Kunstlessen van onze voorouders

Hier zijn wij, wezens zoals jullie

De grotkunst van de Oude Steentijd verraadt dat onze voorouders meer zelfrelativering hadden dan wij, hun narcistische nazaten.

Prehistorische schildering in de grotten van Cogul in de provincie Lerida, Spanje © JMN / Getty Images

In 1940 tuimelden vier tienerjongens in het door Duitsland bezette Frankrijk, bijna letterlijk, in de Oude Steentijd. Volgens een versie van het verhaal – en er zijn er vele – waren ze aan het wandelen in de bossen bij het stadje Montignac toen de hond die ze bij zich hadden plotseling verdween. Een snelle zoektocht bracht aan het licht dat het dier in een gat in de grond was gevallen, dus maakten ze – in de geest van Kuifje, waar de jongens waarschijnlijk bekend mee waren – de gevaarlijke afdaling van vijftien meter om de hond te vinden. Dat lukte, maar ze vonden nog veel meer, vooral toen ze later terugkwamen met paraffine-lampen.

Het gat in de grond bleek de ingang van een grot, waarvan de wanden en het plafond waren bedekt met kleurrijke schilderingen van dieren die in de twintigste-eeuwse Dordogne niet meer voorkwamen – bizons, oerossen en leeuwen. Een van de jongens, een leerling-monteur, vertelde later dat ze – verbijsterd en opgetogen – in de grot begonnen rond te hollen als ‘een groep wilden die een oorlogsdans opvoerden’. Een ander herinnerde zich dat de getekende dieren in het flikkerende licht van de lampen leken te bewegen. ‘We waren helemaal gek’, zei weer een ander, ook al kan de verzadiging met koolstofdioxide in de slecht geventileerde grot daar iets mee te maken hebben gehad.

Dit was de beroemde grot van Lascaux, die een magneet werd voor toeristen, totdat hij uiteindelijk gesloten moest worden voor bezoekers omdat hun adem de kunstwerken begon aan te tasten. Vandaag, bijna een eeuw na de ontdekking, weten we dat Lascaux deel uitmaakt van een mondiaal fenomeen waar oorspronkelijk naar verwezen werd als ‘gedecoreerde grotten’. Die zijn op ieder continent gevonden, behalve in Antarctica – alleen al in Europa minstens 350. De meest recente ontdekkingen deden zich voor op de Balkan (april 2019) en Indonesië (deze maand). Op mysterieuze wijze, gezien de afstand ertussen, zijn al deze grotten versierd met soortgelijke ‘decoraties’: handafdrukken, abstracte patronen met stippen en gearceerde lijnen, en grote dieren, zowel carnivoren als herbivoren, waarvan de meeste nu uitgestorven zijn. Niet al deze beelden verschijnen in ieder van de grotten – sommige hebben alleen handafdrukken of megafauna. Paleo-archeologen concluderen dat de schilderingen werden gemaakt door onze verre voorouders, hoewel de grotten geen afbeeldingen bevatten van mensen die aan het schilderen zijn.

Er zijn wel mensachtige wezens te zien, of wat sommige archeologen voorzichtig ‘mensachtigen’ noemen, verwijzend naar de tweebenige poppetjes die soms kunnen worden aangetroffen aan de rand van de panelen met dierlijke afbeeldingen. De niet-menselijke dieren zijn geschilderd met bijna bovennatuurlijke aandacht voor de details van hun koppen en spieren, maar de mensachtigen op de grotwanden hebben geen gezichten.

Dit trof me met onverwachte kracht, zonder enige twijfel vanwege mijn eigen bijzondere historische situatie, bijna twintigduizend jaar na de creatie van de grotkunst in kwestie. Rond 2002 zijn we het tijdperk van de ‘selfies’ binnengetreden, waarin iedereen gefascineerd lijkt door zijn elektronische zelfportret – gekleed of niet gekleed, opgemaakt of naturel, feestend of denkend – en vastbesloten om die zo breed mogelijk te verspreiden. Vervolgens kreeg Amerika in 2016 een president van wie het aardigste wat je over hem kunt zeggen is dat hij een narcist is. Ik weet dat dit een slordig gedefinieerde psychologische toestand is, maar passend bij een man die zó verliefd is op zijn eigen beeltenis dat hij zijn golfclubs heeft behangen met nep-covers van Time waar hij zelf op staat. Daarbovenop hebben we een ontruimingsbevel gekregen van onze eigen planeet: de poolgebieden veranderen in smeltwater. De bewoners van het zuidelijk halfrond stromen noordwaarts naar klimaten die gastvrijer zijn voor voedingsgewassen. In juli bereikte de temperatuur in Parijs het record van 42,6 graden Celsius.

