Brusseprijs

Hij ging altijd voor vol

Medium 98888
4 februari 1980. Jan Schaefer heeft bij het Centraal Station de eerste paal geslagen voor de herbouw van het Noord-Zuid Hollandsch Koffiehuis

Zo goed als iedereen kent nog wel de naam van de ondertussen bijna een kwart eeuw geleden overleden Jan Schaefer. Dat zegt weliswaar veel over de man zelf, maar zegt vermoedelijk toch meer over de Nederlandse politiek, namelijk dat deze vooral het speelveld is van doctorandussen en vergelijkbare heel of half gestudeerde, sociaal correcte en intellectueel voorzichtige types, ‘geparfumeerde drollen’ in de terminologie van Schaefer. Zo’n drol was hijzelf niet. Zoals geïllustreerd door zijn meest bekende uitspraak, tevens de titel van deze keurige biografie, ging Schaefer door voor rouwdouw, hart op de tong. Hij cultiveerde dit beeld ook. Dat lukte aardig, te meer omdat hij daarin door zijn omgeving (Den Uyl, Van Thijn) gestimuleerd werd. Want Schaefer was zo’n beetje een van pvda’s laatste excuusarbeiders.

Maar als arbeider werd Schaefer niet geboren en zo heeft hij eigenlijk ook nooit geleefd. Hij groeide op in een redelijk welvarend middenstandsgezin. Zijn vader was bakker en had een goed lopend bedrijf, moeder was nogal een dametje. Dus niks blote buiken, tattoos en bier drinken uit een flesje – als dat arbeideristische kenmerken zijn. De Schaefers vormden een keurige familie in een nette Amstelveense woning, zij het dat de zaken na de scheiding van het echtpaar wel wat ingewikkelder werden. Maar echt arm was Jan ook toen niet, al staat dat her en der wel in de necrologieën. Zo ging hij, betaald door zijn vader, naar een sjieke katholieke nijverheidsschool. De bedoeling was dat hij in de familiebakkerij terecht zou komen. Zo gebeurde. Maar tussen vader en zoon boterde het niet – en nooit. Dat ging zo ver dat Jan later weigerde te betalen voor het bejaardenhuis van zijn vader en bij diens begrafenis afwezig was.

Gestimuleerd door een van de werknemers van Schaefer senior begon junior zich te ontwikkelen en belandde in de vakbeweging. Daar viel hij al snel op door zijn mondigheid. Ook was hij gedurende enige tijd lid van de Communistische Partij. Maar de partijdiscipline brak hem op. En omdat de pvda hem te burgerlijk was, bleef hij verder buiten de politiek.

Wel was hij actief in zijn buurt (De Pijp) en in de honkbalsport. Ook bleef hij betrokken bij de vakbeweging.

Schaefer verkoos restaureren principieel boven slopen. Ook in zoverre was Schaefer een romantische geest

Het waren de gebeurtenissen aan het eind van de jaren zestig, in het bijzonder de opkomst van Nieuw Links die het leven van Schaefer ingrijpend veranderden en hem voor de pvda wonnen. Daarna ging het razendsnel. In mei 1971 kwam hij in de Kamer. Daar viel hij niet alleen op door zijn imposante gestalte en recht-voor-de-bek-taalgebruik, hij stal ook het hart van Joop den Uyl en diens rechterhand, Ed van Thijn. Eenmaal zo ver kon Schaefers carrière niet meer stuk. Hij werd staatssecretaris van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in het kabinet-Den Uyl en was beoogd minister in Den Uyl II. Dit laatste kabinet kwam er echter niet, waarop Schaefer eerst naar de Kamer en vervolgens naar Amsterdam terugkeerde. Daar beleefde hij zijn gouden jaren: 1978-1986. Hierin leidde hij niet alleen de hoofdstedelijke pvda maar was hij ook wethouder. In beide functies bleek hij over een niet gering talent te beschikken – een talent dat in deze tijden van pvda-misère en nijpend woningtekort wel weer even doet nadenken.

Schaefer ontpopte zich als een doortastend bestuurder die ook binnen de eigen partij de zaak behoorlijk bij elkaar wist te houden. Tegelijkertijd was hij een productief bouwheer. Zo werden in topjaar 1982 in Amsterdam meer dan tienduizend nieuwe woningen neergezet. Dat aantal is sindsdien nooit meer geëvenaard.

In 1986 verliet Schaefer de Amsterdamse politiek en keerde terug naar Den Haag. Dat werd geen succes. De man was veranderd, de pvda was veranderd maar vooral de politiek was veranderd: van polarisatie was steeds minder, van consensus en compromis des te meer sprake. Het tijdperk Den Uyl was voorbij, het was voortaan lubberen en polderen geblazen. Dat paste niet bij Schaefer, niet bij zijn karakter en minder nog bij zijn imago. Mede om die reden ging het vanaf dat moment met hem van kwaad naar erger. Hij botste met iedereen, gebruikte taal waarmee je geen vrienden maakt, werd ziek. En zoals dat gaat, ter compensatie deed hij er bij alles nog een schepje bovenop. Het resultaat was treurig. Een leven dat zich prachtig had ontwikkeld, eindigde in mineur, bovendien veel te vroeg. Schaefer werd slechts 53 jaar.

Hoewel Schaefer vooral wordt herinnerd vanwege zijn voorkomen (honderd kilo plus), kleding (nonchalant aangeschoten broek, houthakkersoverhemd) en uitspraken (‘is dit beleid of is erover nagedacht?’) ligt zijn grootste verdienste vermoedelijk in de niet-aflatende poging om Mokum niet te verliezen aan Amsterdam, oftewel om te proberen de eigenheid van Nederlands hoofdstad te behouden, ja zelfs te versterken. Om die reden verkoos hij restaureren principieel boven slopen. Ook in zoverre was Schaefer, ondanks de schijn van het tegendeel, eigenlijk een romantische geest. Zelfs zijn botheid zou je daartoe kunnen herleiden. Hij kon niet begrijpen dat iemand niet voor vol ging. Hijzelf ging altijd en op alle gebieden voor vol. Aldus ook de laatste uitspraak op het vouwblad dat na de uitvaart onder de aanwezigen werd uitgedeeld: ‘Ik word liever op een woeste manier vijftig dan op een lullige manier tachtig.’

‘Keurig’ noemde ik deze biografie. Dat is hij. Geheel volgens het boekje. Goed chronologisch, uitstekend gedocumenteerd aan de hand van geschreven en gesproken bronnen en opgeschreven met een helderheid die de hoofdpersoon waardig is. Eerlijk gezegd miste ik op een gegeven moment wel wat ‘intellectuele spanning’. Dat is vermoedelijk het gevolg van het feit dat Hoeks weinig werk maakt van de poging Schaefer in context te plaatsen. De hoofdpersoon neemt zo goed als alle ruimte in. Maar goed, zijn postuur is daar ook naar.