Hij man bèta

De nekhaartjes van de jongen die voor me zat in de banken van de lagere school waren secuur opgeschoren. Wat mij vooral deed krimpen van liefde was het zwarte elastiekje dat achter in zijn nek was vastgeknoopt, waarmee zijn bril op zijn plaats gehouden moest worden. Janson was een rekengenie, de beste van de klas. Ik was acht en moest en zou hem beheersen, deze Janson Jee van wie ik er pas drie jaar later achterkwam dat hij Jan Zonjé heette. Ik wist hem te bewegen om samen met mij en mijn vriendinnen touwtje te gaan springen in het speelkwartier, waardoor hij al snel bij iedereen uit de gratie raakte, inclusief die van mij. Later, veel later, kwam ik hem tegen en was hij natuurlijk doctor in de wiskunde en ik iets in de letteren. Want b is b en een a'tje blijft een a'tje.

Het moet iets met die jarenlange aanblik van dat elastiekje te maken hebben dat ik geen opwindender lectuur ken dan het werk van Gerrit Krol. Hij is voor mij het raadsel man in optima forma. Fragiel en tegelijkertijd onneembaar in zijn mathematisch denken. Zware bril, kwetsbaar nekje. Een Fries huilt niet (1980) was mijn kennismaking met zijn werk en het veroverde mij totaal. Dat ik het niet echt begreep was nogal logisch, gezien mijn alfa-achtergrond. De kloof tussen alfa en bèta is een van de thema’s van Gerrit Krol. In Een Fries huilt niet verklaart de schrijver de alfa-vakken sowieso al in zijn zak te hebben en daarom voor de bèta-richting te hebben gekozen. Het gaat er immers om verschijnselen te kunnen verklaren. Hij is een snijder die alles het liefst als een appel doormidden snijdt. Zo zou hij ook zijn vrouw willen ‘blootleggen’. Op een tegelijkertijd poëtische en vervreemdend zakelijke toon beschrijft hij haar die altijd in een lichtend centrum lijkt te staan. Prachtig en onnavolgbaar. De literaire aanpak van dichter/schrijver Gerrit Krol, die een omvangrijk oeuvre op zijn naam heeft staan, is nergens mee te vergelijken. Je kunt zijn stijl proberen te omschrijven, bijvoorbeeld als 'terloops maar toch dwingend’, of 'grappend maar onontkoombaar’, maar het blijven onbeholpen pogingen. Een boek (roman?) als De ziekte van Middleton (1969) ziet er experimenteel uit, met schema’s, tekeningen en andere grappen die de tekst onderbreken, maar omdat alles gesteld is in klinkklare taal is er niets ondoordringbaars aan. Het experiment is geen doel op zich, maar een logische oplossing voor het probleem van de schrijver: hoe krijg ik het allemaal op papier? Al even logisch is het dat Gerrit Krol nu zijn autobiografie heeft geschreven onder de titel 60 000 uur. Geen idee of met dit aantal uren het geleefde leven wordt uitgedrukt, of alleen het werkende bestaan, of nog iets geheel anders (ik vrouw alfa), maar het is de perfecte noemer voor deze originele memoires. 'Een autobiografie’, luidt de ondertitel, met nadrukkelijk onbepaald lidwoord. Want geen jeugdjaren, liefdesleven of artistieke worsteling wordt beschreven, maar het werken aan systemen. Systemen! 'We praatten over het mooie van de wiskunde, over vrouwen en filosofie.’ Dat is de erotiserende werkelijkheid waaruit de schrijver put. Krol beschrijft hoe hij bij de Nam (Nederlandse Aardolie Maatschappij) ging solliciteren, ooit, omdat hij, opgevoed in de wiskunde en de logica, wel eens wilde weten hoe de wereld werkte. Daarvóór had hij al tien jaar bij de Shell gezeten. Zijn taak bij de Nam werd het opzetten van een informatiesysteem waarmee de Groningse gasproductie technisch en administratief beheersbaar kon worden gemaakt. Het verslag van zijn vorderingen speelt zich af in de begintijd van de computers. Krol pioniert met een computertaal, 'Daisy’ genaamd. Gegevens moeten worden ingebracht ('slavenwerk’), handleidingen geschreven… Ongelooflijk saaie materie waaraan Krol een suspense-achtige draai weet te geven. En waar dat ’m nou in zit? Allereerst waarschijnlijk in de superieure vanzelfsprekendheid waarmee hij de lezer deelgenoot maakt van aardlagen, gasputten en berekeningen. Hij legt niets uit, maakt daardoor ook niks ingewikkelder dan het al is, waardoor instemmend knikken de enig mogelijke reactie is: aha, zit dat zo. Daarnaast geldt dat Krol, in al zijn techneuterigheid, oog heeft voor de wereld om hem heen. Dit levert mooie waarheden op als: 'Als je de wereld wilt beschrijven, moet je beginnen met het abc, met de vorm.’ En: 'Anything goes - als het maar een motor heeft, een ziel, als het avontuur maar lokt.’ Ook voor het kantoorleven heeft hij een aantal troostende observaties in petto, zoals: 'Vergaderen is een vorm van verval.’ Alleen de bèta-man die alfa in zijn zak heeft, de techneut met dichterlijke inborst, kan de spanning tussen mens en systeem vangen zoals Krol dat doet. Op onnadrukkelijk geestige wijze maakt hij duidelijk dat, nauwkeurig bepaalde coördinaten en snijpunten ten spijt, alles mensenwerk is. Mensen die parafen moeten zetten, 'okido’ zeggen en er hun eigen administratietjes op na houden. Hoogtepunt wat het laatste betreft is zijn bezoek aan Toos. 'Een dame die het speldje van haar twintig jaar dienstverband op de revers droeg.’ Toos blijkt degene die de inkomsten van de Nam sinds jaar en dag bijhoudt, in een zwarte multomap waarop ze met knijpletters GAS ADMINISTRATIE heeft geplakt. Ze rekent alles uit met een rekenmachientje ('het gaat om miljarden’) en typt vervolgens de facturen. Geen systeem, maar nooit een fout. Een half jaar later wordt Toos geautomatiseerd. 'Toen werd het een systeem.’ De dingen onderbrengen in een systeem is het allerhoogste goed, en tegelijkertijd is het een ijdele onderneming. 'Cijfers vragen om meer cijfers.’ Krol maakt een Data Atlas waarin het netwerk wordt beschreven, met behulp van pijlen en kleuren. Prachtig gaat het eruitzien. 'Alsof alles op rails loopt.’ Onderweg van de drukker naar huis, met de drukproeven naast zich in de auto, kan Krol zich niet bedwingen even in de berm te stoppen om er doorheen te bladeren. 'Vrouwen houden van bloemen. Mannen houden van systemen, van rails, van spoortreintjes. Tot op hoge leeftijd.’ Ik zie de gebogen nek voor me, het vastgeknoopte elastiekje.