Commentaar

Hiërarchie aan de onderkant

In de dood van Anja Joos komt Nederland samen. Decennia lang is Joos vooral een last geweest voor Amsterdam en heeft ze geen respect genoten. Nu ze is doodgeschopt door een groep merendeels Marokkaanse vakkenvullers van een supermarkt in het lagere segment van de markt ligt het anders. Kaarsjes, bloemen en een stille tocht hebben moeten illustreren dat er wel degelijk nog zoiets als solidariteit met slachtoffers bestaat. Eindeloos kunnen we delibereren of de voorbode niet was geschetst door prins Bernhard en LPF’er Joost Eerdmans, die beiden op eigen wijze eerder hebben gepleit voor een vorm van eigenrichting voor de belegerde winkeliers in den lande. Dat is zinloos. Er is een verschil tussen een dief bij Albert Heijn die zich verzet tegen winkelpersoneel dat hem staande wil houden en een tierende alcoholica die haar blikje bier bij Dirk wel afrekent. Het eigengereide en op knokken beluste winkelpersoneel heeft aan het Heinekenplein elke grens overschreden.

En toch is er iets raars aan de hand. De commotie over de dood van Joos weerspiegelt een nieuwe vorm van patriottisme. Een paar jaar geleden waren de zwervende en bedelende «junks» een Bürgerschreck. Ze verstoorden de rust, waren vies, ruimden hun rommel niet op en maakten lawaai. Alom klonk de roep hen uit het straatbeeld te verwijderen, bij voorkeur in een afkickcentrum op de hei of desnoods in een flat ergens aan de rand van de Bijlmermeer.

Nu ligt het anders. Het ene gajes wordt tegen het andere gajes afgewogen. Met als doel vast te stellen wat het grootste gajes is. Aan de onderkant van de samenleving woedt een paradoxale strijd om de laagste treden van de hiërarchie: wie is het grootste gevaar voor de burgervrede, welk deviant gedrag is wel en welke afwijking is niet meer te tolereren? Het heeft iets weg van het zondagse gemoed in menig huiskamer. Als het met Feyenoord slecht gaat, vraagt de fan zich af wie er dan maar kampioen moet worden: Ajax of psv.

Maar er is meer. De doodslag was nog niet voltrokken of het apocalyptische nieuws uit Amsterdam ging in een hoge versnelling. De schoppers in de Pijp stonden niet alleen. In Osdorp werden poppen opgehangen, als ware het een lynchpartij, met de namen erop van dienders. In de tram bleek een vrouwelijke agent buiten dienst te zijn bedreigd. En of dat nog niet genoeg was kwam afgelopen week ook een rapport in de publiciteit waaruit bleek dat straatbendes een verzorgings tehuis in Geuzenveld systematisch treiteren en terroriseren.

Volgens Jaap Noorda van de Vrije Universiteit, auteur van dit rapport Rollators en rotjongens, zijn er in de westelijke tuinsteden nu ongeveer honderd bendes actief. Dat is een verdubbeling ten opzichte van de jaren tachtig. Al drie decennia is hij ermee bezig. Nooit kwamen zijn rapporten uit de onderste la te voorschijn, omdat het politiek niet opportuun was, of uit gemakzucht. Het «spelen met angst», zoals het gedrag van de veelal Marokkaanse jongens wordt genoemd, was geen prioriteit. Zelfs de behoorlijk naturalistische roman De oesters van Nam Kee van Kees van Beijnum over die verkleurde schotelcity in Amsterdam-West, ook nog eens verfilmd, werd niet opgemerkt. Dat laatste is op zichzelf niet verwonderlijk. West Side Story, over gangs van blanke en Porto Ricaanse komaf, heeft in New York ruim veertig jaar geleden ook niet het gewenste effect gesorteerd. Ondanks Natalie Wood (alias Maria).

Het sneeuwt nu oplossingen. Minister Rita Verdonk wil ouders financieel laten opdraaien voor het wangedrag van hun zoons en wordt daarin gesteund door het CDA. D66 wil de politierechters de buurt injagen bij wijze van afschrikking, een idee waarmee de PvdA instemt. De VVD wil het tuig sturen naar heropvoedingsinrichtingen, zoals Den Engh en Glenn Mill waar niet zozeer wordt gestraft als wel gedrild, en kaatst het bezwaar dat op dit soort internaten nu juist wordt bezuinigd terug met het argument dat de overhead wel minder kan en de gemeenten dan maar moeten dokken.

De overheid moet volgens Noorda allereerst toegeven dat ze «de situatie niet de baas is». Dat klinkt als capitulatie. Maar dat is het niet. Anders dan de goegemeente aan deze en gene zijde van de inmiddels ideologisch uitgespitte loopgraven, gelooft Noorda niet dat de kern van de straatoorlog is gelegen in louter de islam. Het probleem is niet zozeer dat die paar duizend knokkers te vaak in de moskee zijn, bevestigen anderen, maar juist dat ze er te weinig komen.

Zwaarder straffen? Dat is symptoombestrijding. Noorda zet zijn kaarten op een Deltaplan. Trefwoord? De ambachtschool! Aan dat soort ideeën hebben we tenminste iets. Sinds de mammoetwet is het lagere technische onderwijs gedegradeerd tot een bezemwagen. Het argument? Onze kennismaatschappij heeft hoofden nodig, geen handen. Zestig procent van de middelbare scholieren doet echter helemaal niet mee aan de kennismaatschappij en wordt vooral bezig gehouden. Vroeger heette dat systeem vglo: voortgezet lager onderwijs. Maar toen bestond er nog zoiets als een lts. Nu noemen we het vmbo: voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. Maar dat bereidt op van alles voor, behalve op een beroep.

Beginnen met een snelle rehabilitatie van de ambachtsschool, gekoppeld aan een verlaging van de leerplicht tot vierjarige kinderen: het zou het begin van een strategie kunnen zijn.