ESSAY Van Profumo tot Petraeus

Hij stond met zijn broek op de enkels en de wereld oordeelde

Schandalen helpen nog steeds om ons beter te voelen dan anderen. We meten met een dubbele maat. Wel is de doorloopsnelheid nu hoger dan voorheen.

Bekentenis: lange tijd had ik The New Encyclopedia of American Scandal op het toilet liggen, een compendium van meer dan ‘450 Infamous Incidents from the 1600s to the Present’. Het gevolg was dat ik langer dan strikt noodzakelijk in mijn eigen stank bivakkeerde teneinde nog dat ene lemma extra tot me te kunnen nemen. Waarom? Het was niet de hijgerigheid van de tekst; zo’n encyclopedie geeft – anders dan tabloids en televisierubrieken doen – slechts een zakelijke opsomming van feiten. Leopold en Loeb, pubers uit bevoorrechte kringen, pleegden als bewijs van hun vermeend superieure intelligentie de ‘perfecte moord’, maar vielen door de mand. Edward Kennedy, de gedoodverfde presidentskandidaat, raakte te water met zijn auto, redde zichzelf, maar liet secretaresse Mary Jo Kopechne verzuipen. En daar hebben we de sigaar uit eigen doos die Monica Lewinsky haar baas Bill Clinton aanbood. Niettemin, ook zonder uitroeptekens, chocoladeletters en morele verontwaardiging spreken dergelijke affaires tot de verbeelding – meer zelfs, aangezien je gedwongen bent de vaak ranzige details zelf in te vullen. (Ik maakte mezelf wijs dat het stuk voor stuk verhalen waren met literair potentieel en dat ik op het gerief research aan het doen was. Inderdaad: we tell ourselves stories in order to live.)

Wat die encyclopedie tussen de regels door onderstreept is niet alleen dat schandalen van alle tijden zijn (duh!), maar dat zelfs de aard van schandalen redelijk stabiel blijkt. Samensteller George Childs Kohn schrijft in zijn voorwoord: ‘Bedrog, omkoping, seks, macht en faam vormen de vaste ingrediënten van schandalen. Soms gaat het ook om moord of zelfmoord, maar dat op zich is niet voldoende voor een schandaal. Er moet een extra element zijn – iets wat door het publiek als zeer ongelegen, schokkend of verwerpelijk wordt ervaren: een succesvolle man of vrouw of groep die weg probeert te komen met flagrant ongepast gedrag, of het nu spionage, hoogverraad, heimelijke travestie, mishandeling, criminaliteit of publieke obsceniteit betreft. Een goed schandaal vereist dat de publieke perceptie wordt ondermijnd door de onthullingen.’ Het beeld van Jimmy Savile dringt zich op, de Britse ster van de kindertelevisie, die niet alleen een serieel kindermisbruiker bleek, maar jaren uit de wind werd gehouden door de bbc, opmaat tot een meervoudig demasqué dat niet alleen persoonlijke reputaties ondermijnde, maar de fundamenten van een instituut.

Als er geen wezenlijke verschillen zouden bestaan tussen schandalen uit de negentiende eeuw, de jaren zestig of nu, dan mag je concluderen dat onze maatschappij in moreel opzicht veel minder aan verandering onderhevig is dan we gewoon zijn te denken. Eigenlijk zijn alleen homo­seksualiteit en godslastering van het bakje ‘schandalig’ naar het bakje ‘who cares?’ verhuisd. Maar laten we de stelling vooral aan een test onderwerpen. En wel via een recente affaire die de mogelijkheid biedt voor vergelijkend warenonderzoek.

Het begon met een fbi-onderzoek naar dreigmailtjes aan het adres van ene Jill Kelley, een socialite uit militaire kringen in Tampa, Florida. De mailtjes bleken afkomstig van Paula Broadwell, de biografe van cia-baas en voormalig topmilitair David Petraeus, met wie Broadwell een buitenechtelijke affaire had. Alarmbellen gingen af in veiligheidsland, iets luider dan de feiten rechtvaardigden, wat niet los valt te zien van de langlopende kinnesinne tussen fbi en cia. Vraag: had loslippigheid in bed ertoe geleid dat Broadwell geheime informatie had prijsgegeven tijdens een voordracht aan de Universiteit van Denver, waar ze inging op de aanval op het Amerikaans consulaat in Benghazi? De in diskrediet gebrachte Petraeus nam ontslag, maar al snel breidde het schandaal zich verder uit. Eerder genoemde Jill Kelley bleek zelf een ‘ongepaste relatie’ te onderhouden met John R. Allen, commandant van de Amerikaanse en Navo-troepen in Afghanistan. Ook was er een ‘shirtless agent’ (mijn favoriete figuur in het geheel) die óók hoteldebotel was op mevrouw Kelley. Overigens was Kelley een goede vriendin van het echtpaar Petraeus, wat het verhaal een verrassend dorps karakter verschaft. Het heeft alles wat een goede hbo-serie zou moeten hebben: een kruising tussen Desperate Housewives en een politieke auteursfilm uit de jaren zeventig, waar het allerhoogste (internationale veiligheidsdiensten en oorlogen) in botsing komt met het allerkleinste (buurtroddel en achterklap).

