Steven Pinker, ‘Verlichting nu’. Contra

Hij die wanhoopt…

In zijn hosanna over de Verlichting schuift Steven Pinker de revolutionairen, journalisten, vakbondsleden en denkers die de vooruitgang sinds de achttiende eeuw mede mogelijk maakten laatdunkend terzijde.

Steven Pinker – men dient optimistisch te zijn © Bryce Vickmark / redux / HH

‘Het verhaal van menselijke vooruitgang is waarlijk heroïsch’, schrijft Steven Pinker in Enlightenment Now. Heroïsch, allicht. Maar wie zijn de helden? Condorcet onder anderen, stelt Pinker, en daarnaast ook Montesquieu, Kant, Diderot, Smith, Voltaire, Hume, Rousseau, en een hele reeks minder bekende namen die samen het pantheon van de Verlichting vormen. Zij waren het die de ratio op het schild hesen en de zondeval afzworen, de menselijke natuur niet langer als fundamenteel verdorven wilden zien maar voor rede vatbaar, en dus in staat tot vooruitgang. En het is aan hun onverzettelijke toewijding aan de wetenschappelijke methode en de ratio te danken dat we vooruitgang hebben, omdat zij ermee begonnen de wereld onder de studeerlamp te leggen, de mens uitdaagden te reflecteren, en zo de basis vormden voor de grondslagen van de democratische samenleving, van mensenrechten en de rechtsstaat.

Voor wie niettemin anders durft te beweren – bijvoorbeeld de vermaledijde tegenwoordige intellectuelen die stellen dat ‘de wereld naar de hel gaat in een handkar’, zoals Pinker schrijft – bevat Verlichting nu een duizelingwekkend aantal grafiekjes, die een lijntje trekken over de spanne van ettelijke decennia, en soms langer, waarmee geïllustreerd wordt dat het met de mensheid toch een stuk beter gaat dan vroeger. Een vergelijkbare stelling had Pinker eerder al eens uitgewerkt in Ons betere ik, en herhaalt hij nu, deels met nieuwe data, nog maar eens. Verlichting nu is niet nieuw wat betreft die boodschap, maar wat betreft het narratief dat Pinker nu toevoegt. Het gaat niet zomaar beter, het gaat beter omdat ons iets meer dan twee eeuwen geleden de Verlichting overkwam.

Een van de zinnen uit Verlichting nu die het langst bleven nagalmen is Pinkers vertaling van het motto van Immanuel Kant, sapere aude. De vertaling ervan hield ik altijd op ‘durf te denken’, maar Pinker vertaalt het als ‘durf te begrijpen’. De reden voor het blijven spoken is dat Pinkers nadruk op ‘begrijpen’ zoveel passiever overkomt dan het ‘durven denken’, al was het maar omdat het aude in talen die de grootste invloed van het Latijn hebben ondergaan nog steeds zichtbaar is in de stam van het woord ‘waagstuk’.

Wat zegt dat over het boek? Over Pinker? De overweldigende ervaring tijdens het lezen van Verlichting nu is niet dat Pinker zich aan een waagstuk heeft gezet. De lezer wordt vooral iets opgedragen, wordt dringend op het hart gedrukt dat het misschien wel meer nog dan zijn recht ook zijn plicht is om te begrijpen – te begrijpen dat de onheilsprofeten die durven beweren dat de wereld op de rand van de afgrond staat charlatans zijn, en dat anders beweren verraad is aan de rede en het gezond verstand.

Hoewel Pinker bezweert niet aan ‘verlichtingsidolatrie’ te willen doen is de toonzetting van Verlichting nu die van een auteur die zijn gelijk als harnas draagt. ‘Intellectuelen haten vooruitgang’, schrijft hij. ‘Intellectuelen die zichzelf “progressief” noemen haten vooruitgang heel erg. Het is niet dat ze de vruchten van vooruitgang haten, let op: de meeste experts, critici en hun bien-pensant lezers gebruiken computers in plaats van veren en inktpotten en ze geven de voorkeur aan operaties met verdoving in plaats van zonder. Het is het idee van vooruitgang dat de babbelende kaste zich in het gedrang doet voelen – het Verlichtingsgeloof dat door de wereld te begrijpen we de menselijke conditie kunnen verbeteren.’