Je zou kunnen zeggen dat mijn plotselinge obsessie met grotkunst een fletse variant is van de afdaling van de jongens uit het door de nazi’s bezette Frankrijk in de grot van Lascaux. Artikelen in The New York Times raadden verontruste lezers aan hun toevlucht te zoeken in ‘zelfhulp’-achtige maatregelen zoals meditatie, natuurwandelingen en massages, maar niets daarvan sprak mij aan. In plaats daarvan koos ik ervoor om periodiek vrijaf te nemen van wat we ‘het Verzet’ noemden om mezelf vol overgave op de paleo-archeologie te storten. In mijn geval was dat niet alleen een soort ontsnapping. Ik werd blij van onze vergelijkenderwijs ego-loze voorouders die heel erg hun best hadden gedaan om adembenemende kunst te maken – en die niet eens te signeren.

—————

Grotkunst maakte een diepgaande indruk op zijn twintigste-eeuwse bewonderaars, waaronder de jonge ontdekkers van de grot van Lascaux. Minstens een van hen kampeerde in de winter van 1940/’41 bij het gat dat naar de grot leidde om hem te beschermen tegen vandalen en wellicht ook tegen de Duitsers. Meer illustere bezoekers hadden soortgelijke reacties. In 1928 schreef de kunstenaar Amédée Ozenfant over de kunst in de grot van Les Eyzies: ‘O, die handen! Die silhouetten van handen, uitgespreid en gedrukt op een achtergrond van oker! Ga ze zien. Ik beloof u de meest intense emotie die u ooit heeft gevoeld.’ Hij zei dat de paleolithische kunstenaars een inspiratiebron vormden voor de moderne kunst, en in zekere mate was dat ook zo. Jackson Pollock eerde hen door handafdrukken achter te laten aan de rand van ten minste twee van zijn schilderijen. Pablo Picasso bezocht naar verluidt de beroemde grot van Altamira voordat hij Spanje in 1934 ontvluchtte, en zei toen hij weer boven de grond kwam: ‘Na Altamira is al het andere slechts decadentie.’

Uiteraard leidde grotkunst eveneens tot de vraag die door alle waarlijk fascinerende artistieke producties wordt opgeworpen: ‘Maar wat betekent het?’ Wie behoorden tot het beoogde publiek en wat moest dat eraan ontlenen? De ontdekkers van de grot van Lascaux togen met hun vragen naar een van hun leraren, die de hulp inriep van Henri Breuil, een priester die bekendstond als ‘de paus van de prehistorie’.

Het zal geen verrassing zijn dat hij met een ‘magisch-religieuze’ interpretatie op de proppen kwam, waarbij het woordje ‘magisch’ bedoeld was om het paleolithisch geloof, wat dat ook mag zijn geweest, te onderscheiden van het heersende monotheïsme van de moderne wereld. In meer praktische zin stelde hij voor dat de geschilderde dieren bedoeld waren om op magische wijze de echte dieren aan te trekken die zij vertegenwoordigden, om de mensen beter in staat te stellen op hen te jagen en ze te eten.

Helaas voor zijn theorie blijkt dat de dieren op de grotwanden niet de dieren waren waar de kunstenaars doorgaans hun maaltijd van maakten. De scheppers van de kunst in Lascaux aten bijvoorbeeld rendieren, en niet de veel grotere herbivoren die in de grot waren afgebeeld, die voor mensen gewapend met speren met vuurstenenpunten heel moeilijk zouden zijn geweest om neer te halen voordat ze onder de voet gelopen werden. Vandaag de dag beantwoorden veel wetenschappers de vraag over de betekenis met wat neerkomt op een schouderophalen: ‘We zullen het misschien wel nooit weten.’

Wanneer pure nieuwsgierigheid, van het soort dat de ontdekkers van de grot van Lascaux motiveerde, niet volstaat om tot een zoektocht naar betere antwoorden te leiden, is er ook een morele parabel die ons de hand reikt vanuit die grot. Kort na de ontdekking werd het enige joodse jongetje uit de groep opgepakt en met zijn ouders naar een detentiecentrum gestuurd dat diende als halteplaats op weg naar Buchenwald. Hij werd op wonderbaarlijke wijze gered door het Franse Rode Kruis en kwam uit zijn gevangenschap tevoorschijn als wellicht de enige persoon op aarde die zowel de hel van het twintigste-eeuwse fascisme had gezien als de artistieke overblijfselen van de Oude Steentijd.

