Hij had toch gelijk

HET IS NOG NIET zo lang geleden dat het einde van de geschiedenis en het begin van de Nieuwe Wereldorde werden afgekondigd, dat de vrije markt universeel werd bezongen en Marx in zijn graf werd nagetrapt. Heden is er van dat triomfalisme niet veel over. De nieuwe wereldorde lijkt met de dag wanordelijker en inmiddels maakt het vertrouwen in een gouden toekomst plaats voor paniek. ‘Is de globale ineenstorting nabij?’ kopte de New York Times. Een Newsweek-cover schreeuwde: ‘De crash van 1999?’ Misschien was die Marx zo stom nog niet.

De paniek die The Wall Street Journal in september deed schrijven dat er ‘geen oplossing in zicht’ was, dat regeringen en internationale instituties niets konden doen om de crisis te keren, was in oktober al weer weggeëbd. Enkele forse keynesiaanse ingrepen - lagere rentevoeten in de Verenigde Staten en Europa, een stimuleringspakket voor Japan, financiële hulp voor Brazilië - volstonden om de gemoederen te bedaren. Voorlopig althans. Maar geloven dat die maatregelen - die neerkomen op een injectie met 'sterk’ geld in de wereldeconomie - op termijn iets oplossen, impliceert het geloof dat een tekort aan geld het probleem was. En dat is onzin. De financiële markten groeiden de afgelopen decennia veel sneller dan de economie. Er is geen gebrek aan geld, en er is ook geen gebrek aan bereidheid om het te investeren - op voorwaarde dat het kapitaal erdoor groeit. En daar wringt ’m de schoen. Evenals hun eerdere paniek was de gretigheid waarmee kapitaalbezitters geloofden dat Greenspan en Tietmeyer het gevaar hadden bezworen, een symptoom van hun ontreddering. 'Ze hebben het gevoel dat ze niet meer begrijpen hoe de wereld werkt en ze weten niet wat te doen’, zei de econoom Peter Bernstein aan de New York Times. Aan verklaringen van de schokken die de wereld sedert de zomer van 1997 teisteren, is geen gebrek. Wat ze gemeen hebben, is dat ze de oorzaken in deelaspecten zoeken. In elk getroffen land wijzen ze moeiteloos beleidsfouten aan die de zaken verergerd hebben. Vaak zijn het dezelfde 'experts’ die eerder de Aziatische 'mirakel-economieën’ de hemel in prezen, die hen nu van alles de schuld geven. En dezelfden die eerder de liberalisering van de kapitaalmarkt loofden, wijten de financiële crisis nu aan haar excessen. Hun verklaringen zijn niet noodzakelijk verkeerd. Maar omdat ze zich vastbijten in randfenomenen, blijven ze hopeloos oppervlakkig. HUN IMPOTENTIE WEKT nieuwe belangstelling voor de verguisde Marx. Zijn benadering was precies omgekeerd: hij analyseerde het geheel om de deelaspecten te begrijpen. Omdat het geheel een organische cyclus van productie en consumptie vormt, kan je het niet analyseren als de optelsom der delen. Wat voor een bedrijf of land verstandig lijkt, kan voor het geheel de crisis verergeren. De crisis op de wereldmarkt zag Marx als 'de reële samenvatting en gewelddadige nivellering van alle tegenspraken van de kapitalistische economie’. Toen hij dit schreef, bestond die wereldmarkt nog slechts in embryonale vorm. De meerderheid van de mensheid leefde toen nog in prekapitalistische verhoudingen. Vandaag is het kapitaal overal doorgedrongen, ook waar regimes zichzelf marxistisch noemen. De globalisering heeft van de wereldmarkt een feit gemaakt. Iedereen is ieders concurrent geworden. Pas nu kan Marx’ analyse van het globale kapitaal echt aan de werkelijkheid worden getoetst. Vooralsnog valt de toets in zijn voordeel uit. De globale economie gedraagt zich steeds meer zoals Marx ruim een eeuw geleden voorspelde. En dat is weinig geruststellend. Want als zijn analyse klopt, wordt een globale ineenstorting onvermijdelijk. Marx’ uitgangspunt was: het kapitalisme is een kind van de geschiedenis. Het werd geboren uit een welbepaalde historische context maar het veranderde de wereld ingrijpender dan alle eerdere productiewijzen samen. Het creëert dus een nieuwe historische context, die een nieuwe sociale organisatievorm vereist. Dat komt tot uiting in een steeds scherper conflict tussen de door het