Prostaatproblemen, of: de mannelijke mystiek

Hij is wel grof hoor

Waarom moeten zoveel cabaretiers vrouwen er zo ongenadig van langs geven? Youp van ’t Hek, Hans Teeuwen, Theo Maassen. Toch: naast me zat een vrouw te gieren. En ook ik blijf maar lachen.

Seks wordt beschreven alsof het een straf is, schreef een van mijn studenten onlangs over de poëzie van Menno Wigman. Ik geef een practicum journalistiek kritiek aan de Universiteit van Amsterdam, en laat mijn studenten recensies schrijven van films, boeken, toneel, televisie. Deze student, een zeer leergierige, wilde graag over poëzie schrijven. Want: hij had nog nooit poëzie gelezen, en dit leek hem een goeie aanleiding. Wie zou ik zijn om hem daarin te ontmoedigen? In de gewone praktijk van de literaire kritiek overheerst de reflectie van de specialist, zeker als het op poëzie aankomt. Terecht, maar iets van de onbevangenheid van een leek moet in mijn ogen ook de ervaren criticus houden, om niet alleen maar papieren oordelen te vellen. Dus ja, leuk, kom maar op, ben benieuwd.

Wat hij dan moest lezen, was de volgende vraag. Ik raadde hem Celinspecties aan, van Ester Naomi Perquin, en Mijn naam is legioen, van Menno Wigman. Twee recente bundels, van jonge dichters – vergeleken bij Achterberg en Nijhoff bedoel ik – die gedichten schrijven die én onmiddellijk aansprekend zijn, vanwege hun heldere taal, herkenbare referenties, én moeilijk, een tikje ontregelend, duister. Hij had gekozen voor Wigman, zag ik toen ik het stapeltje opdrachten aan het nakijken was.

Haha, schreef ik in de kantlijn bij die zinsnede over seks en straf.

Het was een veellagige lach.

Allereerst: ik was verrast door de constatering.

Tegelijkertijd dacht ik: jezus. Hoezo is seks géén straf, dan.

Toen dacht ik: hij heeft gelijk.

En meteen erachteraan: ik heb een verziekt wereldbeeld.

(schril) Haha.

Mijn zus belt op. Ze is aan het pakken voor een paar weken Curaçao. En hoopt dat ik haar nog aan wat leesvoer kan helpen.

Zo handig, zegt ze. Ik heb foto’s gemaakt met mijn iPhone van boeken die ik zag in de Bruna.

Oké, zeg ik. Wat zoveel wil zeggen als: kom maar op.

Volgt een voor beide partijen frustrerende opsomming. Suzanne Vermeer. Simone van der Vlugt. Tatiana de Rosnay. Vijftig tinten. Ik heb het allemaal in huis gehad, maar wist niet hoe gauw ik me ervan moest ontdoen.

Stóm, sla ik me nu op het voorhoofd.

Geeft niet, zegt m’n zus vergevingsgezind.

En of ik de nieuwe show van Theo Maassen al heb gezien. Nee nog niet, maar: de kaartjes zijn in huis. Máánden van tevoren geregeld, want Theo Maassen is altijd in no time uitverkocht. Net als Hans Teeuwen. Of Najib Amhali. Youp van ’t Hek. Ze toeren het land door, draven eindeloos en overal op, en nog is het kennelijk te weinig. Is het alsof je met een kaartje een kostbare schat te pakken hebt.

M’n zus kirt. Dat klinkt raar – we hebben het hier niet over een vogeltje, en ook niet over een meisje; mijn zus is een volwassen vrouw, slechts tweeënhalf jaar jonger dan ik – maar het is de beste omschrijving van iets wat het midden houdt tussen voor goede verstaanders lachen en broeds gegiechel.

Hij is goed! kirt ze. Hij is in topvorm.

En ze voegt eraan toe: ik heb gegíerd.

Dan wat zachter, alsof ze me in vertrouwen neemt: hij is wel grof hoor.

Toen mijn zus haar man ontmoette, en ik hem nog niet had gezien, zei ze: hij is wel ondeugend hoor.

Ik vind weinig zo fijn als gieren.

Lekker lachen, zei mijn dochtertje vlak voordat ze, op weg naar vrolijke leeftijdgenootjes verderop in de ruimte, in een onmetelijke afgrond viel. Ik bedoel: het was een – voor tweejarigen – nogal forse afstap.