Toen het schandaal zich – in rap tempo – ontvouwde, moest ik direct denken aan het Profumo-schandaal uit 1963. Weliswaar was dat een Brits en dit een Amerikaans verhaal, maar afgezien daarvan zijn de overeenkomsten treffend: de potentieel toxische combinatie van seks, spionage en militaire geheimen, de ontmaskering, het ontslag van de beschaamde hoogwaardigheidsbekleder. Voor zowel Profumo als Petraeus gold: hij stond met zijn broek op zijn enkels en de wereld oordeelde.

John Profumo was Secretary of State for War onder Harold Macmillan toen hij in 1961 een (kortstondige) affaire had met party girl Christine Keeler. Keeler hield zich graag op in hogere kringen, waar ze zich liet fêteren door machtige mannen met wie ze het bed deelde. Profumo ontmoette haar tijdens een feestje van de osteopaat dr. Stephen Ward, een sociale verbindingsofficier voor de gegoede klasse. Toen in 1962 geruchten de ronde begonnen te doen, niet alleen over Profumo, maar ook over Keelers affaire met de sovjetdiplomaat Yevgeny Ivanov, lag een aantal vragen voor de hand. Was Keeler een spionne? Had ze Profumo in bed staatsgeheimen ontfutseld en deze doorgespeeld aan de Ruskies? En wat waren de belangen van de kleurrijke dr. Ward? (Dit was niet toevallig het jaar van de eerste James Bond-film én het toppunt van de Koude Oorlog.) In maart 1963 verklaarde Profumo in het Lagerhuis dat er ‘no impropriety whatsoever’ had plaatsgevonden in zijn omgang met Keeler, en dat hij iedereen die anders beweerde voor het gerecht zou slepen. (Methinks thou protest too much, om Hamlet te parafraseren.) Een officieel rapport maakte vervolgens duidelijk dat Profumo gelogen had.

Zowel in de zaak-Petraeus als in de zaak-Profumo kun je je afvragen of er nou echt zo veel aan de hand was. De gedachte dat Broadwell potentieel staatsgevaarlijker zou zijn als liefje dan in haar dagelijkse hoedanigheid als goed ingevoerd en embedded (no pun intended) journaliste lijkt me niet reëel. Het impliceert een stupiditeit die we van Petraeus noch Broadwell mogen verwachten. En het argument dat Petraeus chantabel zou zijn geworden door de affaire, iets waar Republikeinen stevig op hamerden, is overtrokken, zoals Petraeus zelf bewees door de waardige wijze waarop hij met de zaak is omgegaan. Menselijk gedrag leidt niet zo makkelijk tot ­staats­gevaarlijke roekeloosheid. Zou ­Clinton de codes van het Amerikaans ­nucleair ­arsenaal hebben prijsgegeven, wanneer iemand zou dreigen met het openbaar maken van zijn buitenechtelijke escapades? Nonsens.

In de Profumo-affaire deden zich dezelfde overtrokken reacties voor. Historicus Dominic Sandbrook, die in zijn boek Never Had It So Good: A History of Britain from Suez to the Beatles het tijdsgewricht in kaart bracht, schrijft: ‘Wat vooral opvalt aan de affaire is hoe triviaal die was. Profumo wordt vaak omschreven als een gedoodverfde Prime Minister, maar hij was niet een van de hoogvliegers van zijn generatie en was een vrij doorsnee parlementslid uit de officiersklasse. De kans dat Keeler in Downing Street haar intrek had mogen nemen was verwaarloosbaar. En hoewel Labour het veiligheidsvraagstuk probeerde op te kloppen, was er eigenlijk geen veiligheidsvraagstuk. Zoals het hoofd van MI5 Prime Minister Harold Macmillan ook had verteld: “Dr. Ward was een pooier, geen spion.” Profumo en Ivanov deelden Keeler niet, zoals het verhaal wil – zij had haar affaire met Ivanov al afgebroken voor ze met Profumo het bed deelde. Los daarvan was het absurd je Keeler als informant of tussenpersoon voor te stellen; ze was een veredelde call-girl.’ Bovendien, hoe had Keeler complexe, staatsgevaarlijke informatie moeten onthouden? Ze had meer van Barbie (niet de pop, maar de _Oh Oh Cherso-_ster) dan van Mata Hari.