kapitalisme getransformeerde productiekrachten en de kapitalistische productieverhoudingen. Dat dit conflict reëel is, laat zich heden ten dage gemakkelijk illustreren. Nooit waren de productiekrachten zo productief. De basisnoden van de hele mensheid kunnen moeiteloos worden bevredigd en toch leeft de meerderheid in ellende en onzekerheid. Volgens een recent VN-rapport sterven elk jaar 30 miljoen mensen aan honger en lijdt een derde van de mensheid aan bloedarmoede door voedseltekort. Nooit bleven zo veel behoeften onbevredigd, en toch dwingt de globale overcapaciteit van de productiekrachten steeds meer fabrieken hun poorten te sluiten of onder hun capaciteit te werken. De overcapaciteit treft ook het menselijk kapitaal. Uit het rapport over 1998 van het Internationaal Arbeidsbureau blijkt dat een derde van het arbeidspotentieel - meer dan een miljard mensen - geen werk vindt. Elke dag wordt bijna 2000 miljard dollar verhandeld uit pure speculatie en toch moet de helft van de wereldbevolking zien te leven van minder dan twee dollar per dag. HOE ANDERS ZAG DE toekomst er een kwart eeuw geleden uit! In 1966 voorspelde het weekblad Time: 'In 2000 zullen machines zoveel produceren dat iedereen rijk zal zijn (…) slechts tien procent van de bevolking zal werken en de rest zal betaald worden om niets te doen (…) Hoe de vrije tijd te gebruiken zal een groot probleem worden.’ Waren die experts dan zo dom? Nee, maar ze maakten de fout om hun toekomstbeeld enkel te baseren op de technologische mogelijkheden, en het groeiritme van toen lineair door te trekken, zonder rekening te houden met de remming die de productieverhoudingen de productiekrachten zouden opleggen. De econoom Jef Madrick heeft berekend dat de groeivertraging in de twintig jaar na 1973 voor de Amerikaanse economie een inkomstenverlies van 12.000 miljard dollar meebracht. Voor de rest van de wereld zou dat cijfer nog hoger liggen. De historische omstandigheden waarin het kapitalisme opgroeide, impliceerden permanente schaarste - kortom, gebrek voor velen en rijkdom voor enkelen. Ze impliceerden dat rijkdom het product was van sociale meerarbeid, verricht bovenop de arbeid die nodig was om te overleven, zodat de groei van maatschappelijke rijkdom afhankelijk was van de efficiënte exploitatie van die meerarbeid. Die kenmerken vormen de voorwaarden voor het kapitalisme, dat ze echter tegelijk vernietigt. Het kapitalisme is niet alleen ontstaan uit schaarste, het heeft die ook nodig. De eliminatie van schaarste betekent, in een kapitalistische context, overproductie en dus het verdwijnen van de winst. Maar concurrentie dwingt de kapitalist om steeds efficiëntere technologie te gebruiken die het productievermogen en dus het aanbod doen toenemen, terwijl het de vraag naar arbeidskracht naar verhouding doet afnemen en zo ook de vraag aantast. Hoe meer het kapitalisme zich ontwikkelt, hoe meer het dus zijn eigen bestaansvoorwaarde, schaarste, ondermijnt. En des te zwaarder de prijs die het daarvoor betaalt. DE CONTEXT VAN SCHAARSTE en rijkdom gebaseerd op meerarbeid veronderstelt de markt als aangewezen methode voor de organisatie van productie en consumptie. En het marktmechanisme veronderstelt de waardewet, die inhoudt dat de ruilwaarde van een waar wordt gemeten aan de arbeidstijd die in een gegeven economie nodig is om die waar te maken. De vrije markt legt die waardewet op. Als een waar geruild kan worden voor méér dan zijn equivalent aan arbeidstijd, neemt de productie ervan toe - tot overproductie de prijs weer omlaag trekt. Marx’ waardeconcept is complexer dan ik hier nu schematisch weergeef; het is vaak verkeerd begrepen maar de plaats ontbreekt om er hier op in te gaan. Laat ik zijn redering verder volgen. Zolang de creatie van het meerproduct, van rijkdom dus, zuiver het resultaat is van meerarbeid, is er geen fundamenteel probleem. Door steeds meer arbeidskrachten in te schakelen, door steeds meer arbeid aan hen te ontrekken, groeien het meerproduct en de meerwaarde, de sociale rijkdom en de winst, hand in hand. De productiekrachten zwellen aan. Maar ze veranderen ook. Zoals Marx voorspelde in Grundrisse, veranderen ze zo dat het meerproduct niet zozeer het resultaat is van meerarbeid maar van technologie. 