Lekker lachen, denk ik nog steeds, zeker driemaal daags.

Ik vind Theo Maassen een heel aantrekkelijke vent. Hij is groot, hij is op een prettige manier baardig, hij is gespierd. Hij laat aan het begin van zijn show, nog voordat hij opkomt, een waanzinnig sexy nummer horen.

I’m living in the 21st century, doing something mean to it

Do it better than anybody ya ever seen do it

Screams from the haters, got a nice ring to it

I guess every superhero need his theme music

De cadans van het nummer, de opzwepende chorusline op de achtergrond – ah-ha e-hee ah-ha – maken dat je plaatsvervangend adrenaline aanmaakt voor de geweldenaar die straks deze arena zal gaan bedwingen. Die zo meteen deze angstwekkende lachhonger, die zo dik in de lucht hangt dat je er punten van kunt snijden, gaat stillen. Hij is dan wel geen neger, maar het komt in de buurt, dankzij Kanye West.

Huh? Motherfucker, we rollin’

En daar gaat-ie, daar staat-ie, stuiterend, handenwrijvend, één bonk opgepompt zelfvertrouwen. Ik heb er zin in! roept hij een paar keer, en dat is aan alles te zien. Zijn donkere polo met korte mouw, zijn gladde nette broek, niet te wijd niet te strak, stevige sportschoenen; alles straalt gemak uit, plezier, een soort jongensachtige rijpheid. 45 is hij. 45! Dat is geen leeftijd, zoals hij zelf zegt, dat is een schoenmaat. Hij heeft er zin in, want hij is er ‘effe uit’. Lekker met zijn maten op stap. Weg van huis. Wist u dat vrouwen er driehonderdduizend woorden per dag uitbraken? 25 jaar is hij een alleenstaande man geweest, en nu woont hij samen, sinds anderhalf jaar.

‘M’n gezin is de hoeksteen waar ik m’n eigen ruiten mee heb ingegooid.’

‘Die vriendin van mij loopt nou ook tegen de veertig. Met alle gevolgen van dien. Laatst hielp ik een oud vrouwtje met oversteken, bleek ’t mijn vriendin te zijn.’

‘Ik ben nooit voor de buitenkant gegaan, wat dat betreft ben ik een romanticus. Altijd voor de binnenkant. De kut zelf. De schácht.’

Maassens huiselijke staat is een terugkerend thema in de voorstelling. Hoe doen andere mensen dat met een kind, en met een langdurige relatie? Hoe houden die het spannend in bed?

‘Wij hebben alles geprobeerd, alles. Anaal… Nee. Het risico dat er poep achter je eikel blijft kleven wil ik graag tot het minimum beperken.’

Jaren geleden belandde ik al zappend voor de televisie in een show van Chris Rock. Het onverwachte moment, in combinatie met mijn onwetendheid ten aanzien van het fenomeen Chris Rock, droegen misschien bij aan mijn lach­bereidheid. Maar ook: die stem! Alsof hij zichzelf voortdurend moet overschreeuwen, omdat hij anders niet opgemerkt zou worden. En: dat hoofd! Zo’n intens stout hoofd, zoals ik dat alleen maar ken van een collega, en van het meisje dat cardiotraining geeft bij de sportschool.

I looooov women! Zo begon hij.

I loooooooov women!

Deel van Rocks kunst is alles met nog meer volume te herhalen.

I looooooooov fat black women!

Geef mij een vrouw van 150 kilo, schreeuwde hij. Zo’n vrouw bij wie het eruitziet – met z’n handen beeldde hij iets uit wat stond over te koken, of de pan uit rees – alsof ze brood bakt in haar schoenen.

Van de liefde kwam hij al gauw op de hamvraag: What the fuck do women want? Wat mannen willen lijkt hem nogal wiedes. Mannen willen drie dingen.

Food.

Sex.

Silence. gt;

Voor het geval het nog niet helemaal duidelijk was, scandeerde Rock nog een keer of drie zijn overzichtelijke programma van eisen aan het adres van de vrouw: Feed me. Fuck me. And shut the fuck up.

Kwam het door die stem? Dat hoofd?

Ik bleef maar lachen, ook toen hij zijn beklag ging doen over de gemiddelde pijpkwaliteiten waarmee hij werd geconfronteerd, het vieze gezicht nadeed, het angstig verkennende tongetje.

Ik wil dat je aan m’n pik zuigt alsof er anti-gif in zit! schreeuwde hij.