Als de paleolithische grotschilders zulke perfect naturalistische dieren konden creëren, waarom bieden ze ons dan geen glimp van de schilders zelf?

Dat laatste bood geen glimp van een aards paradijs, zoals moderne paleofielen ons willen laten geloven, waarin onze verre voorouders hun gemak ervan namen terwijl ze danswijsjes componeerden en op de botten van hoefdieren kauwden. Zoals we uit het archeologische dossier weten, was het een tijd van betrekkelijke vrede onder de mensen. Ongetwijfeld kwamen er moorden en spanningen voor tussen en binnen groepen mensen, maar het zou zeker nog eens tienduizend jaar duren voordat de oorlog werd uitgevonden als een georganiseerde collectieve activiteit. Grotkunst duidt erop dat mensen ooit betere manieren kenden om hun tijd door te brengen.

Áls het mensen waren; en de wereldwijde galerij van bekende grotkunst kent zó weinig poppetjes of tweebenigen van welke aard dan ook dat we het niet helemaal zeker kunnen weten. Als de paleolithische grotschilders zulke perfect naturalistische dieren konden creëren, waarom bieden ze ons dan geen glimp van de schilders zelf?

Bijna net zo vreemd als de afwezigheid van menselijke afbeeldingen in grotten is het gebrek aan wetenschappelijke belangstelling voor hun afwezigheid. In zijn boek What Is Paleolithic Art? wijdt de wereldberoemde paleo-archeolooog Jean Clottes slechts een paar pagina’s aan de kwestie voordat hij tot de conclusie komt dat ‘de essentiële rol die door dieren wordt gespeeld een duidelijke verklaring is voor het kleine aantal representaties van menselijke wezens. In de paleolithische wereld namen mensen niet de voornaamste plek op het toneel in.’ In een artikel dat vreemd genoeg verscheen bij de Amerikaanse Centers for Disease Control and Prevention wordt verbazing uitgesproken over het weglaten van naturalistische afbeeldingen van mensen, waarbij het fenomeen wordt toegeschreven aan de ‘onverklaarbare fascinatie van de paleolithische mens met wilde dieren’ (niet dat er destijds al niet-wilde dieren waren).

De marginaliteit van de menselijke figuren in grotschilderingen duidt erop dat het centrale drama van de Oude Steentijd zich, althans vanuit menselijk oogpunt, afspeelde tussen de diverse soorten megafauna – carnivoren en grote herbivoren. Onze eigen wereld kent nog maar zo weinig megafauna dat het moeilijk voorstelbaar is hoeveel grote zoogdieren er destijds rondliepen. Zelfs de herbivoren konden gevaarlijk zijn voor de mens, als de mythologie daar althans aanknopingspunten voor biedt: denk aan de buffeldemon die door de hindoegodin Durga werd vermoord, of aan de Kretenzische minotaurus (half mens, half stier), die alleen maar in bedwang kon worden gehouden door hem in een labyrint op te sluiten, dat – toevallig – ook een soort grot was.

Net zoals potentieel eetbare herbivoren als de oeros (gigantische, inmiddels uitgestorven runderen) gevaarlijk konden zijn, konden carnivoren onbedoeld behulpzaam zijn door bijvoorbeeld hun half-verorberde prooi achter te laten voor mensen om op te eten. Het paleolithische landschap bood een hoop grote dieren om naar te kijken en heel veel redenen om ze goed in de gaten te houden. Veel van deze dieren konden opgegeten worden – nadat ze bijvoorbeeld door mensen in een val waren gedreven; vele andere zouden maar wat graag mensen eten.

Maar ondanks de verraderlijke en levensbedreigende relaties tussen mensen uit de Oude Steentijd en de megafauna die zo’n groot deel van hun omgeving innam, hebben twintigste-eeuwse wetenschappers de neiging gehad om grotkunst te zien als een bewijs van de onversneden triomf van onze soort. Het was een ‘groot spiritueel symbool’, verkondigde een beroemde kunsthistoricus, die zelf aan de nazi’s was ontsnapt, voor een tijd waarin ‘de mens net was opgestaan uit een puur zoölogisch bestaan, toen hij – in plaats van gedomineerd te worden door dieren – hen begon te domineren’. Maar de poppetjes die worden aangetroffen in grotten als Lascaux en Chauvet stralen geen triomf uit. Gemeten naar de normen van onze tijd cijferen ze zichzelf in extreme mate weg en zijn ze, vergeleken met de dieren om hen heen, pathetisch zwak. Als deze gezichtsloze wezens eigenlijk in triomf aan het grinniken waren, kunnen we dat uiteraard op geen enkele manier te weten komen.

