Maurice Gilliams

Hij was Elias

Honderd jaar geleden werd Maurice Gilliams geboren, de auteur die zijn oeuvre beschouwde als een geschreven zelfportret.

Maurice Gilliams, Ik ben Elias. Romans en verhalen

Uitg. Meulenhoff, 640 blz., ƒ125,-

Maurice Gilliams, De man voor het venster. 1932-1940

Uitg. Houtekiet, De Prom, 224 blz., ƒ29,95

In De man voor het venster (1943), een verzameling notities, dagboekfragmenten, brieven, essays en beschouwingen over zijn eigen en andermans werk, noteerde Maurice Gilliams (1900-1982): «Alles wat ik schrijven moest kan men dagboeken noemen.» Gelet op dat nadrukkelijke moest mag die mededeling nogal curieus lijken, maar ze geeft precies zijn relatie tot de literatuur weer. Schrijven was voor Gilliams inderdaad een heilig moeten, de enige mogelijkheid om zin te geven aan zijn bestaan omdat hij verder niets anders meende te kunnen. Zijn leven was daarbij de inzet. Gilliams heeft er nooit een geheim van gemaakt dat alles wat hij schreef autobiografisch was. Dat gold niet alleen voor zijn romans Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936), Winter in Antwerpen (1953), Gregoria of een huwelijk op Elseneur (1991), of zijn poëzie, maar eveneens voor zijn essayistiek. Van een afgrenzing tussen deze verschillende genres wilde hij niet weten. Zijn Gregoria-boek kreeg niet voor niets de typering «essayistische roman» mee. Zijn hele oeuvre beschouwde hij in feite als een geschreven portret van zichzelf, en dat is hij een leven lang scrupuleus blijven bijstellen. Want voor Gilliams was schrijven al evenzeer herschrijven. Voortdurend nam hij zijn teksten opnieuw onder de pen om ze vloeiender te stileren, aan te scherpen of te actualiseren. Voeg daarbij zijn bijna obsessieve drang naar de perfecte compositie, en het zal duidelijk zijn: alleen het volmaakte was goed genoeg. Dat verklaart waarom zoveel van zijn prozawerk onvoltooid is gebleven of in een aanzet is blijven steken, zoals Elias of het noodweer der spreeuwen.

Schrijven beschouwde hij daarenboven als een onafgebroken gevecht met zichzelf dat bestond uit een «moedige, eerlijke zelfondervraging». De katholiek van huis uit die opzichtig zijn geloof afzwoer maar zich uiteindelijk netjes kerkelijk liet begraven, ging voortdurend bij zichzelf te biecht. Voor een waarachtige literatuur, meende Gilliams, was een zich herhalende en steeds weer vernieuwende zelfanalyse een absolute voorwaarde. Door vanuit dat principe over zichzelf te schrijven, probeerde hij zijn eigen leven te ontdekken en gestalte te geven, zichzelf te schrijven, zou je kunnen zeggen, of zoals hij het formuleerde: «schrijvend een idee te worden in de tijd». Ter verwezenlijking van deze desperate poging om de onsterfelijkheid af te dwingen, creëerde hij zijn Elias Lasalle. Hij is de steeds weer terugkerende ik-figuur die zich in een reeks opeenvolgende romans, verhalen en proza fragmenten ontwikkelt van kind tot volwassene, van dichterlijke natuur tot dichter. Over de mate waarin persoon en personage op elkaar lijken, liet Gilliams in De man voor het venster geen misverstand bestaan: «Ik ben Elias.» Om die bekentenis vervolgens in de tweede druk weer ijlings te schrappen. De uitspraak is nu de titel geworden van de onlangs bij Meulenhoff verschenen prozabundel met alle romans en verhalen waarin de Elias-figuur opduikt, te beginnen met Gilliams’ officiële debuut, Oefentocht in het luchtledige (1933). De verhalen die daarin staan, lijken een voorstudie te zijn geweest voor zijn meest bekende en geroemde boek, Elias of het gevecht met de nachtegalen.