De impact van het Profumo-schandaal was niet het gevolg van de feiten, zegt Sandbrook, maar van de ‘hysterische houding van de pers’. De oppositie deed met liefde een duit in het zakje. Harold Wilson had een stok om de hond te slaan. Hij riep op om de moreel verkankerde, gegoede elite te vervangen door een meer representatief bestuur dat gestoeld was op gemeenschappelijke waarden en dienstbaarheid.

De rol van de pers en het te behalen politieke gewin waren én zijn belangrijke factoren bij het warm houden van een schandaal. Een ‘goed’ schandaal is bovendien een ui die je kunt blijven pellen – steeds meer mensen die geïmpliceerd worden in een cover-up, liefst ook steeds hogerop. Pech voor Petraeus: het Amerikaanse medialandschap is dermate gepolariseerd dat er een pitbull voorhanden is die stevig wil doorbijten. (FoxNews!) De enige reden waarom we niet maandenlang met Petraeus zijn lastiggevallen, zoals we wel door FoxNews met Benghazi zijn lastiggevallen, is de timing van het schandaal: het kwam op stoom net ná de verkiezingen. Was de affaire bekend geworden in augustus, dan waren we er ongetwijfeld mee doodgegooid. Zoals we werden dood­gegooid met Clinton, omdat de Republikeinse strategen vermoedden dat genoeg doordrukken tot de val van de president zou leiden.

Al met al lijkt er weinig veranderd. Hoe kan het ook anders, de mens is niet wezenlijk veranderd. Onze honger naar schandalen – en de manier waarop die honger zich vertaalt naar hysterie in het publieke domein – hangt samen met hebbelijkheden in onze natuur. We zijn geobsedeerd door macht, geld en beroemdheid, en we zijn niet vies van (meestal onuitgesproken) jaloezie. Heerlijk toch, wanneer zo’n hoge pief struikelt over zijn eigen erectie? Ik durf te beweren – zonder wetenschappelijke onderbouwing, overigens – dat onze behoefte aan Schadenfreude tegenwoordig nóg groter is dan in het verleden. We leven in Tijden van Narcissus, waarin iedereen zichzelf nogal belangrijk lijkt te vinden. Dat er publieke figuren bestaan die slimmer, rijker en machtiger zijn dan wij is een persoonlijk affront. Gaan de high and mighty op hun snuit, dan is dat broodnodige correctie; het herstellen van de logica in ons zelfgericht universum. (Dit verklaart ook waarom het via sociale media vrij schieten is op iedereen die ‘denkt dat-ie iets voorstelt’.)

Uiteindelijk willen we ons gewoon beter voelen dan anderen, en schandalen helpen daarbij. Door iemand in niet mis te verstane bewoordingen perfide te verklaren, scheppen we afstand tussen onszelf en de wandaden. In die zin is er sprake van een exorcisme. Van uitdrijving en uitstoting. We kunnen onze woede richten op de fouten van een ander, fouten die we zelf in dezelfde omstandigheden hoogstwaarschijnlijk óók gemaakt zouden hebben – Broadwell en Keeler waren verleidelijke partijen – al maken we onszelf het omgekeerde wijs. In de psychiatrie spreek je dan van attribution bias, aldus neuroloog Dean Burnett, die dit punt verduidelijkte in The Guardian: ‘We kennen onze eigen geest, en we onderhouden een positief beeld van wie we zijn en waartoe we in staat zijn. Doen we dat niet, dan verliezen we het vermogen normaal te functioneren. Maar we kunnen nooit andermans geest kennen. Wanneer een ander iets doet of overkomt, gaan we ervan uit dat dat persoonlijk verwijtbaar is, terwijl we, wanneer onszelf iets gebeurt, altijd vrij gemakkelijk externe factoren kunnen aanwijzen die ons vrijpleiten.’ Soms meten we expliciet met een dubbele maat, zegt Burnett, verwijzend naar uitgelekte foto’s van het naakte feestbeest prins Harry. ‘Bijvoorbeeld, dat iemand zegt: “Ja, ik stond in mijn blote kont en gedroeg me als een aap toen ik lazarus was, maar dat was de drank, en daarvan hebben mijn maten misbruik gemaakt. Maar Harry is een prins, die moet beter weten. Hij is gewoon een idioot met te veel privileges.”’