—————
Prehistorische schildering in de grot van Altamira in Cantabrië, Spanje © World History Archive / Alamy Stock Photo

We blijven zitten met één zwakke aanwijzing voor de manier waarop de grotkunstenaars aankeken tegen hun status in het paleolithische universum. Terwijl twintigste-eeuwse archeologen de neiging hadden prehistorische kunst te heiligen als ‘magisch-religieus’ of ‘sjamanistisch’, ontwaren hedendaagse, meer seculier georiënteerde waarnemers soms een ader van pure frivoliteit. Als we bijvoorbeeld even een kijkje nemen in een andere tijd en op een ander schilderoppervlak, zien we dat de Indiase mesolithische rotskunst weinig menselijke poppetjes ten tonele voert; waar die wel voorkomen, worden ze door moderne waarnemers beschreven als ‘komisch’, ‘verdierlijkt’ en ‘grotesk’.

Of neem de beroemde ‘vogelman’ van Lascaux, waar een poppetje met een lange, dunne erectie achterover valt bij het naderen van een bizon. Zoals Joseph Campbell het beschreef, opererend vanuit het magisch-religieuze domein: ‘Een grote bizonstier, opengereten door een speer die bij zijn anus naar binnen gaat en bij zijn seksuele orgaan naar buiten komt, staat voor een voorover liggende man. Laatstgenoemde (de enige grof geschetste figuur, en de enige menselijke figuur in de grot) verkeert in een sjamanistische trance. Hij draagt een vogelmasker; zijn fallus, stijf, wijst naar de doorboorde stier; een werpspies ligt op de grond bij zijn voeten; en naast hem staat een staf met aan het uiteinde het beeld van een vogel. En achter deze voorover liggende sjamaan staat een grote neushoorn, die zich blijkbaar ontlast als hij wegloopt.’

Haal de woorden ‘sjamaan’ en ‘sjamanistisch’ weg en je hebt een beschrijving van een ongepolijste – zeer ongepolijste – interactie tussen een mensachtige en twee veel grotere en sterkere dieren. Verkeert hij, de mensachtige, in een trance of is hij slechts tijdelijk overdonderd door de kracht en de schoonheid van de andere dieren? En wat kwalificeert hem überhaupt als sjamaan – het vogelmotief, dat paleo-antropologen, zich baserend op studies van bestaande Siberische culturen, automatisch associeerden met sjamanisme? Op dezelfde manier heeft een tweebenige figuur met een hertenhoofd, die is gevonden in de Trois Frères-grot in Frankrijk, de sjamanistische status toegekend gekregen, waardoor hij of zij een soort priester is geworden, ook al zou hij of zij net zo goed een feestmuts kunnen dragen. Zoals Judith Thurman schreef in het essay dat de inspiratiebron was voor Werner Herzogs film The Cave of Forgotten Dreams: ‘Paleolithische kunstenaars kozen er, ondanks hun voorkeur voor naturalisme, zelden voor om mensen af te beelden, en als ze dat wél deden was het met een grofheid die neigt naar spot.’

Maar wie bespotten zij, anders dan zichzelf, en – in het verlengde daarvan – ons? Onze reacties op paleolithische kunst hoeven uiteraard geen enkel verband te houden met de bedoelingen of gevoelens van de kunstenaars. Toch zijn er redenen om te geloven dat de paleolithische mens een gevoel voor humor had dat veel weg had van dat van ons. We lijken immers een esthetische gevoeligheid met hen te delen, zoals blijkt uit de hedendaagse reacties op de prachtige paleolithische afbeeldingen van dieren.

In de Oude Steentijd maakten mensen zich waarschijnlijk minder zorgen over de meningen van hun soortgenoten dan over de megafauna om hen heen

Wat mogelijke grappen aangaat: we beschikken over een rapport van een geoloog uit 2018 over een reeks fossiele voetstappen die in New Mexico zijn gevonden. Het zijn de voetafdrukken van een gigantische luiaard, met veel kleinere, menselijke voetafdrukken daarbinnen, waardoor de suggestie wordt gewekt dat de mensen opzettelijk in de voetafdrukken van de luiaard waren gaan staan en het dier op korte afstand volgden. Waren ze aan het oefenen om te jagen? Of, zoals een wetenschapsjournalist in The Atlantic opperde: is er niet ‘bijna iets speels’ aan de overlappende voetafdrukken, waardoor de indruk ontstaat dat ‘een groepje tienerkinderen de luiaard voor de lol aan het opjagen was’?