Het zijn schetsen waarin kleine gebeur te nissen, herinneringen en stemmingen om aandacht vragen die laten zien dat Gilliams al vrijwel onmiddellijk de toon en sfeer te pakken had waarin hij zijn leven lang zou blijven schrijven. Het is proza dat behalve associatief ook beschouwend en analyserend van aard is, artificieel aandoet met zijn vele gallicismen, oude belgicismen, en archaïsmen, en dat ondanks een overdaad aan de lijdende vorm toch van een bijzondere poëtische kracht is. In zijn vertellen is Gilliams voortdurend op zoek naar een evenwichtige verdeling tussen stemmingen, emoties en treffende beelden. In het eerste verhaal, Het verloren paradijs — een titel die tegelijkertijd een belangrijk thema van het werk blootlegt — wordt Elias als volgt geïntroduceerd: «Van mijne moeder heb ik het onverdedigbare gevoel voor stemmingen; zij heeft, buiten haar weet, een ontrafelaar en een zelfkweller van mij gemaakt. Reeds vroegtijdig had ik een vurige, geniepige verbeelding, en terwijl ik schijnbaar innerlijk onbewogen in haar schaduw gezeten was, werd ik door donkere angsten overrompeld.»

In het verhaal botsen een intens gevoelde vernedering en een onverwacht geluksmoment met elkaar, twee gebeurtenissen die Elias onderging toen hij drie jaar was en die hem dan al doen concluderen dat zijn «hoogmoed alleen zelfgezochte eenzaamheid kon verdragen». Het eindigt aldus: «Telkens op onverwachte momenten heb ik het paradijs terug willen vinden. Voortaan schiep ik het zelf en waar ik het hebben wou. Dit waren de eerste verschijnselen van een ziekelijke verbeeldingshartstocht, die me, mijn hele leven door, van het ene zelfbedrog in het andere heeft gestort en me tot brekens toe heeft uitgeput.»

De passages waarin Gilliams Elias’ gedachtewereld verbeeldt, lijken te duiden op de oorspong van zijn auteurschap. Tevens corresponderen ze met het beeld dat hij graag van zichzelf naar buiten bracht: dat van een vroegrijp, eenzaam en sensitief iemand, een dromer maar ook een analyticus, een creatieve natuur die door velerlei angsten gekweld werd, allemaal eigenschappen waarop hij zijn kunstenaarschap entte. Dat moest vooral lijdend en strijdend van karakter zijn. Maurice Gilliams cultiveerde zijn imago als geen ander. Koketterie en ijdelheid waren hem zeker niet vreemd. Hij voelde zich vaak onbegrepen en miskend, ontkende elke verwantschap met literaire tijdgenoten en liet zich door de tijd niet beroeren: «Ik heb het gevoel alsof ik reeds eerder, in een lang voorbije eeuw leefde en ik zal dan zoals nu geschreven hebben.» De Antwerpenaar van geboorte was meer hypochonder dan Bourgondiër, een man van ernst die zich graag distantieerde van het volkse. Hij verafschuwde de feestvreugde bij ommegangen en processies, of de rumoerige vrolijkheid op kermisdagen. «Zo iemand als ik noemt men in kloeke Sinjorentaal ‹een droogzak›», heet het in De man voor het venster.

In Elias of het gevecht met de nachtegalen, zijn eerste roman, beschrijft Gilliams het trage verval van een bourgeoisfamilie, gezien door de ogen van de twaalfjarige «introverte en dromerige zelfkoesteraar» Elias. De jongen met een sterke moederbinding probeert zich op het familielandgoed staande te houden te midden van enkele zonderlinge tantes, zijn oma en ouders. Slechts visites en vakanties kunnen de sleur doorbreken. Als de vier jaar oudere en bewonderde neef Aloysius op visite is, verandert die omgeving voor hem in een sprookjeswereld. Deze knaap heeft dan ook een bijzondere invloed op Elias; er broeit iets tussen hen, maar wat wordt nooit expliciet gemaakt. Eigenlijk gebeurt er weinig, Gilliams is een meester in het suggereren. De jongens zwerven samen veel rond het grote huis dat regelmatig «het kasteel» wordt genoemd, laten bootjes over de beek naar buiten het landgoed drijven, maken huiswerk, vieren kerst en maken heimelijke nachtelijke uitstapjes in de omgeving.