Afgezien van het feit dat het nogal kansloos is om een grap uit zijn context te lichten, is weinig zo gevaarlijk als een grap navertellen, gevaarlijker nog dan de grap zelf maken. Helemaal met de introductie dat iets ‘echt heel grappig’ is, de verteller zelf al bij wijze van spreken begint te lachen, en niet kan wachten tot hij een soortgelijk effect bewerkstelligt bij zijn toehoorder.

Je moet het ook maar net kunnen, een grap vertellen, of je ’m nu zelf hebt bedacht of niet. Op de goeie manier spanning opbouwen, de mimiek onder controle houden, niet gaan blozen, zweten of beven, niet te snel naar de clou draven, verstaanbaar blijven – nogmaals: niet zelf al gierend ten onder gaan – en dan helemaal op het enige juiste moment, het is een kwestie van heel scherpe timing, op z’n allercoolst de punchline erin rammen. Comedians worden door schade en schande beter, als het goed is, en kunnen – zoveel sneller dan schrijvers, die een leven lang bezig kunnen zijn om alles met elkaar te laten kloppen – gaandeweg het seizoen een graad van perfectie bereiken.

In haar essay ‘Om je dood te lachen’ (opgenomen in de bundeling Ik heb mij bedacht, Prometheus 2010) volgt Zadie Smith met plaatsvervangende doodsangst de verrichtingen van haar broer in verschillende comedyclubs. ‘Als hij me had gezegd dat hij een zware hartoperatie moest ondergaan, op dat geïmproviseerde toneel in de piepkleine donkere kelder van een Londense pub, dan had ik me niet beroerder kunnen voelen.’

Al snel komt ze echter ook tot de conclusie dat alle mogelijke zorgen en beginselen van een komediant ondergebracht kunnen worden in één even simpele als veeleisende vraag: is het leuk? En dat dat iets benijdenswaardigs heeft. ‘Als ze naar een onbeschreven blad kijken, weten ze tenminste altijd de vraag die ze aan zichzelf moeten stellen.’ De duidelijkheid van het doel heeft tot gevolg dat er ook altijd de mogelijkheid is van een buitengewoon snelle verbetering. Komedie is een Lazaruskunst, concludeert ze: op het toneel kun je sterven en weer opstaan.

Uitdagers van de dood, noemt Zadie Smith comedians. Geen moment kan worden gepasseerd zonder het met gelach te vullen. Die term, ‘uitdagers van de dood’, voert me voor de zoveelste keer terug naar het essay dat Christopher Hitchens een aantal jaren geleden publiceerde in Vanity Fair, Why Women Aren’t Funny’. Het blijft me dwars zitten denk ik, al kan ik zijn redenering wel volgen. Volgens hem móeten mannen wel grappig zijn, dat allereerst. Om indruk te maken op de andere sekse. ‘Making them laugh has been one of the crucial pre­occupations of my life’, verzucht Hitchens. Wat is er mooier, en dankbaarder, dan als je een vrouw zo ver krijgt dat ze het hoofd in de nek moet gooien van het lachen? Vrouwen hoeven niet op die manier hun best te doen om aandacht te trekken, aldus Hitchens. Vrouwen noemen ook meestal als een van de belangrijkste eigenschappen van hun geliefde dat hij zo geestig is. Sterker nog: dat een vrouw van een man zegt dat hij geestig is, is hetzelfde als dat een man over een vrouw zegt dat ze aantrekkelijk is. Er zíjn wel vrouwen die geestig zijn, vervolgt hij, maar die zijn dan lesbisch, joods of lelijk. Halverwege het betoog heeft hij de premisse net iets gedraaid: de aanname is nu dat mannen over het algemeen grappiger zijn dan vrouwen. Mannen durven hard te zijn. Smerig. Kinderlijk. Vrouwen daarentegen moeten kinderen baren, en dus het leven respecteren. ‘For women, reproduction is, if not the only thing, certainly the main thing.’ Vrouwen en humor zouden dus niet verenigbaar zijn omdat vrouwen dragers van het leven zijn, waarmee ze recht tegenover Smith’s uitdagers van de dood staan.