Ook is er het mysterie van de exploderende Venussen, waarbij we opnieuw stuiten op de dunne lijn tussen het religieuze (‘magisch’, uiteraard) en het belachelijke. In de jaren twintig van de vorige eeuw ontdekten archeologen in wat nu Tsjechië is een paleolithische keramiekworkshop, die zich leek te hebben gespecialiseerd in zorgvuldig vervaardigde kleine figuurtjes van dieren en, intrigerend genoeg, dikke vrouwen met grote borsten en billen (maar, conform de mode van die tijd, zonder gezichten). Dit waren de ‘Venussen’, oorspronkelijk geïnterpreteerd als ‘vruchtbaarheidssymbolen’ of als voorbeelden van paleolithische pornografie. Tot verbijstering van generaties onderzoekers bestonden de zorgvuldig vervaardigde vrouw- en dierfiguren vrijwel geheel uit fragmenten. Slordig vakmanschap, misschien? Een oververhitte oven?

In 1989 kwam een ingenieus team van archeologen erachter dat de klei die was gebruikt om de figuurtjes te maken doelbewust was behandeld om te exploderen als zij in het vuur werden gegooid, waardoor iets ontstond wat een kunsthistoricus een luide – en waarschijnlijk ook gevaarlijke – ‘paleolithische vuurwerkshow’ noemde. Dit, zo concludeerde het verhaal in The Washington Post op onheilspellende wijze, is ‘het eerste bewijsmateriaal dat de mens beelden creëerde, louter om ze te vernietigen’.

We zouden ook kunnen kijken naar het gedrag van bestaande mensen uit de Steentijd, wat geenszins een betrouwbare gids is voor het gedrag van onze verre voorouders, maar aanwijzingen zou kunnen bevatten voor hun aanleg voor humor. Evolutionaire psychiaters wijzen erop dat antropologen die in contact kwamen met voorheen geïsoleerd levende volkeren, zoals de negentiende-eeuwse Australische Aborigines, merkten dat ze grappen maakten op manieren die de antropologen konden begrijpen. Bovendien melden antropologen dat veel van de resterende jagers-verzamelaars ‘hevig egalitair’ zijn, en humor gebruiken om het ego van iedereen die over de schreef gaat te beteugelen: ‘Ja, als een jonge man veel vlees doodt gaat hij zichzelf zien als een leider of een grote man, en ziet hij de rest van ons als zijn dienaren of inferieuren. Wij kunnen dit niet accepteren. Wij wijzen opscheppers af, want op een dag zal zijn trots ervoor zorgen dat hij iemand vermoordt. Dus we zeggen altijd dat zijn vlees waardeloos is. Op die manier kunnen we zijn hart afkoelen en hem zacht maken.’

Sommige gelukkige jagers wachten er niet op om belachelijk te worden gemaakt en kiezen ervoor om zelf het vlees te bagatelliseren dat zij verkregen hebben, zodra ze weer in het kamp aankomen. In de context van een hechte groep mensen kan zelfspot beschermend zijn.

In de Oude Steentijd maakten mensen zich waarschijnlijk minder zorgen over de meningen van hun soortgenoten dan over de daden en bedoelingen van de veel talrijkere megafauna om hen heen. Zou de kudde bizons halthouden bij een bepaalde waterplek? Zouden er leeuwen opduiken om hen aan te vallen? Zou het veilig zijn voor de mensen om de restjes bizon mee te grissen die overbleven na het maal van de leeuwen? De ader van frivoliteit die door de paleolithische kunst lijkt te lopen kan voortgekomen zijn uit een correcte perceptie van de plaats van de mens in de wereld. Onze voorouders namen een lage plek in de voedselketen in, althans vergeleken met de megafauna, maar tegelijkertijd waren zij in staat om te begrijpen en te verbeelden hoe laag die plek was. Zij wisten dat ze vlees waren, en zij leken ook te wéten dat ze wisten dat ze vlees waren – vlees dat kon denken. En dat, als je er lang genoeg over nadenkt, is bijna grappig.

Schilderingen in de grot van Chauvet, circa 30.000 voor Christus, Frankrijk © Heritage Images / Getty Images
—————

Paleolithische mensen waren beslist in staat om realistischer mensen af te beelden dan poppetjes – menselijke figuren met gezichten, spieren en rondingen als gevolg van zwangerschap of vet. Tegels die zijn gevonden op de vloer van de La Marche-grot in Frankrijk zijn gegraveerd met karakteristieke gezichten, waarvan sommige een hoofddeksel dragen, en zijn veertien- tot vijftienduizend jaar oud. Een plechtig, merkwaardig driehoekig hoofd van een vrouw, uitgesneden in ivoor, werd eind negentiende eeuw in Frankrijk gevonden en onlangs gedateerd als ongeveer twintigduizend jaar oud. Dan zijn er de bovengenoemde ‘Venus’-figuurtjes die rond dezelfde tijd in heel Eurazië voorkwamen. Maar al deze vormen van kunst zijn klein en waren blijkbaar bedoeld om meegedragen te worden, zoals amuletten; dat was uiteraard niet mogelijk met grotschilderingen. Die moesten in hun grot blijven.

