Hij stierf voor ons

ESTHER GERRITSEN
DE KLEINE MIEZERIGE GOD
De Geus, 316 blz., € 21,90

Haar rijkste boek tot nog toe, noemt Esther Gerritsen haar roman De kleine miezerige God zelf. Net als bij haar vorige roman Normale dagen (2005) stuurt de uitgever een soort communiqué mee. Het boek mocht eens niet voor zichzelf kunnen spreken. ‘Voor het eerst heb ik een compleet boek geschreven’, zegt de schrijfster in het bijgeleverde interview. ‘Met rijke personages met een verleden en een heden, familie en een baan.’
Inderdaad is De kleine miezerige God net weer een echtere roman. De loodzware contemplatieve verteltoon van haar debuut, de verhalenbundel Bevoorrecht bewustzijn (2000), en het voortdurende tegen navelstaarderige wezenloosheid aanschuren van de roman Tussen Een Persoon (2002) waren min of meer verdwenen in het veel communicatievere Normale dagen. Met De kleine miezerige God zet Gerritsen deze trend door, wat iets anders is dan dat ze nu een fijne roman, in de zin van: overrompelend leeswerk, heeft geschreven. Het blijft een ‘echte Gerritsen’, kunnen we inmiddels wel zeggen, en een echte Gerritsen staat garant voor gewroet, gepeuter, stilstand en geconcentreerd moeten lezen. Maar dan heb je ook wat. Of toch niet?
Net als Normale dagen gaat deze nieuwe roman over het verlangen naar contact. Echt contact, dat zich onttrekt aan de beleefde omgangsvormen waarin het meeste menselijk verkeer gevangen zit. Dominique is een nieuw leven begonnen in Amsterdam als speltherapeute. Ze heeft haar oude leven in Nijmegen, dat zich grotendeels afspeelde in de kroeg, achter zich gelaten. De enige reis die ze nog aflegt naar het zuiden is naar haar dementerende moeder, die is opgenomen in een verzorgingstehuis, en naar een tante en oom. Twee belangrijke personen dienen zich in haar nieuwe leven aan: onderbuurvrouw Jovkov, met wie Dominique een soort schaamteloos eerlijke omgang krijgt, en lelijke oudere collega Kris, met wie ze een verhouding krijgt en van wie ze zwanger raakt.
Zoals dat hoort in een complete roman heeft Gerritsen een dramatisch exposé gecreëerd rond deze drie personages, Dominique, mevrouw Jovkov en Kris. Er is een kind dat dood wordt geboren, er is een verloren dochter in Amerika, er zijn misverstanden en relationele perikelen. Aan drama en verhaalontwikkeling geen gebrek kortom, en toch komt niets echt tot leven. Het klinkt een beetje gek om over een roman te beweren, maar alles blijft van papier.
In concreto komt dat door het vertelperspectief dat, op het einde na, volledig bij Dominique ligt, en door het type personage dat zij is: piekerend en doordenkend tot op het gekke af. Weliswaar verlangt zij naar lichtheid, maar ze heeft uitsluitend talent voor zwaarte. Of het nu gaat om het contact met haar cliënten, die haar ‘kleine verhalen van hoop en angst’ geven, of haar fascinatie voor Kris, die resulteert in ‘een grote, lelijke kerel in zijn onderbroek in haar keuken’, of om haar gesprekken met mevrouw Jovkov, die zegt dat ‘duidelijke mensen altijd alles op hun brood krijgen’, iedere scène, iedere zin is geladen met betekenis.
Mooi, zou je kunnen zeggen, maar ook, zoals de Engelsen zo elegant kunnen zeggen: tedious. ‘Vervelend’ klinkt meteen weer zo verwend en gaperig.
Die constant op de loer liggende tediousness heeft meer in het algemeen uiteindelijk alles te maken met de hoge abstractiegraad van Gerritsens werk, een abstractiegraad die ze deelt met niet de minsten, bijvoorbeeld met Connie Palmen (met name haar debuutroman De wetten), maar ook met Marie Kessels (Boa), en met Désanne van Brederode (Ave verum corpus). In dit type proza gaat het vooral om het Idee dat moet worden uitgedrukt; de roman is slechts een noodzakelijk vehikel. In De kleine miezerige God gaat alles, what’s in a title, om de manier waarop Dominique in het leven staat, en in welke houding zij is komen te staan, uit verlangen naar een getuige, tot God. Nu suggereer ik in één zin iets religieus, waar Gerritsen het klaarspeelt om in ruim driehonderd pagina’s het wél over ‘een’ God te hebben, maar toch iedere notie van religie te vermijden. Wat een prestatie op zich is.
‘Ik moet ’m ook niet’, zegt Dominique op een bepaald moment tegen haar buurvrouw over degene tot wie ze zich in gedachten richt, degene die ze een grote verantwoordelijkheid voor haar leven toedicht. ‘Ik mag hem niet. Maar iemand moet toch getuige zijn?’ De onbepaaldheid van deze God belet niet dat Dominique in een ander gesprek met de buurvrouw, of in hetzelfde gesprek (dat die gesprekken op elkaar lijken, zegt iets over de manier waarop Gerritsen zich van de romanvorm bedient), haarfijn kan uitleggen waarom Jezus aan het kruis is gestorven. Hetgeen ook een prestatie kan worden genoemd: duidelijker heb ik dat nooit onder woorden gebracht gezien. Zoals Esther Gerritsen in dit boek wel meer zaken heel treffend en diepzinnig beschrijft. Wat iets anders is dan dat ik vind dat ze ook een geslaagde roman heeft geschreven.