Intellectuelen haten vooruitgang – wel ja. Het wonderlijkste aan die zin is dat die maar een paar pagina’s komt nadat Pinker met olifantengevoel voor fijnzinnigheid ‘linkse en rechtse ideologieën’ ervan heeft beschuldigd ‘seculiere religies’ te zijn geworden, die mensen een ‘catechismus van heilige overtuigingen’ bieden, en ‘gelukzalig vertrouwen’ in de ‘rechtschapenheid van hun zaak’.

Er is uiteraard weinig mis met retoriek uit principe, maar dan moet die retoriek doel treffen. Verlichting nu belooft wat dat betreft veel, maar maakt het domweg niet waar. Wat zich wreekt is in zekere zin dat Pinker zich niet aan zijn eigen principes houdt. De Verlichting, stelt hij vaak, is het exact tegenovergestelde van de ‘laffe onderwerping aan dogma’. Tegelijkertijd lijkt het boek steeds daarop uit te draaien: onderwerping. Dat openbaart zich misschien het duidelijkst in Pinkers klacht aan het adres van schrijvers die hij bestempelt als onheilsprofeten – van Marx tot Heidegger, van Schopenhauer tot Foucault, van Nietzsche tot Said. Dat die denkers niets met elkaar te maken hebben is duidelijk, maar Pinker gooit ze met genoegen op één brandstapel als zondaars tegen de Verlichting. Wat is die zonde? Pessimisme. Maar en passant wordt Pinkers eigen dogma dat optimisme over het vermogen van technocraten en laissez-faire-kapitalisme om de wereld beter te maken verplicht is, en niet bevraagd mag worden. We hebben toch geen veren en inktpotten meer?

Het onvermogen optimistisch te zijn is misschien de grootst denkbare misdaad voor Pinker, die hij verklaart met een verwijzing naar wat psychologisch onderzoek hem aanreikt. Mensen hebben nu eenmaal de neiging zaken somberder voor te stellen dan ze zijn. Maar daarin schuilt juist precies wat het meest fundamentele gebrek is van Verlichting nu: het feit dat Pinker zonder enige twijfel een begaafd psycholoog is, maar een waardeloze historicus. Zijn heroïsche geschiedenis is er een zonder helden, en zonder menselijk handelen. Nou ja, er zijn helden, de denkers van de Verlichting, maar nergens wordt echt onderzocht wat zij dan hebben bijgedragen aan de vooruitgang van de mensheid, behalve dan een vaag omschreven wetenschappelijke methode, en een zekere geestelijke dispositie ten aanzien van de sociale wereld.

Wat een schitterende geschiedenis! Zonder mensen, zonder conflict, zonder politiek, een wereld die kalm meandert van het ene verlichte inzicht naar het volgende

Pinkers geschiedschrijving grossiert niet alleen in het noemen van grote denkers die bij nadere inspectie zelden veel met elkaar te maken hebben, maar ook van het soort woorden en begrippen die het mogelijk maken onsamenhangende zaken als 3D-printers en vrouwenemancipatie in één mandje te stoppen, er een strik omheen te doen, en triomfantelijk te verklaren dat de vooruitgang dat heeft gedaan – het soort woorden dat suggereert dat er een intiem verband bestaat tussen het feit dat we niet meer met ganzenveren schrijven en dat de slavernij is afgeschaft. Want zijn niet allebei die fenomenen bewijs van het feit dat de geschiedenis vooruit is gegaan? En moeten al die mensen, de journalisten en de intellectuelen, die de mensheid op de mouw proberen te spelden dat het helemaal niet goed gaat met de wereld zo bezien wel al dat misbaar maken?