Hoe zit het dan precies met die grotten? De aantrekkingskracht van grotten als kunstenaarsstudio’s en galerieën vloeit niet voort uit het feit dat zij zo handig waren voor de kunstenaars. In feite zijn er geen bewijzen voor voortdurende menselijke bewoning van de beschilderde grotten, en dat geldt zeker voor de diepste, moeilijkst te bereiken spelonken waar zich de spectaculairste dierschilderingen bevinden. Grotkunstenaars mogen niet verward worden met ‘holbewoners’.

Ook hoeven we geen speciale menselijke affiniteit met grotten te veronderstellen, want de kunst die zij bevatten is tot ons gekomen door een eenvoudig proces van natuurlijke selectie: buitenkunst, zoals figuurtjes en beschilderde rotsen, is blootgesteld aan de elementen, waardoor het onwaarschijnlijk is dat zij tienduizenden jaren zal blijven bestaan. Paleolithische mensen lijken allerlei oppervlakken te hebben beschilderd, inclusief leer dat zij van dierenhuiden maakten en hun eigen lichamen en gezichten, met dezelfde kleur oker die zij gebruikten op de wanden van grotten. Het verschil is dat de schilderingen op de wanden van de grotten goed genoeg beschermd waren tegen de regen en de wind en de klimaatverandering om tienduizenden jaren te overleven. Als er iets bijzonders aan grotten was, was het dat zij ideale opslagplaatsen waren. ‘Grotten’, aldus paleo-archeoloog April Nowell, ‘zijn grappige kleine microkosmossen die verf beschermen.’

Als de schilders van de grot van Lascaux zich bewust waren van de beschermende eigenschappen van grotten, verwachtten zij dan toekomstige bezoeken aan die plekken, door henzelf of door anderen? Vóór de intrede van de beschaving waren jagers-verzamelaars ‘niet-sedentaire’ mensen, wat inhoudt dat ze voortdurend in beweging waren. Zij volgden de seizoenstrek van dieren en het rijpen van het fruit, en trokken waarschijnlijk ook rond om te ontsnappen aan de menselijke uitwerpselen die zich onvermijdelijk ophoopten rondom hun kampen. Deze kleinere migraties, versterkt door de intense en schommelende klimaatverandering in de Hoorn van Afrika, leidden uiteindelijk tot de exodus vanuit Afrika naar het Arabisch schiereiland, en van daar naar de rest van de aarde.

Onze voorouders lijken iets te hebben geweten wat wij ons nog maar moeilijk kunnen voorstellen: dat hun plaats in het grotere ‘plan der dingen’ niet erg hoog was

Omdat er zoveel gemigreerd werd, is het misschien mogelijk dat de paleolithische mensen zich voorstelden dat ze ooit naar een beschilderde grot zouden terugkeren, of – in een nóg grotere sprong der verbeelding – dat ze bezoeken voorzagen van anderen dan zijzelf. Als dat waar is, moet de grotkunst worden beschouwd als een soort harddisk en de schilderingen als informatie: niet alleen maar ‘hier zijn een paar dieren die je hier kunt tegenkomen’, maar: Hier zijn wij, wezens zoals jullie, en dit is wat wij weten.

Meerdere bezoeken van verschillende groepen mensen, wellicht gedurende een lange periode, kunnen het merkwaardige feit verklaren dat – zoals de onversaagde Franse jongens zagen – de dieren op de wanden van de grotten lijken te bewegen. Er is hier niets bovennatuurlijks aan. Als je beter kijkt, zie je dat de dierenfiguren gewoonlijk zijn samengesteld uit bovenop elkaar aangebrachte lijnen, wat erop duidt dat nieuwelingen in de grot over de lijnen heen schilderden die er al waren, min of meer als kinderen die de letters van het alfabet leren schrijven.

De grot was dus niet alleen maar een museum. Het was een kunstacademie waar mensen leerden schilderen van degenen die hun waren voorgegaan en vervolgens hun vaardigheden toepasten in de volgende geschikte grot die ze tegenkwamen. Al doende, en met de hulp van flikkerend licht, schiepen zij animatie. De beweging van groepen mensen door het landschap leidde tot de schijnbare beweging van de dieren op de wanden van de grotten. Naarmate mensen over ouder schilderwerk heen schilderden, verder trokken en weer gingen schilderen, werd grotkunst – of, bij ontstentenis van grotten, rotskunst – in de loop van tienduizenden jaren een mondiale meme.