Even afgezien van de kwestie of zowel Smith als Hitchens humor niet eenzijdig opvat als iets zwarts, ondermijnends en smerigs, knaagt er nog iets: waarom moeten zoveel grappen­makers in hun kennelijke doodsstrijd vrouwen er zo ongenadig van langs geven? Youp van ’t Hek die het in zijn laatste show voortdurend heeft over ‘die wijven’, ‘uitgenaaide mutsen in de overgangsklasse’, ‘ouwe overgangsdozen, ruftend naar antirimpelcrème’.

Theo Maassen en Hans Teeuwen zijn hierbij vergeleken onschuldige kwajongens, die het liefst de hele tijd zo hard mogelijk kut willen roepen om te kijken of je wegrent.

‘Ik ben kapót’, zegt Teeuwen halverwege zijn laatste show, en gaat languit op het podium liggen. ‘M’n moeder is aan d’r kút geopereerd. Ja da was wel even nodig hè. Hele lappen dood vlees moesten worden weggesneden. En daarna moest ze de hele dag met d’r foef in de soda zitten. Dan wil je de mensen die je dierbaar zijn in de buurt hebben.’

Grimmiger is Maassen als hij het heeft over Linda de Mol, ‘met haar strak getrokken botoxkop’. ‘Alles is strak getrokken behalve waar je zou willen dat het strak was. Als het in ’t Gooi gaat regenen, fungeert haar vagina als partytent.’

Lekker lachen.

Youp van ’t Hek nog een keer, met zijn antirimpelcrème-obsessie: ‘Als mijn wijf zo zou meuren, dan zou ik d’r voor het neuken een kwartiertje buiten hangen.’

Hoe leuk is dat?

In Crimes and Misdemeanors speelt Woody Allen een armlastige documentairemaker die door zijn vrouw wordt gedwongen zijn ijdele zwager te volgen met de camera. Deze succesvolle regisseur, gespeeld door Alan Alda, debiteert de ene na de andere pompeuze waarheid over de zogenaamde essentie van humor: ‘If it bends, it’s funny; if it breaks, it’s not funny.’

Het liefst zou Allen een documentaire maken over de joodse filosoof professor Levy, waarvoor hij al jaren materiaal verzamelt. Gedurende de film worden fragmenten uit interviews met Levy getoond, die zich steeds een droefgeestige, wijze commentator op het aardse gekrakeel betoont.

‘Human happiness does not seem to be included in the design of creation. It is only we, with our capacity to love, that give meaning to the indifferent universe.’

Een van de grappigste scènes in de film is als Allen op bezoek is bij zijn zus, alleenstaande moeder, en vraagt hoe haar laatste date was. Half huilend begint ze hem te vertellen hoe vreselijk het was, hoe ongelooflijk en beschamend vreselijk. Wat dan, hoezo dan, vraagt Allen bezorgd. De zus vertelt omstandig hoe het allemaal leuk en onschuldig begon met wat drinken, wat eten, babbeldebabbel, dat ze de man mee naar haar huis nam, naar haar slaapkamer, met hem in bed belandde en dat hij vervolgens…

O het is zo erg, zo erg, ik kan het niet zeggen, snikt ze. Vertel het me, zegt Allen, die er alvast bij is gaan zitten, voorbereid op het ergste, voor zover het idee van je zus in een slaapkamer met een vreemde vent al niet meer is dan je kunt verdragen. Hortend en stotend weet de zus het hoge woord eruit te persen: de man was op d’r gaan zitten, en – haar stem wordt nog wat zachter, klaaglijker - ‘and then he went to the bathroom on me’.

Verbijsterd moet Allen even de portee van deze mededeling tot zich door laten dringen, om vervolgens in een luid kreunen uit te barsten.

‘Ooo nooo it’s terrible, it’s disgusting!’

Het is nog niet klaar. Als Allen ’s avonds thuiskomt, ligt zijn vrouw al in bed. Met gebogen schouders, geknakte rug, zit hij op de rand van het bed.

Hoe zijn dag was, vraagt zijn vrouw vanuit de kussens.

Allen: ‘A strange man defecated on my sister.’

Waarop zijn vrouw, zonder verder een spier te vertrekken, half gapend en op haar aller­lijzigst vraagt: ‘Why?’

Inmiddels is het in dit bestek best een legitieme vraag. Why? Waarom zou een man zich willen ontlasten op een vrouw?

Het meest simpele antwoord luidt: omdat mannen viespeuken zijn. Die heb ik niet van mezelf, maar van Theo Maassen. Alle mannen zijn viespeuken, zegt hij aan het begin van zijn voorstelling. ‘Viespeuk! Je kunt het tegen elke man op straat roepen, en die man zal meteen denken: shit, ze weten ’t!’