'Arbeid lijkt dan niet meer zozeer deel van het productieproces; het wordt eerder zo dat de mens zich gaat verhouden tot het productieproces als opzichter en regulator.’ Die woorden, 140 jaar geleden geschreven, lijken een exacte beschrijving van een hedendaagse high-techfabriek. Super-efficiënt, super-productief. Wat is dan het probleem? De meerarbeid van de massa is niet langer de voorwaarde voor sociale rijkdom, maar door de waardewet blijft ze wel de voorwaarde voor kapitalistische rijkdom. Winst blijft niets anders dan meerwaarde. En naarmate de technologisering het productievermogen verhoogt, verkleint ze steeds meer de rol van arbeid in het productieproces. Minder arbeid, betekent minder meerarbeid, dus minder meerwaarde, dus minder winst. Die 'tendentiële daling van de winstvoet’, zoals Marx dat noemde, in combinatie met de onverbeterlijke neiging van het kapitalisme tot overproductie, verklaart waarom het gigantische potentieel van de informatierevolutie zich niet vertaalt in algemene welvaart maar in groeiende ellende en onzekerheid. WACHT EVEN, ZEGT U. Gaat het niet net omgekeerd? Een bedrijf dat efficiëntere technologie gebruikt, ziet zijn winstvoet stijgen, niet dalen. Klopt. Vanuit Marx’ analyse is dat ook logisch. Die technologie verlaagt de productiekosten van dat bedrijf en dus de waarde van zijn productie onder het maatschappelijk gemiddelde, terwijl de marktwaarde wordt bepaald door dat gemiddelde. Dus kan het bedrijf zijn producten verkopen boven de waarde ervan, en incasseert het een meerwinst. Juist omdat technologische innovatie de kapitalist meerwinst oplevert, is het kapitalisme daar zo'n vruchtbare voedingsbodem voor. Dezelfde technologische doorbraak die de kapitalist meerwinst oplevert, verlaagt het gemiddelde, de marktwaarde, en dus ook de winst van zijn concurrenten die gedwongen zijn om de innovatie over te nemen of te verzuipen. Zo wordt de productie steeds kapitaalintensiever en daalt het aandeel van de arbeid, zodat meerarbeid en winst krimpen. Marx’ analyse verklaart waarom koopkracht niet uit het niets gecreëerd kan worden. Anders zou het eenvoudig zijn om, bijvoorbeeld door een Marshall-plan voor de Derde Wereld, de vraag te stimuleren en zowel welvaart als winst te bevorderen. Maar terwijl de koopkracht groeit doordat waren steeds minder waarde bevatten en dus goedkoper worden, blijft de expansie begrensd door de (steeds tragere) groei van waarde in het productieproces. Marx benadrukte dat er factoren zijn die de tendenzen van overproductie en dalende winstvoet compenseren. Een klassieke is de verhoging van de uitbuitingsgraad. Dat kan door arbeid langer en intenser te exploiteren en lonen te verlagen. Maar het gebeurt ook automatisch doordat de waarde van de arbeidskracht daalt als de productie van wat de arbeider met zijn loon koopt, ook minder waarde vereist. Zo groeit de meerwaardevoet, de verhouding van onvergoede tot vergoede arbeid. Maar de meerwaarde blijft slechts een deel van de totale arbeidstijd in het productieproces; en als het geheel daalt, daalt het deel mee. Een compenserende factor die historisch belangrijker lijkt, is de uitbreiding van de wereldmarkt. Telkens als het ontwikkelde kapitaal de technische en politieke middelen vindt om zijn actieradius te verruimen, krijgt het toegang tot goedkopere arbeid (en dus meer meerarbeid en winst), en tot markten waar het, door zijn superieure producten en productiemethoden, een meerwinst opstrijkt. De noodzaak tot marktuitbreiding groeit echter met de productiecapaciteit. Niet alleen omdat produceren onder de capaciteit de productiekosten doet stijgen en dus de winst aanvreet, maar ook omdat de massaproductie steeds minder arbeidstijd en dus steeds minder waarde bevat, zodat er steeds meer van verkocht moet worden om dezelfde meerwaarde te realiseren. De grootste