—————

Er is nog iets met grotten. Ze waren niet alleen opslagplaatsen voor kostbare kunst, maar ook verzamelplekken voor mensen, soms misschien wel honderd tegelijk in een paar van de grotere kamers. Voor paleo-antropologen, met name degenen die neigen naar magisch-religieuze verklaringen, duiden zulke ruimtes onvermijdelijk op rituelen, waardoor de gedecoreerde grot een soort kathedraal wordt waarin mensen bijeenkwamen met een hogere macht. Beeldende kunst kan slechts één onderdeel zijn geweest van het geestverheffende spektakel; onlangs is veel aandacht besteed aan de akoestische kwaliteiten van grotten en aan de manier waarop zij een ontzagwekkend galmend geluid kunnen hebben gegenereerd. Mensen zongen, scandeerden en drumden, keken naar de levensechte dieren om hen heen, en werden misschien zelfs high: de grot als een ideale plek voor een rave. Misschien consumeerden ze ook wel ‘magische paddenstoelen’ die ze in het wild hadden gevonden, en schilderden ze dán de dieren, een mogelijkheid die wordt gesuggereerd door een paar hedendaagse berichten over Afrikaanse San-rotskunstenaars, die zichzelf in een staat van vervoering dansen voordat ze aan het werk gaan.

Elke decoratie van een nieuwe grot, of her-decoratie van een oude, vergde de collectieve inspanningen van tientallen of wellicht honderden mensen. Twintigste-eeuwse archeologen dachten dat ze het werk zagen van bijzonder getalenteerde individuen – kunstenaars of sjamanen. Maar Gregory Curtis wijst er in zijn boek The Cave Painters op dat er een hele menigte voor nodig was om een grot te decoreren – mensen om de wanden van de grot te inspecteren op scheuren en uitsteeksels die de vorm van megafauna konden suggereren, mensen om boomstammen de grot in te slepen voor de bouw van de steigers waarop de kunstenaars werkten, mensen om de okerverf te mengen, en nog weer anderen om de arbeiders van voedsel en water te voorzien.

Uit een zorgvuldige analyse van de handafdrukken die in veel grotten worden aangetroffen blijkt dat de deelnemers bestonden uit mannen en vrouwen, volwassenen en kinderen. Als grotkunst een andere functie had dan het behoud van informatie en het versterken van extatische rituelen, was het om de waarde van samenwerking te leren. Samenwerking – tot zelfopoffering aan toe – was cruciaal voor zowel de gemeenschappelijke jacht als de collectieve defensie.

In zijn boek Sapiens benadrukt Yuval Noah Harari het belang van collectieve inspanningen in de evolutie van de moderne mens. Individuele vaardigheden en moed hielpen, maar dat gold ook voor de bereidheid om een te zijn met je groep: om niet uiteen te wijken als er een gevaarlijk dier naderde, niet in een boom te klimmen en de baby achter te laten. Misschien overtrof, in de context van een door dieren gedomineerde planeet, de behoefte aan menselijke solidariteit de behoefte aan individuele erkenning wel zozeer dat mensen – althans in de artistieke weergave – geen gezichten nodig hadden.

—————

Al dit grotschilderen, migreren en overschilderen van (op)nieuw gevonden grotten kwam grofweg twaalfduizend jaar geleden ten einde, met wat de ‘Neolithische Revolutie’ is genoemd. Bij gebrek aan lastdieren en wellicht moe van al het rondtrekken, begonnen mensen zich te vestigen in dorpen en uiteindelijk in ommuurde steden; zij vonden de landbouw uit en temden vele wilde dieren waarvan de voorouders zo prominent hadden gefigureerd in de grotkunst. Zij leerden te weven, bier te brouwen, erts te smelten en steeds scherpere messen te vervaardigen.