Overigens, en dat maakt vooral schandalen waarin seks een rol speelt zo potent, verlekkeren we ons het liefst aan relatief onschuldige schandalen. Bij heftigere gebeurtenissen – het doodschoppen van een lijnrechter, de zelfmoord van een gepeste tiener – is meer exorcisme benodigd, het creëren van een nóg grotere afstand tussen onszelf en een gebeurtenis. Dan lopen we in stille tochten of worden er dertigduizend amateur­wedstrijden afgelast. De onderliggende boodschap is altijd: dat zijn wij niet, wij distantiëren ons. Al zijn we het uiteindelijk, op een bepaalde manier, wel degelijk zelf.

Als er al wezenlijke verschillen bestaan tussen schandalen toen en nu, dan zijn ze van logistieke aard. Nieuwscycli zijn veel korter geworden en schandalen hebben gemiddeld een hogere doorlooptijd. Vandaag Mel Gibsons antisemitische tirade, morgen het Republikeinse Congreslid dat, hoewel fel tegen abortus en overspel, zijn maîtresse tot een abortus aanzette. De houdbaarheid van de meeste schandalen is een dag, maximaal een week.

Een andere ontwikkeling is de toegenomen mate waarin de wereld van faam en fortuin – via non-stop televisie op tig kanalen en via een onophoudelijk uitdijend internet – het behang is gaan vormen van onze levens. Het publieke leven is een magneet voor narcistische mensen. Groeit de ­alomaanwezigheid van media, dan wordt dat narcisme extra ­aangewakkerd, en ook: de bereidheid de zaak te belazeren om boven te komen ­drijven. Zo duiken er steeds ernstigere gevallen op. Vraag het Diederik Stapel. Of liever, vraag het hem niet, anders krijgt hij alweer aandacht.

Dit alles betekent niet dat schandalen nu sneller aan het licht komen, zelfs al hebben we – middels Twitter, Facebook, telefoon­camera’s en andere technologische ontwikkelingen – een leger amateurpaparazzi geschapen. Wie vreest nooit meer met iets weg te zullen komen, wijs ik graag op de pijnlijke lessen van de internationale veiligheidsdiensten. cia, fbi en nsa, alsmede hun buitenlandse tegenhangers, hebben in het tijdperk van mobiel en internet ongekende hoeveelheden data vergaard, met als resultaat dat ze door de bomen het bos niet meer kunnen zien. Zo kun je je verstoppen in de ruis.

De hoge doorloopsnelheid van schandalen heeft als prettig voordeel dat je je als lijdend voorwerp ook makkelijker kunt herstellen. Het spotlicht is ongedurig – het trekt binnen de kortste keren door naar een volgende viespeuk van het moment.

Toen John Profumo op een zomernacht in ’61 dat fatale naakte meisje zag bij het zwembad van het landhuis Cliveden had hij niet kunnen voorzien welke radicale wending zijn lot zou nemen. Verblind door Keelers schoonheid vergat hij de veroordelende wereld die lag te wachten in de schaduw. Uiteindelijk hervond hij iets van waardigheid door zich te storten op liefdadigheidswerk in het verpauperde Oost-Londen. Maar een carrière was vernield.

David Petraeus zag zijn vrijwel onverwoestbare reputatie – opgebouwd als architect van de ‘surge in Irak, als commandant van Isaf in Afghanistan en als directeur van de cia – tenietgedaan door een liefdesaffaire. Tot oktober 2012 werd hij veelvuldig genoemd als mogelijke presidentskandidaat in 2016. Die weg lijkt afgesneden, zoals hij ooit werd afgesneden voor Edward Kennedy. Maar het zou me verbazen als Petraeus dezelfde donkere weg zal moeten bewandelen die zich voor Profumo uitstrekte. Na een periode van bezinning en retraite zal er ongetwijfeld weer een prominente rol voor hem zijn in het publieke leven. Dit is niet alleen een tijd waarin mensen worden afgeschminkt. Het is ook de tijd van de comeback.