competente ijskoningin, te bang om welk steekje dan ook te laten vallen. Zelfs in de grofste punkliedjes rond haar geen-woning-geen-kroning-feestje durfde men het niet aan haar te tutoyeren, zoals in het nummer Majesteit van de Delftse band De Straks: ‘Kóningin! Májesteit! Rot u nou maar op het is de hoogste tijd!’

En Máxima, onze Máxima zou ik bijna zeggen, lijkt zowaar wel een echte vrouw. Ze heeft glamour, maar ook guts. Ze is lichaam én geest. Ze spreekt Purmerend aan, maar ook Amsterdam-Zuid. Sjiek met een zweempje ordinair. Ze is niet onberispelijk, maar alles in het menselijke. De foute vader van wie ze desondanks houdt, geeft haar net dat pijnlijke randje. Ze straalt seks uit, maar gezonde seks. Willem-Alexander heeft zijn water, zij haar micro­krediet. Ze heeft meer dan goeie breeding qualities, want blijkt de perfecte doorgeefster van de Oranje-genen.

Och, wat lijken de dochters op hun vader.

Tegelijkertijd denk ik: dit is dus waar nowadays, heute, nú, het discours over het koningshuis op uitdraait. Of ik nu wil of niet, ik doe ook maar alsof er iets echts over te zeggen valt. Terwijl het per definitie buiten iedere orde valt. Óf je gaat mee in het verheerlijken, het omhelzen van de laatste irrationele factor in ons bestel, of je beperkt je tot een staatsrechtelijke verhandeling. De rest, en dat is nog heel veel, is loos gezwets.

Ooit, en dan heb ik het over niet eens zo heel lang geleden, was het koningshuis iets wat je ook gewoon niet kon interesseren. Waarover je je schouders ophaalde. Lag het in de sfeer van Hollywood, sterrendom, boulevardpers, reuzenpanda’s. Jaren geleden vertelde iemand me volkomen ernstig iets over wat Jodie Foster had gezegd bij de Oscar-uitreikingen. Dat ze het ook best wel moeilijk had gehad of zoiets, en daarom nu des te dankbaarder was. Jodie Foster? dacht ik. Maar die bestaat toch helemaal niet? Sinds wanneer moet ik denken dat Jodie Foster echt iets heeft gezegd over wat ze echt heeft gevoeld? Het zou net zoiets onvoorstelbaars zijn als de memoires gaan lezen van Natalie Wood, me verdiepen in Pamela Anderson. Rond diezelfde tijd verongelukte Diana in die tunnel in Parijs. Ik had net zo goed kunnen horen dat Mickey Mouse was overleden. ‘Voices callin’, voices cryin’/ Some are born and some are dyin’.’

Maar toen moest die hele bloemenzee nog komen, en dat liedje van Elton John. Achteraf gezien was dit wéér een moment dat een nieuwe wereld begon, met de ontdekking dat de leden van het koninklijk huis mensen waren die je zouden kunnen beroeren, in plaats van flat characters in een B-roman. Of in ieder geval hun best deden op mensen te lijken. De koningin die zich laat kussen. De prins die zijn stropdas afwerpt. En wij, de burgers, gingen erin mee.

Ik ga erin mee, door over Máxima te schrijven alsof ze gemaakt is van hetzelfde materiaal als ik, van vlees en bloed.

Een vroegere collega is ambtshalve op bezoek bij prins Willem-Alexander, niet lang nadat zijn verloving met Máxima bekend is gemaakt. ‘Hij doet aan de lijn’, vertelt hij blij. ‘Zei hij dat?’ vraag ik. Bij de borrel werd rauwkost geserveerd, in elegante stengels in hoge glazen. Zonder dipsaus. Op de een of andere manier was dat een saillant feit, nieuwswaardig genoeg om keer op keer te vertellen.

Connie Palmen slaat tijdens een plechtigheid een arm om Beatrix heen, en voelt plotsklaps haar bh-sluiting door de stof van haar jurk heen. Ze smelt. En ervaart tegelijkertijd met een schok haar menselijkheid. Opeens is de koningin een vrouw die ’s ochtends haar bh om heeft gedaan, haar haren in de lak heeft gezet, wel eens ergens tegenop zou kunnen zien.