Maar het comfort dat deze sedentaire levenswijze met zich meebracht kende een verschrikkelijke prijs: eigendom, in de vorm van opgeslagen graan en eetbare kuddedieren, verdeelde de samenleving in klassen – een proces dat antropologen behoedzaam ‘sociale stratificatie’ hebben gedoopt – en verleidde mensen tot het voeren van oorlogen. Oorlog leidde op zijn beurt tot slavernij, met name voor de vrouwen van de verslagen partij (verslagen mannen werden doorgaans afgeslacht), en veroordeelde het gehele vrouwelijk geslacht tot het stigma dat verbonden is met concubines en huishoudelijke hulp. Mannen verging het beter, althans een paar van hen. De meest vooraanstaanden verwierven de status van koning en uiteindelijk die van keizer. Waar de sedentaire levenswijze en de landbouw vaste voet aan de grond kregen, van China tot Zuid- en Midden-Amerika, nam dwang van de machtigen de plaats in van samenwerking onder gelijken. Naar Jared Diamonds mening was de Neolithische Revolutie ‘de ergste vergissing in de geschiedenis van het menselijk ras’.

In ieder geval gaf zij ons een gezicht. Te beginnen met de onverzoenlijke ‘moedergodinnen’ van het neolithische Midden-Oosten en zich uitbreidend tot de plotselinge proliferatie van koningen en helden in de Bronstijd, lijkt de verschijning van menselijke gezichten een karakterologische verandering in te luiden – van de ethos van solidariteit van kleine, rondtrekkende groepen naar wat wij nu narcisme noemen. Koningen en soms ook hun metgezellen waren de eersten die konden genieten van de nieuwe merktekenen van persoonlijke superioriteit – kronen, juwelen, massa’s slaven en de arrogantie die daarmee gepaard ging.

In de loop der eeuwen verspreidde het narcisme zich ook naar de bourgeoisie die, in het zeventiende-eeuwse Europa, begon met het schrijven van memoires en het laten maken van portretten. In onze tijd kan iedereen die zich een smartphone kan veroorloven zijn of haar eigen beeltenis verspreiden, zijn of haar vluchtigste gedachten ‘delen’ op de sociale media, en zijn of haar unieke ‘merk’ aanprijzen. Het narcisme is gedemocratiseerd en – althans in kleine stukjes – beschikbaar voor ons allen.

Dus waar hebben we die beschilderde grotten nog voor nodig? Eén verontrustend mogelijk gebruik is in de afgelopen tien jaar opgekomen – als schuilplaatsen totdat de gevolgen van de apocalyps voorbij zijn. Nu de zeespiegel stijgt, het weer verandert in een reeks heftige stormen, en de armen van de wereld steeds opstandiger worden, kopen de superrijken lege nucleaire silo’s op en veranderen ze die in ‘Doomsday-bunkers’ waar tientallen gezinnen, plus bewakers en bedienden, kunnen wonen. Dit zijn uiteraard namaakgrotten, maar ze zijn wonderlijk uitgerust – met zwembaden, fitnessruimten, schietbanen en ‘outdoor’-cafés – en gedecoreerd met kostbare kunstwerken en grote LED-schermen waarop te zien is wat er over is van de buitenwereld.

Maar het zijn de paleolithische grotten waar we naar moeten terugkeren, en niet alleen omdat die nog steeds het vermogen hebben om ons transcendente ervaringen te doen ondergaan en contact te laten leggen met de reeds lang vervlogen ‘natuurlijke wereld’. We moeten er naar terugkeren vanwege de boodschap die ze tienduizenden generaties lang op betrouwbare wijze hebben vastgehouden. Oké, die boodschap was niet voor ons bedoeld, en de opstellers ervan hadden niet kunnen bevroeden dat wij zulke perverse en zelfvernietigende afstammelingen zouden worden. Maar ze is nu in onze handen, nog steeds onleesbaar tenzij we de kunstmatige scheidslijn tussen de prehistorie en de historie doorbreken, tussen hiërogliefen en petrogliefen, tussen ‘primitief’ en ‘geavanceerd’. Hier zullen al onze vaardigheden en kennis voor nodig zijn – van de kunstgeschiedenis tot dateringstechnieken aan de hand van de verhouding uranium-thorium en de best practices op het gebied van de internationale samenwerking. Maar het zal de moeite waard zijn, omdat onze paleolithische voorouders, met hun gezichtsloze menselijkheid en hun vermogen tot frivoliteit, iets lijken te hebben geweten wat wij ons nog maar moeilijk kunnen voorstellen.

Zij wisten wat hun plaats in het grotere ‘plan der dingen’ was, en die was niet erg hoog. Dit lijkt hen tot lachen te hebben aangezet. Ik vermoed dat we de komende massa-uitsterving niet zullen overleven tenzij we eindelijk de grap begrijpen.


Barbara Ehrenreich is een Amerikaanse journalist en schrijver. Haar meest recente boek is Natural Causes: An Epidemic of Wellness, the Certainty of Dying, and Killing Ourselves to Live Longer. Dit essay verscheen eerder in The Baffler. Vertaling: Menno Grootveld