De kale feiten zijn in deze roman dan ook maar bijzaak en een plot is er al evenmin. De bijna ingehouden spanning van het verhaal komt elders vandaan. Van een fatale kracht en schoonheid is de sfeer van een vervlogen verleden dat Gilliams weet op te roepen door het ensceneren van taferelen en het construeren van pregnante beelden. Alsof het om foto’s uit een even nabij als onbereikbaar verleden gaat. In hun clair-obscur lijken ze momentopnamen van smartelijke verwarring, verwarrende eenzaamheid, onderhuidse (homo-)erotiek en een schrijnende weemoed. Als hij aan het slot plotseling naar kostschool wordt gestuurd, stort Elias’ wereld in elkaar. Hij voelt zich verraden door de volwassenenwereld, de daad slaat diepe wonden. Tot ziekwordens toe moet hij zijn woede verkroppen «om iets waar ik de noodzakelijkheid niet van begrijp, — waarom het zo droef, zo onrechtvaardig moet zijn?»

In de eerste druk van Elias of het gevecht met de nachtegalen neemt zijn studievriend Olivier Bloem daar de draad op en doet in een vervolg verslag van de verdere lotgevallen van Elias Lasalle. Hij beschrijft hun tijd op de kostschool en hun vriendschapsverbond wanneer ze elkaar enkele jaren later opnieuw treffen, als Elias inmiddels architect is geworden — zij het vooral van droomkastelen — om zijn relaas te besluiten met de gruwelijke manier waarop Elias een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Ooit verordende Gilliams dat dit zogeheten «tweede cahier» nooit herdrukt mocht worden. Desondanks staat het nu in Ik ben Elias.

Naar de vraag waarom Gilliams er definitief afstand van nam, is het gissen. Het zou kunnen dat het vanwege Elias’ dood was. Zelfmoord was in de jaren dertig in katholieke contreien nog een onbespreekbaar taboe en hij wist zich in Antwerpen bekeken door papen. Of mogelijk heeft hij zich te laat gerealiseerd dat hij zijn alter ego nog nodig zou hebben. Zelf verschool hij zich achter de grote haast die met het schrijven ervan gemoeid was. Zijn uitgever Johan Meulenhoff had hem met de inleverdatum stevig voor het blok gezet en naar eigen zeggen wilde Gilliams zich aan de afspraak houden. Daarnaast zal hij ongetwijfeld zijn geschrokken van de slechte pers die dit deel van het tweeluik kreeg, zoals Anne Marie Musschoot veronderstelt in het nawoord bij de bundel, waarin ze het eerherstel voor de gewraakte tekst toelicht maar de noodzaak ervan niet afdoende duidelijk maakt. Zij wijst onder meer op de stijlbreuk tussen het geschrift van Olivier Bloem en Elias’ ontboezemingen. Inderdaad, het tweede cahier heeft een traditionele verteltrant in de hij-vorm, het is een rechttoe, rechtaan verhaal dat nogal contrasteert met het zo suggestief en muzisch gecomponeerde eerste deel.
En er is meer. Met de onderzoekende blik waarmee buitenstaander Olivier Bloem zijn vriend onder de aandacht brengt, vernietigt hij veel, zo niet te veel van het mysterie Elias. Waar de lezer in deel één alle ruimte kreeg om zijn eigen Elias te scheppen, raakt hij in Bloems relaas bekneld in een keten aan typeringen van de jongen. Een kleine opsomming van voorbeelden: hij was een onwezenlijke verschijning, zonderling, hield vreemde alleenspraken, was droefgeestig, gaf zich over aan een obscuur gevaar waarvan hij het verderf niet kende, spotte om zijn verborgen schreien te camoufleren, sliep onder aforismen van Nietzsche die hij op de muur van zijn «louteringskamertje» had aangebracht, stelde een ongewoon belang in het verwarde en smartelijke «en er werd geen enkele gedachte in hem geboren, die niet de stempel van de dood in zich droeg». Uitleg wint het hier voortdurend van verbeelding, typering van suggestie; tussen de regels door blijft er nauwelijks iets te raden over. Gilliams, de estheet in hart en nieren, zal zich dit ongetwijfeld gerealiseerd hebben.

