Hij schonk zijn land cola

Op het moment dat het overlijden van Deng Xiaoping werd afgekondigd herlas ik, geloof het of niet, Roger L. Simons’ curieuze thriller Peking Duck, gepubliceerd in 1979, even nadat Deng de toverpantoffels van Mao had aangeschoten.

Het boek beschrijft een handjevol progressievelingen, in het kader van de ‘Chinees-Amerikaanse Vriendschapsreis nummer vijf’, fellow-travellend tussen Peking en Shanghai. God, wat waren die nepmaoïsten een paar weken later blij weer op kapitalistische bodem terug te zijn! Onder achterlating van de lieftallige Lioe Zjoyoun, die ideologisch uit de band was gesprongen en daarom werd overgeplaatst naar de kaderschool Herfstoogst Zevende Mei in de landstreek Sinkiang, bij de Russische grens, waar zij ijverig deel vijf van Mao’s Verzameld Werk bestudeerde 'om zodoende misschien mijn individualistische aard te bestrijden’.
Erik van Ree was toen nog recht in de leer. Het is komisch om te zien hoe hij zich thans, inmiddels ideologisch afgekickt, beroept op het recht van 'individuele consumptie’ teneinde zich, ongehinderd door de bedilzieke overheid, vol heroïne en cocaïne te mogen stoppen.
Ik zie daar niets in, net zomin als ik ooit iets in Mao’s kalenderwijsheden ('In een klassenmaatschappij leeft iedereen als lid van een bepaalde klasse’) heb gezien. Er zijn wat massapsychologische verklaringen te verzinnen voor het feit dat de Chinezen zich door Mao en de zijnen lieten terroriseren. Dat weldoorvoede en goed opgeleide westerse intellectuelen zich met dat regime identificeerden, ging echter mijn verstand te boven. Want het verstand was in dat land de facto afgeschaft. De intellectuelen waren, na de Culturele Revolutie, naar het platteland gedeporteerd. Alle literatuur was uit de boekhandel verwijderd om exclusief voor het werk van Mao plaats te maken. Alle filmstudio’s waren gesloten, behalve de studio van het Volksbevrijdingsleger, waar louter agitprop werd vervaardigd. Het repertoire in de schouwburgen en de bioscopen, op radio en televisie, bestond enkel en alleen uit dat half dozijn modelopera’s van mevrouw Mao. De tempels en kloosters werden, voor zoverre niet gesloopt, gebruikt als fabriek of vuilnisbelt. Kinderen verrieden hun ouders, ouders gaven hun kinderen aan. Lees, of herlees, Simon Leys’ Chinese Schimmen (1976) en verwonder u met mij over het feit dat mensen met een niet onscherp verstand als Erik van Ree, Koos van Zomeren, Boudewijn Büch en Anja Meulenbelt ooit achter de Grote Roerganger hebben aangehobbeld.
'Je zal toch moeten toegeven dat in China in elk geval een einde aan het analfabetisme is gemaakt.’
'Maar wat heeft dat voor zin als je in dat land alleen maar de Verzamelde Werken van Mao kopen kunt?’
Deng was pragmatischer. Hij schonk zijn land Coca-Cola, westerse popmuziek, benevens een communistische variant op de vrije-markteconomie. En een bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede, want ook voor hem kwam de revolutie nog steeds uit de loop van een geweer. Hij was vast een visionair politicus. Niettemin, een land dat zo'n man, in het aangezicht van de dood, nog drie jaar als een zombie heeft laten rondschuifelen zonder hem netjes in het bejaardentehuis De Tempel van de Liggende Draak te parkeren, blijf ik met argwaan bezien.