Waarom zijn we niet optimistisch? Een van de fatale problemen van Pinkers vertoog is dat hij steeds maar weer lijkt te veronderstellen dat, omdat men zich een betere, rationelere wereld kon voorstellen, die wereld door de wonderbaarlijke kracht van het optimisme dat daarin besloten lag ook tot stand kwam. Zijn geschiedschrijving lijkt ervan uit te gaan dat maatschappelijke en politieke verandering plaatsvindt omdat men op enig moment een bepaald idee krijgt en de wereld zich daar vervolgens naar schikt. Neem de volgende formulering: ‘Homorechten zijn nog een idee waarvoor de tijd rijp is. Homoseksuele handelingen waren ooit een misdaad in bijna elk land ter wereld. Het argument dat wat twee instemmende volwassenen doen niemands zaak is, werd voor het eerst geformuleerd dankzij de Verlichting, door Montesquieu, Voltaire, Beccaria en Bentham. Een hele trits landen de-criminaliseerde kort daarna homoseksualiteit, en dat nummer steeg met de homorechten-revolutie van de jaren 1970.’

Verlichting nu staat vol met dit soort historiografische homeopathie. Zelfs als we voor het gemak het punt toekennen dat de denkers in het rijtje tussen Montesquieu en Bentham iets belangrijks (en eensgezinds) zeiden over persoonlijke vrijheid, en dat die boodschap op enig moment ook leidde tot de algemeen aanvaarde gedachte dat de staat niets te maken heeft met wat volwassenen in hun slaapkamer doen – dan nog is de geschiedenis van dat proces platgeslagen tot het punt waarop die geen betekenis meer heeft. Wat betekent het in vredesnaam dat een ‘trits landen’ kort nadat de verlichte heren iets dachten en opschreven ineens homoseksualiteit de-criminaliseerde? Alsof er een rechte streep loopt van de gedachten van Montesquieu naar de wetgevende kamers van landen op vijf continenten, die na het lezen van zijn werk dachten: ‘Verdomd, dat moesten we maar eens doen.’

Vrijwel nergens in Verlichting nu vindt sociale of maatschappelijke verandering plaats omdat men daarvoor vocht. Voor Pinker zijn het uitsluitend verlichte ideeën die de geschiedenis opstuwen, waarmee hij hoofdzakelijk lijkt te bedoelen dat de verandering van de publieke opinie met het verstrijken van de tijd bewijst dat de geschiedenis begint en eindigt met een idee. Daarmee is niet gezegd dat het intellectuele werk van de Verlichting onbelangrijk was – er is best een argument te maken dat het werk van bijvoorbeeld John Locke, dat de Amerikaanse revolutie hielp inspireren, ook de kiemen bezat van de latere afschaffing van de slavernij, zelfs al investeerde Locke zelf in de slavenhandel. Er is best wat te zeggen voor de gedachte dat Montesquieu in abstracte zin de fundamenten legde van een universele liberale democratische orde, al is hij de vader van de racistische theorie dat verschillende klimaten behoefte hebben aan verschillende regimes. Maar doen alsof het werk klaar is zodra het formuleren van het ideaal of van de gedachte heeft plaatsgevonden, zoals Pinker keer op keer lijkt te doen, is domweg bespottelijk.

Vooruitgang is heroïsch, inderdaad. Maar waarom ontbreken in Pinkers vertelling dan steeds de helden? Denkt hij dat het verstrijken van de tijd voldoende is voor het veranderen van de publieke opinie? Voor het verbeteren van de materiële condities van de mensheid? Aangaande ongelijkheid en het debat dat daarover momenteel woedt, schrijft hij: ‘Zij die moderne kapitalistische samenlevingen veroordelen voor hardvochtigheid naar arme mensen zijn vermoedelijk niet goed op de hoogte hoe weinig pre-kapitalistische samenlevingen uitgaven aan armoedebestrijding.’ Ammehoela – alsof dat de tegenstelling is die critici van het kapitalisme aanhangen. Voor Pinker is het echter bewijs dat het kapitalisme deugt. Want het waren toch zeker de kapitalistische samenlevingen die besloten om geld uit te geven aan sociale zekerheid ‘met de opkomst van de welvaartsstaat na de Tweede Wereldoorlog’.

