Portret van Lolle Nauta

Hij dacht soms na

De mens als vreemdeling heet het proefschrift van de Groningse filosoof Lolle Wibe Nauta (1929-2006). Het verscheen in 1960. Sindsdien is Nauta compleet andere filosofische wegen ingeslagen. Alleen de titel leefde als thema voort in zijn werk en tooit nu een groot internationaal congres.

LOLLE NAUTA heeft geen enkel dik boek geschreven. Geen magnum opus. Geen baanbrekende studie die als mijlpaal in de geschiedenis van de Nederlandse filosofie herinnerd wordt. Geen baksteen in de kalm kabbelende vijver van de vaderlandse wijsbegeerte. Nee, Nauta keilde met elegante bewegingen kiezelstenen over de oppervlakte van de filosofische plas achter de Nederlandse zeewering. En de Nederlandse filosofie? Zij kabbelde rustig voort.
Toch heeft Nauta een onuitwisbare indruk nagelaten. Nauta was de mentor van drie generaties Nederlandse filosofen. De protestgeneratie van de jaren zeventig, de ontnuchterde generatie van de jaren tachtig en de frivole generatie van de jaren negentig. Wat hij hun bijbracht was geen filosofische leer maar een filosofische houding. Een houding die juist tegen elke leer in ging en die heel eenvoudig met de woorden van Kant valt samen te vatten: heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!
Dat is een houding die Nauta ook eerst zelf nog moest ontwikkelen. Zijn weg naar de filosofie liep, zoals voor alle filosofen kort na de oorlog, over het terrein van de theologie. De in theologische kringen vurig bediscussieerde existentialistische schrijvers Sartre en Camus hielpen hem over de grens naar de filosofie. Op die grens plantte hij zijn proefschrift, De mens als vreemdeling, zijn eerste en enige grote monografie en best wel een béétje dik (360 bladzijden).
Dat boek is nu precies vijftig jaar oud. Behalve het thema, de vreemdeling, is van het proefschrift in Nauta’s latere werk weinig meer terug te vinden. Nadat hij zich in de jaren zestig tot de gewaagde mix van het logisch positivisme met het neomarxisme had bekeerd, schreef hij alleen nog maar met verachting over alles wat naar theologie riekte. Filosofie die niet radicaal met de godzoekerij had gebroken, noemde hij ‘quasi-diepzinnige prietpraat van theologisch angehauchte wichelroedefilosofen’.
Maar in zijn proefschrift gaat het nog om thema’s als 'kunst en religie’, 'vervreemding en geloof’. En het gaat om literatuur. Nauta bespreekt de rol die de vreemdeling speelt in het werk van schrijvers als Camus, Kafka, Nijhoff, Dostojevski, Eliot en Beckett. Hij doet dat in een taal die ver af staat van de kristallen helderheid die zijn latere geschriften kenmerkt. Het herlezen van De mens als vreemdeling is geen onverdeeld genoegen. Voortdurend vraag je je af waar het betoog in hemelsnaam naartoe wil en of het überhaupt wel ergens naartoe gaat.
Nauta besluit zijn proefschrift met de opmerking dat 'aan het eind van dit onderzoek (…) meer vragen moeten worden gesteld dan beantwoord’. Ook al zoiets waar hij later een enorme hekel aan kreeg. Al die filosofen die maar vragen stellen, schreef hij ooit, het zijn toch geen quizmasters! 'Schijnfilosofie’ noemde hij dat stellen van 'vragen die niet te beantwoorden zijn’. Een van de weinige sporen die zijn proefschrift in zijn latere werk heeft achtergelaten, is de voortdurende polemiek tegen het soort filosofie dat hij destijds zelf beoefende.