uitbreiding van de wereldmarkt vond plaats na de Tweede Wereldoorlog. Maar elke expansiefase bereikt het punt waarop de markt de groei van de productiekrachten niet meer kan bijhouden. De technologisering transformeert bovendien de behoeften, zodat de rest van de wereld de ontwikkelde landen steeds minder te bieden heeft. De meerwinst smelt weg, de modale winstvoet daalt opnieuw, overproductie steekt de kop op. De naoorlogse expansiefase bereikte die limiet in het begin van de jaren zeventig. Sindsdien heeft het kapitalisme diverse variaties op Keynes’ thema’s gezongen om de machine draaiend te houden. Maar eerst bracht monetaire expansie de wereld tot de rand van hyperinflatie, en vervolgens deed overbesteding de overheidsschuld gevaarlijk stijgen. De verlossing kwam een decennium geleden met een nieuwe uitbreidingsfase, die van de globalisering. Dit werd mogelijk door een (niet toevallige) samenloop van omstandigheden: een nieuwe technologische golf die de transport- en communicatiekosten drastisch verlaagde en het productieproces zelf transformeerde; de ineenstorting van het Oostblok waardoor deze voorheen semi-autarkische markt werd geopend; de uitbreiding van de vrijhandel waardoor de globale markt zich verruimde; en tot slot de deregulering van de financiële markten die het kapitaal de vrijheid gaf te komen en te gaan, waar en wanneer het dat wou. Aanvankelijk was de globalisering een goudmijn voor het kapitaal. De expansie van de wereldmarkt verruimde zijn afzetgebied, de concurrentie met technologisch zwakkere broertjes leverde een meerwinst op, de wereldwijde vraag naar nieuwe informatietechnologie creëerde een nieuwe relatieve schaarste, de grotere toegankelijkheid tot arbeidskracht in lagelonenlanden en de druk die daardoor ontstond op lonen elders, verhoogde de meerwaarde en dus de winst. Maar van begin af aan was de globalisering een proces van zowel uitstoting als integratie. Selectieve gebieden kregen een plaats in de global assembly line, maar grotere zones, waaronder bijna heel Afrika, werden van de economische wereldkaart geveegd. De expansielimiet van de globalisering werd al in 1996 bereikt. Overcapaciteit teisterde steeds meer sectoren. De nieuwe technologie verlaagde de toegevoegde arbeid in de productie en trok de modale winstvoet omlaag. De bom barstte in Zuid-Oost-Azië, waar de kloof tussen verwachtingen en realiteit het grootst was. De investeringen waren het afzetpotentieel te buiten gegaan en verloren hun rendement. Dat was het begin. Nieuwe ineenstortingen volgden. De epidemie spreidt zich uit van de zwakkere naar de sterkere landen. Een nieuwe expansiefase lijkt nu onmogelijk. Volgens Marx’ analyse is de toekomst er een van groeiende overproductie en dalende winst. Om nog een afzetmarkt te vinden, moeten steeds meer waren onder hun waarde verkocht worden. Een golf van deflatie komt dus op gang, zoals Marx voorspelde. Het wegsmelten van de winst leidt tot een uittocht van kapitaal en tot economische woestijnvorming in steeds grotere gebieden, zodat ook de markt van de sterkste kapitalen slinkt. Alleen daar waar een relatieve schaarste in stand te houden is, kan de deflatiedruk worden weerstaan. Zoals Marx voorzag, leidt dit tot een steeds grotere concentratie van kapitaal. Dit is een tijd van megafusies. Steeds grotere investeringen zijn vereist om een meerwinst te bereiken door de productiekosten onder het globale gemiddelde te trekken, om nieuwe, en dus relatief schaarse, waren op de markt te brengen, of om een kunstmatige schaarste te creëren door middel van gigantische reclamecampagnes. MAAR ZAL DIT PER SE tot een globale ineenstorting leiden? Kan dat geconcentreerde kapitaal niet bloeien zolang het de crisis kan afwentelen op zwakkeren? Kan het niet winstgevend blijven door telkens weer nieuwe schaarste te creëren voor nieuwe producten? Volgens de klassieke economie ('de wet van Say’) kan overproductie altijd overwonnen worden, als de producenten erin slagen om te maken wat de koopkrachtigen willen, want die moeten hun geld toch aan iets