Wat een schitterende geschiedenis! Zonder mensen, zonder conflict, zonder politiek, een wereld die kalm meandert van het ene verlichte inzicht naar het volgende, en zich schikt naar de ideeën zodra die in de hoofden van de meest lumineuze (en optimistische!) geesten opdoemen. Pinker schotelt zijn lezers een geschiedenis voor die is gereduceerd tot een hygiënische successie van schimmige geestelijke gesteldheden – Verlichting, optimisme, vooruitgang, liberalisme, kapitalisme – zonder dat die woorden ook maar enig moment een betekenis krijgen die verder reikt dan abstracte termen voor grote historische bewegingen die Pinker probeert te beschrijven en toe te eigenen, maar dan wel zonder stelling te nemen.

Pinker zingt de lof van sociale vooruitgang – zoals bijvoorbeeld de uitvinding van de verzorgingsstaat – maar reduceert de politieke tradities die de sociale strijd aanvoerden die dat mogelijk maakten, van marxisme en socialisme tot totalitair communisme, tot één vormloze vloek van pessimisme, en tot professorengezeur over de rijke zegeningen van het kapitalisme. Hij viert uitbundig de emancipatie van vrouwen en homo’s, maar deelt laatdunkend een sneer uit aan ‘social justice warriors’. Pinker schrijft bijkans alle maatschappelijke en sociale vooruitgang sinds de achttiende eeuw op het conto van de Verlichting, maar schuift de critici, de revolutionairen, de activisten, de journalisten, de vakbondsleden en de politieke denkers die de vooruitgang ook daadwerkelijk vooruit hielpen laatdunkend terzijde als ‘progressofoob’, omdat ze zich klaarblijkelijk bezondigden aan de misdaad te weinig optimistisch te zijn. Hij lijkt, met andere woorden, het type denker te zijn dat de vooruitgang viert als die achter de rug is.

Het probleem is niet dat Pinker optimistisch is, of dat hij zich aan naïviteit zou bezondigen (het grijsgedraaide verwijt aan de Verlichting). Het probleem is dat hij zijn optimisme over de verworvenheden van het nu koopt met de erfenis van anderen, terwijl hij die anderen vaak in één adem door verloochent. Pinker hoeft niets te offeren, geen welzijn, geen status, maar roept op elke pagina de rest van de mensheid toe dat het lijden van diegenen die vandaag honger hebben of leven in armoede niets is in vergelijking met het lijden in 1830, en dat ze er beter aan doen om over zichzelf te denken als stip op een grafiek, en dat uiteindelijk de 21ste eeuw ze zal redden. Is dat Verlichting?

Het valt in ieder geval zeer te betwijfelen of Condorcet of Kant, of welke Verlichtingsdenker dan ook die Pinker omhoog houdt als lichtend voorbeeld, hadden ze vandaag geleefd, aan het sapere aude invulling zouden geven door een boek te schrijven waarin mensen op de eerste plaats de opdracht krijgen hun kritiek in te slikken. Het probleem is misschien dat het woord ‘Verlichting’ zelf tot bezweringsformule is geworden. Voorzover Kants dictum over het durven denken er de kern van is, waarom klinken de hedendaagse verdedigingen van de Verlichting dan zo dogmatisch? Als de Verlichting, zoals Pinker stelt, de filosofie van de redelijkheid, het humanisme en de ‘bescheidenheid’ is, waarom dan het inferno van stromannen? Waarom de mentaliteit van het schuttersputje?

En dat is ook de betekenis van Pinkers vertaling van sapere aude als ‘durf te begrijpen’ in plaats van ‘durf te denken’. De inzet ervan bevat geen werkelijke uitdaging, aan zichzelf noch aan anderen, het is een verwijt. Als Verlichting nu iets illustreert, dan is het dat hoe vaak de term ‘Verlichting’ tegenwoordig ook valt, er zelden nog werkelijk gedacht wordt.