Hij is een vriend

Willem Elsschot schreef ruim twintig verzen, sommige zijn matig, sommige zijn meesterlijk en vier ervan zijn opgenomen in Gerrit Komrijs erehemel van De Nederlandse poezie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten. Zijn gedicht op ‘Het Huwelijk’ natuurlijk: ‘Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad, staan wetten in de weg en praktische bezwaren.’ En zijn poetische lijkrede op die arme Marinus van der Lubbe, in 1934 door de nazi’s geexecuteerd onder het zwijgend toezien van Hollands notabelen - ‘Laat het stikken in zijn centen, in zijn kaas en in zijn krenten, in zijn helden, als daar zijn: Tromp, De Ruyter en Piet Hein.’

Komrij heeft Elsschots verzen op zijn moeder de erehemel onthouden. Zij behoren kwalitatief in de tussencategorie. Het gedicht waarin Elsschot het overlijden van de oude vrouw berijmt, (her)las ik echter met grote belangstelling. Hij ziet achter de ouderlijke woning ‘een schimme’ draven. Het is de Dood. En hij zegt, eerst tegen de bezoeker, vervolgens tegen de stervende: 'Kom in, Mijnheer, ik stel u voor aan moeder. Vrees niets, kindlief, al heeft hij naakte beenen. Hij is een vriend, een goede vriend, een broeder. Hij is niet ruw, hij wandelt op de teenen.’
Commentarieerde Henri Borel: 'Wie zo over zijn moeder kan dichten heeft geen last van ethiek, noch van hart.’ Die man is terecht vergeten, zijn gelul laat ik maar voor wat het waard is. Laten wij het liever hebben over de doodsobsessies van Franz Schubert, de componist van het Grablied, het Totengraberlied, Eine Leichenphantasie en Der Jungling und der Tod. 'In Schuberts optiek is de Dood geen exponent van de bijbelse straf, geen tuchtiging voor onze zonden. Hij is een vertrouweling, hij is iemand die ons troost, iemand die de poorten van een andere wereld ontsluit’, zegt Dietrich Fischer-Dieskau, die het oeuvre beter kent dan wie ook. Zie de wijze waarop de Dood het stervende meisje toespreekt: 'Bin Freund und komme nicht zu strafen. Sei guten Muts, ich bin nicht wild, sollst sanft in meinen Armen schlafen…’
De parallellen tussen het gedicht van Elsschot en het lied van Schubert zijn opvallend. 'Sei guten Muts… vrees niet, kindlief… Bin Freund… Hij is een vriend… Ich bin nicht wild… Hij is niet ruw…’ Denk niet dat ik hier ga beweren dat Elsschot het lied van Schubert (beter gezegd: het gedicht van Schuberts tekstschrijver Matthias Claudius) heeft geplagieerd. Ik denk zelfs dat de schrijver het lied van de componist helemaal niet heeft gekend. Zo'n muzisch man was Elsschot niet, noch valt hij ervan te verdenken elke avond met de neus in obscure Duitse romantici te hebben gezeten. Er is, dunkt mij, veeleer sprake van een cultuurhistorische toevalstreffer, gebaseerd op een gemeenschappelijk, humaan uitgangspunt en het beiderlei resultaat grijpt ons - lezers en luisteraars - altijd weer bij de keel.