Hilary Mantel zal niet zo ver gegaan zijn om Queen Elizabeth te omarmen. Terwijl ze ook zag hoe eenzaam en alleen de koningin was op een boekenfeestje in Buckingham Palace, waarbij iedereen ruim baan maakte om haar te laten passeren. Liever werd het behang bestudeerd, en de gordijnen bevingerd, dan dat ook maar iemand oogcontact met haar maakte. Tot Mantel het niet kon laten haar aan te staren toen ze haar rakelings voorbij schreed. Ze keek en keek, en keek, als een kannibaal naar zijn hapje, ‘my gaze sharp enough to pick the meat off her bones’. Toen Elizabeth opeens terugkeek, schrok Mantel zich dood. Vooral omdat ze in een flits het meisje in haar zag, verward door de scherpe blik die ze kennelijk op zich voelde branden, om een halve seconde later al weer te bevriezen in de koninginnenmodus. Het was niet persoonlijk bedoeld, wilde Mantel zich excuseren, het was de monarchie waar ik naar zat te staren.

Want dat is ook nog eens zoiets. Het koningshuis is er niet om aangeraakt, maar om aangestaard te worden. Alle afkeer van protocolfetisjisme ten spijt, koning Willem-Alexander bestaat dankzij het protocol. Als we hem geen koning meer hoeven te noemen, dan kan hij er net zo goed niet zijn.

Het is kenmerkend voor Máxima dat ook zij probeert iedere mogelijke afstand tussen haar en het volk te minimaliseren. ‘Iedereen noemt me Máxima, hoor’, verklaarde ze in het staatsinterview op televisie. ‘Uiteindelijk, koningin of prinses, het doet er niet toe. Het is meer wat wij vertegenwoordigen dan de titel.’

Maar wat vertegenwoordigt ze dan? Op de cover van welke roman zou haar foto niet misstaan? Als het er allemaal niet toe doet, belandt ze op een polderthriller van Saskia Noort.

Deze maand staat ze in ieder geval óók op de cover van de glossy voor hippe moeders, Kek Mama. ‘Wat wij van Máxima kunnen leren’, staat in grote letters naast haar foto met een van haar dochters. Onder meer dit: blijf trouw aan je roots! En ook: druk = leuk! En ze staat op de cover van de Fab, ‘dé gids voor 35+ vrouwen’: ‘Kijk de kunst af bij Máxima: haar levensfilosofie, sprankelende energie én inspirerende kledingkast.’ Privé roept haar uit tot de beauty queen van Nederland. Modebloggers roemen haar lef om na vier jaar gewoon opnieuw die ene succesjurk uit de kast te trekken. O, zoete onbereikbaarheid.

‘Solemnity can be something for the people’, becommentarieerde kunsthistoricus Simon Schama de traditionele huwelijksplechtigheid van prins William en Kate Middleton tijdens de bbc-uitzending. Vrij vertaald: plechtigheid kan goed vallen bij het volk. Schama zei het toen de muziek opklonk tijdens de dienst in Westminster Abbey, de hymne Guide Me, O Thou Great Redeemer die ook ten gehore werd gebracht bij de uitvaart van Diana. ‘Een kippenvelmomentje’, aldus de nos-commentator. Door Máxima’s ingetogen en toch niet te stelpen tranenvloed bij het beluisteren van Adiós Nonino, door Ástor Piazzola geschreven toen zijn vader was overleden, beleefde ook Nederland zo’n momentje. Met één klap was het koningshuis geaccepteerd entertainment geworden, en de transformatie van Máxima Zorreguieta in Prinses der Nederlanden een onomkeerbaar feit.

En daar zijn we nu. Ergens tussen volks en verheven in. ‘Here we are now/ Entertain us.’

Aan Máxima zal het niet liggen. Daar staat ze, te dansen, alsof het nooit iemand anders had kunnen zijn dan zij.


Beeld: Erwin Olaf