NAUTA’S PROEFSCHRIFT mag dan verstoken zijn van een heldere betooglijn, het heeft wel een steeds terugkerend motief. Dat is het motief van de vreemdeling die mensen uit hun gewone doen brengt, waardoor ze over zichzelf gaan nadenken. De vreemdeling maakt het vertrouwde vreemd en het vreemde een beetje meer vertrouwd. De vreemdeling zet mensen ertoe aan buiten zichzelf te treden en zichzelf te observeren. In het filosofische jargon van die tijd heette dat de 'excentriciteit van de mens’.
Nauta bedreef in zijn proefschrift nog filosofische antropologie, het vak waarvan de man die hij zijn leermeester noemt, Helmuth Plessner, een van de grondleggers was. Ook Plessner keert in Nauta’s latere werk nog maar zelden terug. In een opstel dat hij in het jaar voor zijn dood schreef, neemt Nauta het op voor Plessners enige niet-filosofische werk, Die verspätete Nation, een politiek-historisch onderzoek naar de wortels van het nationaal-socialisme.
En o ja, Plessner figureert ook in een column van Nauta in Filosofie Magazine en die is opgenomen in de bundel Ik denk niet na. Nauta memoreert dat Plessner, wandelend van Groningen naar Winschoten en terug, in zijn hoofd hele boeken schreef. (Plessner was in de oorlog vanwege zijn joodse voorouders in Groningen ondergedoken en doceerde daarna enkele jaren aan de Groningse universiteit.) Nauta bekent dat hij daar niet toe in staat is. 'Het bewegen van mijn ledematen kost me zoveel inspanning dat ik dan niet ook nog een keertje kan filosoferen.’
De meer dan twee meter lange Nauta kwam pas aan denken toe wanneer zijn lichaam zich in rust achter schrijfmachine of computer bevond. Voor hem was schrijven de hoogste vorm van denken. Iets kan pas waar zijn wanneer het helder is opgeschreven. Dat is ook de makke van veel Nederlandse filosofen, meende Nauta, met name linkse filosofen: 'Ze kunnen niet schrijven.’
Op goed schrijven ging Nauta zich pas na zijn proefschrift toeleggen. Zijn grote voorbeelden waren de filosofen van de Wiener Kreis uit het begin van de vorige eeuw, een kring van denkers die bruggen sloeg tussen de filosofie en de vakwetenschappen. Nederlandse filosofen vonden dat maar niets, de filosofie als dienaar van de wetenschap, dat was verderfelijk 'positivisme’. Nauta prees juist die bescheiden filosofische opstelling en prees ook het bij velen onbekende sociale engagement van de Wiener Kreis.
Nauta legde zich toe op het genre van het korte essay. De boeken van zijn hand zijn allemaal bundels opstellen, stukken van rond de 25 bladzijden, compacte betogen met een kop en een staart, steeds over een goed afgebakend onderwerp, meestal met een duidelijke polemische tegenstander, altijd verhelderend en zeker niet saai. En ze richten zich zelden uitsluitend tot collega-filosofen. Nauta probeerde steeds een breed publiek aan te spreken, voor hem hoorde dat bij zijn opdracht als filosoof.
Het beroemdste voorbeeld daarvan is Achter de zeewering uit 1987. Daarin veegt hij de vloer aan met het publieke debat in Nederland. Met dat stuk vestigde Nauta definitief zijn naam als spraakmakende intellectueel, altijd bereid om zich in debatten te mengen. Nauta schroomde nooit om zich te engageren, of het nu om de oorlog in Vietnam ging, de 'isolatiefolter’ van RAF-terroristen in Duitse gevangenissen, de armoede in de wereld, Srebrenica of de vreemdelingenpolitiek van minister Verdonk.
Dat was ook wat hij in Achter de zeewering de weinige Nederlandse intellectuelen verweet die in zijn ogen wél goed konden schrijven. Henk Hofland, Renate Rubinstein, Karel van het Reve - wanneer het erop aankwam zich te engageren, verscholen zij zich achter ironie of, erger, cynisme. 'Komt het ooit voor’, vroeg Nauta aan het slot van zijn essay, 'dat een Nederlandse intellectueel tegen een vakbond zegt: hier ben ik, zeg maar wat ik moet doen, ik heb twee dagdelen per week beschikbaar?’
Nauta stelde zijn tijd beschikbaar aan de PVDA, waarvoor hij in 1977 het beginselprogramma schreef. Hij stelde drie jaar van zijn tijd, van 1979 tot 1982, beschikbaar om aan de universiteit van Lusaka, Zambia, een filosofische faculteit op te zetten. Daarvoor en daarna was hij de charismatische hoogleraar wetenschapsfilosofie en sociale filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen, die altijd voor een debat, voordracht of discussiebijdrage te porren was, tot ver na zijn emeritaat in 1994.