Hij verbindt er onmiddellijk een verzoek om een soort algeheel pardon aan, speciaal gericht aan ‘ons’, de dames.

‘Kom op dames. Neem ’t ons niet langer kwalijk. De enige reden waarom we hier überhaupt zijn, is omdat we viespeuken zijn.’

Professor Levy zou er krakerig en in zwart-wit het volgende over zeggen: ‘Mannen hebben een “masculin mystique”, zoals vrouwen een “feminin mystique” hadden. Als je een echte man bent, moet je nog een keer geboren worden door een man. Vandaar die mannelijke initiaties, in het leger, in de kerk. Wat je leert als je geboren wordt door een man, is angst voor en gehoorzaamheid aan de man die boven je staat. In ruil daarvoor krijg je twee dingen: de mogelijkheid om zelf die man te worden, ooit, en dominantie over de vrouwen in je leven. We weten allemaal dat het bijna niemand lukt om die man aan de top te worden. En ook hun vrouwen doen nooit helemaal wat zij willen. Dus bijna alle mannen leven in angst. Een man moet altijd iets terug kunnen zeggen, terug kunnen slaan, anders is hij een watje.’

Een sissy, zegt professor Levy.

Theo Maassen: ‘Ik heb me omhoog moeten vingeren.’

Christopher Hitchens: ‘Humor is een over­levingsstrategie.’

Youp van ’t Hek: ‘Humor is… Ik weet het niet. In Doetinchem had een man z’n vrouw aan een boom gebonden. Hij wou zeker met de hond op vakantie. Dat vind ik zelf ook grappig. Hoe het werkt weet ik ook niet.’

Kanye West: I don’t need yo’pussy, bitch, I’m on my own dick.

‘Niet bang zijn hè’, zegt Hans Teeuwen als hij traditiegetrouw zijn rondje door het publiek maakt, op zoek naar een vrijwilligster. ‘Hoe heet je?’

‘Evelien.’

‘O zo heet de wrat op mijn lul ook.’

It bends.

Misschien is het een leeftijdskwestie. Een verziekt wereldbeeld, waarin seks en straf in elkaars verlengde liggen. Pieter Derks lijkt nergens last van te hebben, in zijn fris geruite overhemd. Jochem Myjer zingt: ‘Ik ken je uit mijn hoofd (…) kijk ik stiekem naar je billen en ren dan razendsnel weer terug.’ Geen vagina te bekennen.

Terwijl Youps prostaat opspeelt als hij met behulp van een tomtom zijn weg moet zien te vinden onder de lakens, naar een bijgeknipte kut. ‘Ik wist niet dat er zoveel rimpels in één wijf pasten.’

It breaks.

Professor Levy: ‘De meeste mannen boven de vijftig zijn depressief. Het is een menselijke reactie op wat het leven bij hen aanricht.’

Op een gegeven moment zoekt hij een man in het publiek die een kaart moet trekken, had mijn zus ook nog gezegd over de show van Theo Maassen. Die man, dat was Fred.

Fred is mijn ondeugende zwager.

En ja, ook toen ik er was, was er een man die de kaart moest trekken. Gerard heette hij nu, maar hij had ook Fred kunnen heten.

Het eindigde allemaal met een verhaal over zijn dochtertje. Eerder al had hij verteld hoe moeilijk het was om haar een maillot aan te trekken. ‘Ik heb wel veel meer bewondering gekregen voor mensen die kinderen seksueel misbruiken. Ik geef het je te doen hoor.’

Naast me zat een vrouw te gieren. Ze pafte ook zo’n drie pakjes per dag weg, schatte ik. Ze gierde, maar wilde tegelijkertijd laten horen dat ze diep van binnen geschokt was. Kindermisbruik, de anus van Najib Amhali, de matras van Eindhoven, poepsporen achter de eikel, klodders zaad op het voorhoofd van Máxima… Wohohohohoho. Het is een armzalige poging om dat veelkantige geluid naast me weer te geven.

Als klapstuk van de avond stond Theo Maassen met zijn rug naar het publiek. Hij boog zich voorover en trok zijn billen uit elkaar. Hij ging ons zijn poepgaatje laten zien. De vrouw naast me had het niet meer. Terwijl hij er toch gewoon zijn broek bij aan hield.