Gilliams nam het Bloem-cahier niet op in het schema van werken die hij tot zijn «in symbolische beelden verhulde biografie» rekende. Nog los van de morele vraag of Gilliams’ uitdrukkelijke wens niet gerespecteerd had moeten worden, had het feit dat het daarbij ook nog eens een verhaal over en niet door Elias is voor de samenstellers van Ik ben Elias een reden kunnen zijn om het niet opnieuw toegankelijk te maken. Dat zulks toch is gebeurd, geeft het boek iets tweeslachtigs. Het is niet wat de titel belooft: een overzicht van de werkelijke Elias-cyclus, en al evenmin een uitgave van alle romans en verhalen van Maurice Gilliams. Dat was overigens een kleine moeite geweest. Er ontbreken slechts een paar korte schetsen, waaronder zijn meest romantische, het Novalis-achtige «De man in de mist». Dat niet alles werd verzameld, is in dit Gilliams-jaar een gemiste kans.

Pièce de résistance van deze verzamelbundel is Gilliams’ postuum verschenen opus magnum, het vuistdikke Gregoria of een huwelijk op Elseneur, een inktzwarte geschiedenis waarvoor zijn eerste huwelijk model stond. Het boek neemt de dag voor Elias’ verbintenis met Gregoria Baltazar tot onderwerp, hun huwelijksfeest en de wittebroodsweken erna. Wat de bekroning van een jarenlange verloving had moeten worden, loopt al onmiddellijk uit op een echec. Elk verlangen naar een gezinsleven, kinderen en een vrouw die zijn dichterschap zal steunen, spat uit elkaar op een granieten Gregoria, die hem geen enkele toenadering toestaat en elk gesprek afhoudt. Ze trekt zich volledig in zichzelf terug als een «aan alle kanten dichtgesloten schelpdier». Door haar volgehouden onbenaderbaarheid raakt Elias een gedroomd leven kwijt en daarmee zichzelf. Wat hem rest is een duik in de boeken, de muziek en de schilderkunst, om daar troost te zoeken voor zijn Weltschmerz.

De roman is een even bloedstollende als schrijnende analyse van dit zelfverlies. Het verhaal daarover is door Gilliams langs twee lijnen uitgezet. Allereerst die van de feiten over de in seksueel opzicht scrupuleuze, ongelooflijk naïeve Elias en de vernederingen die hij moet ondergaan in het zoveel gefortuneerder milieu waarin hij terechtkomt. Over de vrieskoude sfeer waarin zijn schoonfamilie hem opneemt, over zijn harteloze, frigide geliefde en de haaibaai van een schoonmoeder die hem tiranniseert en zich aan hem opdringt, en ten slotte over de helletocht die de huwelijksreis was, die eindigt in het besef dat hij niet getrouwd is maar zich heeft laten trouwen. Daar tussendoor beweegt zich de lijn van introspectie, van mijmeringen en herinneringen, als een terugtocht in de tijd naar onder meer de geborgenheid van zijn eigen familie en hun gezamenlijk verleden. In breder perspectief geeft de roman inzicht in de geschiedenis van de bekrompen negentiende-eeuwse fatsoensnormen en kuisheids opvattingen die nog lang in de twintigste eeuw zijn blijven doorregeren, in de hypocrisie van de katholieke wereld en de vaak noodlottige gevolgen van de tegenstellingen in de rangen-en-standenmaatschappij van zo'n driekwart eeuw geleden.

Gregoria of een huwelijk op Elseneur bleef tot negen jaar na Gilliams’ dood op de plank liggen. Omdat hij niemand wilde kwetsen van degenen die hem in zijn leven het diepste verdriet hadden aangedaan, was zijn uitleg. Bij iemand die zijn leven zo tot thema van zijn werk heeft gemaakt als Gilliams ligt dan de vraag voor de hand wat in deze roman waarheid is en wat verdichting. Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken lijkt enig wantrouwen wel gerechtvaardigd. Het «zelfportret» dat hij heeft achtergelaten, is tevens een masker waarachter een uiterst gecompliceerde persoonlijkheid schuilgaat. Het wachten is op de biografie waaraan Annette Portegies op dit ogenblik werkt. Gilliams gaf de geïnteresseerde lezers en de beschrijvers van zijn leven alvast deze waarschuwing mee: «Het komt er toch op aan, te vinden in welke nuances ik mij verborgen houd.»