uitgeven. Fout, zegt Marx. Geld is niet alleen een ruilmiddel maar ook een waar, de enige waarnaar de vraag eindeloos is. Immers, geld (in de ruime betekenis, financiële activa) is een waar waarin je waarde kunt 'parkeren’, terwijl andere waren hun waarde verliezen als ze niet verkocht worden. De stimulans om waren om te zetten in geld kan dus veel groter zijn dan de stimulans om geld om te zetten in waren, en zo ontstaat er naar waren een vraagtekort. Hoe meer de kapitaalbezitter geconfronteerd wordt met dalende winsten en groeiend risico, hoe meer het hem zinnig lijkt om zijn kapitaal te parkeren in geld in plaats van het productief te investeren. Hoe meer kapitaalbezitters tot die conclusie komen, hoe groter de vraag naar financiële activa en dus hoe hoger hun prijs. Die prijsstijging maakt deze activa nog aantrekkelijker, wat vraag en prijs verder opjaagt. Tussen 1980 en 1992 groeiden de financiële activa van de Oeso-landen ruim twee keer zo snel als hun economie. In 1992 waren die activa al twee keer zoveel waard als hun BNP’s; in 2000 zouden de activa drie keer zoveel waard zijn. Zo wordt steeds meer koopkracht onttrokken aan de hele economie en overgeheveld naar het financieel kapitaal. De groeiende vraag naar geld vermindert de vraag naar alle andere waren zodat overproductie, deflatie en winstdaling toenemen. De kloof tussen de financiële markten en de reële economie wordt steeds groter. Maar geld heeft slechts waarde omdat het de universele waar is, omzetbaar in alle andere. Als andere waren hun waarde verliezen, doet geld dat ook. Aandelen en andere waardepapieren zijn vorderingen op toekomstige winsten. Als die winsten uitblijven, blijkt dat de keizer naakt is en spat de financiële zeepbel uiteen. En als de waarde van geld in vrije val is, kan het niet meer functioneren als betaalmiddel. 'De keten van betalingen breekt op honderden plaatsen’, schreef Marx. Die breuken verlammen het productieproces. Zolang de financiële ineenstortingen zich beperken tot de periferie, blijft sterker geld de globale economische machine smeren. Het effect kan zelfs gunstig lijken voor de sterkste landen: kapitaal uit heel de wereld zoekt een toevlucht in Europese en Amerikaanse financiële activa, waardoor hun waarde blijft stijgen. Maar dit dreigt hun crash nog ernstiger te maken. VELEN VERTROUWEN EROP dat, wat er ook gebeurt, de belangrijkste regeringen en centrale banken altijd in staat zullen zijn om paniek te stoppen. Maar de wanstaltige geldmassa die het bijproduct is van alle pogingen om het gelag uit te stellen, maakt die hypothese twijfelachtig. In 1983 waren de reserves van de vijf grootste centrale banken drie keer groter dan wat dagelijks op de geldmarkt in die landen verhandeld werd. De centrale banken hadden dus drie keer meer slagkracht dan de markten. Tien jaar later was de verhouding al omgekeerd. Als het hek van de dam gaat, zullen de markten naar niemand luisteren. Elke kapitaalbezitter zal slechts aan z'n eigen vel denken en zich zo snel mogelijk ontdoen van zijn ontwaardende activa. Zo zal de ontrafeling zichzelf voeden en de ergste depressie aller tijden een feit worden. Als Marx gelijk had… Sommige van de grootste misdaden tegen de mensheid werden in zijn naam begaan. Maar het zou even fout zijn om hem dat te verwijten als om Jezus of Mohammed het bloed aan te wrijven dat in hun naam vergoten werd. Het communisme dat Marx voor ogen stond, had niets te maken met de regimes in Moskou of Bejing. Nooit schreef hij dat het bereikt wordt door nationalisatie en staatscontrole, wel voorzag hij een staat die ineenschrompelt en verdwijnt. Zijn 'volgelingen’ schreeuwden 'Patria o muerte’ maar voor Marx was er geen erger gif dan nationalisme. Zijn droom was een wereldgemeenschap die het enorme potentieel van de globale economie aanwendt om de behoeften van die gemeenschap te bevredigen en voor het overige iedereen maximale vrijheid geeft. De realisatie van die droom is technisch mogelijk geworden. Het is geen utopie meer. De utopie is geloven dat het zo verder kan.