TERUG NAAR zijn proefschrift. Een ander element daaruit dat in zijn latere werk niet meer terugkeert, is de uiteenzetting met de literatuur. Dat is jammer. De passages waarin hij diep op een roman, een dichtwerk of een toneelstuk ingaat, behoren tot de betere passages van het proefschrift. Je zou wensen dat hij ook in zijn latere essays wat vaker literaire werken bij zijn betogen zou hebben betrokken. De vreemdeling is bij uitstek een literaire figuur, ook in de hedendaagse belletrie, en schrijvers zijn bij uitstek competente onderzoekers op dat gebied.
Wat valt er niet allemaal over de vreemdeling te leren uit - een willekeurig voorbeeld - de teksten van Elfriede Jelinek, bevolkt als die zijn met excentrieke gestalten die de normale kijk op de wereld ferm opschudden? Of neem - heel voor de hand liggend - de enorme stroom aan West-Europese migrantenliteratuur, waarin soms heel traditioneel, soms heel bloemig, soms heel vervreemdend verhaald wordt over hoe het is om een vreemdeling te zijn. Nauta, die naar eigen zeggen graag grenzen overschrijdt, heeft na zijn proefschrift het land van de literatuur niet meer serieus betreden.
De vreemdeling uit zijn proefschrift veranderde in zijn latere werk van een literaire in een politieke en juridische figuur. Nauta polemiseert tegen politieke indelingen in autochtonen en allochtonen, niet-moslims en moslims, wij en zij. Voor hem is de vreemdeling een burger van buiten Europa die ook in Europa burgerrechten moet kunnen genieten. Een vreemdeling in een of andere filosofische zin is hij niet. 'Mijn Nederlandse buurman is mij in principe niet minder vreemd dan een Iraanse vluchteling’, stelde hij.
Voor Nauta is iedereen een wereldburger. Daar geloofde hij zo heilig in dat al het gepraat over de nationale identiteit hem met diepe afkeer vervulde. 'De Nederlandse identiteit?’ zei hij in een van zijn laatste interviews, 'God mag weten wat het is en die weet het niet, maar Paul Scheffer weet het ook niet.’ Nauta is ervan overtuigd dat we steeds meer te maken zullen krijgen met mensen met verscheidene identiteiten. 'De menselijke positie is niet alleen excentrisch, in een globale samenleving is die positie ook polycentrisch.’
Nauta mocht zich dan graag als wereldburger zien, in wezen is hij ook de vreemdeling uit zijn proefschrift gebleven. Hij is de man uit Het Uur U van Martinus Nijhoff, het dichtwerk dat in het proefschrift zo'n belangrijke rol speelt. Dat is de man die een gewone straat in komt lopen, waar gewone mensen hun gewone dingen doen maar zich door die man ineens bewust worden hoe ongewoon het gewone is en hoe gewoon het ongewone. Met zijn nuchtere, kalme optreden, altijd meer luisterend dan pratend, zette Nauta zijn studenten, zijn collega’s, zijn gespreksgenoten ertoe aan eens van een afstand naar zichzelf te kijken, zichzelf als vreemdeling te zien.
Bijna belangrijker dan wat Nauta te zeggen had, was wat hij teweegbracht. Hij was wat de Italiaanse marxist Antonio Gramsci een 'organische intellectueel’ noemde. Hij verzamelde mensen om zich heen en stimuleerde hen om initiatieven te nemen, het debat op te zoeken, de wereld in te trekken. Die rol is na zijn dood voortgezet door onder meer de Lolle Nauta Stichting, die de studie van jeugd en gezin aan Afrikaanse universiteiten stimuleert, en het Lolle Nauta Forum, dat vanuit de Groningse universiteit het publieke debat wil voeden.
Deze maand organiseert het Instituut voor Multiculturele Vraagstukken Forum in samenwerking met de faculteit filosofie van de RuG een grote internationale conferentie, waarvoor Nauta’s proefschrift De mens als vreemdeling het uitgangspunt is. De conferentie is deel van het project 'De mens als vreemdeling’. Zo leeft Nauta’s best dikke boek verder zonder dat iemand het hoeft te lezen. Alleen de titel telt.

Zie voor het Forum-project en de conferentie op 21 en 22 oktober: www.forum.nl/vreemdeling