‘hij was nog beter dan ik dacht’ arthur van schendel

Marcel Möring p816 Arthur van Schendel, Een zwerver verdwaald, Een zwerver verliefd
JAREN DACHT IK er niet aan, maar op een dag las ik iets anders en toen schoten mij ineens die twee boekjes te binnen. Het ene, een in papieren band geplakt deeltje uit de Meulenhoff Biblio-reeks, had sinds jaar en dag in mijn reistas gezeten.

Het was een vertrouwde tekst, een waarvan ik wist dat ik hem ook kon lezen als ik alleen, in een vreemd hotel, in een ander land, te ongedurig was voor een verse roman. Ik las dat boekje, zoals men een wijn drinkt die een verrassing blijkt: eerst dorstig, voorbereid op het bekende, daarna tastend-proevend, bijna voorzichtig. Een alinea, twee alinea’s, een pagina of wat, en dan het boekje laten zakken om de gedachten te laten dwalen en te voelen hoe het ritme van het leven daalt. Zo had ik het in Zweden gelezen, in een hotel dat zo luxe gestoffeerd was dat ik de hele tijd dacht dat ik in een grot woonde. En één keer in Frankfurt, waar mijn raam uitkeek op een straat die aan de ene kant uit halfverkoolde krotten bestond, waar men ‘snachts in opgerolde tapijten lag te slapen, en aan de andere kant uit hotels, zaken die satijnen lingerie verkochten en propvolle kiosken.
Het andere boekje kocht ik later, antiquarisch. Het kostte negen gulden vijftig en was een herinnering aan de tijd dat boeken nog geliefkoosde voorwerpen waren. J. M. Meulenhoff zat toen nog aan het Rokin en was niet bang voor ruimte. De pagina’s van het boekje telden 26 regels van zo'n zes à zeven woorden. De titel was op het linnen omslag in een warme gouden tint gedrukt en binnenin kloek rood. De uitgever noemde die reeks 'de Garamond-drukken’, naar de letter die voor de platte tekst was gebruikt.
Een zwerver verdwaald en Een zwerver verliefd, ik begon ze weer met nieuwe aandacht te lezen toen ik Oek de Jongs even kleine boekje De inktvis onder ogen kreeg. Die geconcentreerde aandacht voor het beeld als mededeling, die sprookjesachtige manier van vertellen, met wendingen die het normale roman-vulsel overbodig maakten, ik moest ineens aan Van Schendel denken.
HET WAS begonnen, mijn liefde voor Van Schendel, met Het fregatschip Johanna Maria. Ik las het op de middelbare school en ik weet ook nog hoe ik bij dat boek kwam. Er was een nieuwe uitgave. Ik was veertien jaar en wist precies wat in de enige behoorlijke boekhandel van Assen op de tafels lag en in de kasten stond. Het fregatschip Johanna Maria pakte ik op met de interesse van een lezer die de hele wereldliteratuur nog voor zich heeft, zonder te weten waar hij heen moet en wat hij zal zoeken. Ik had geen idee wie Van Schendel was. Ik wist niet of hij dood was of leefde, goed was of slecht. Maar die middag, nadat ik de eerste tien pagina’s al in de winkel had gelezen, kocht ik het boek en toen ik thuis kwam legde ik het alleen nog neer om te eten. 'sAvonds, iets voor elven, had ik het uit en ik had een brok in mijn keel. Van Schendel zette ik uiteindelijk op mijn literatuurlijst, maar van het tentamen kan ik me niets herinneren. Wel mijn honger naar meer en mijn steeds toenemende bewondering. Ik begreep niet hoe het kwam dat deze grote schrijver niet bij de rest van de wereld bekend was.
En toen liep ik tegen Een zwerver verdwaald aan. Dat was tijdens een strooptocht op een bazaar in een bejaardentehuis. Van Schendel werd nog maar nauwelijks verkocht en herdrukken waren er bijna niet meer. Ik vond het kleine deeltje in een berg Arbeiderspers-omnibussen. Vijf gulden. Ik keek het in en las. En las het begin opnieuw. En daarna nog een keer. Pas toen merkte ik dat ik zachtjes kreunde. 'En voor het einde van het najaar werden zijn schreden verder geleid. Een hond die hem op de landweg had gezien liep achter zijn voeten, een reiziger vergezelde hem. De vreemdeling sprak gedurig terwijl zij voortgingen in de vochtige dag, zijn gebaren waren niets dan vragen, en Tamalone luisterde met zijn hoofd zeer laag ter neder gebogen, want er was in de woorden die hij hoorde heugenis van een verleden dat hij geheim hield in zijn ziel. Maar wanneer de ander stil stond om op antwoord te wachten, keek hij rond naar het land waar de wilgen geel van gebladert met de bochtige slingers van wingerdloof en een schielijk watertje daarneven in dit vluchtige zonlicht de eenzaamheid tot een sierlijke vreugde maakten, en hij antwoordde niet, het zwijgen was hem liever dan donkere woorden en vragen zonder end.’
Dit was het begin? Een boek waarvan het eerste woord 'En’ was? Geen introductie, geen schets van de omstandigheden, maar onmiddellijk een vanzelfsprekendheid alsof ik, hier in deze door bejaarden en gillende kinderen bevolkte bazaar, tot een groep van ingewijden behoorde die begreep zonder te hoeven weten? 'En zwijgend vervolgden zij hun tocht, tot Meron Joseph met diepe stem, buigzaam en berustend van toon, verder sprak over voorzienigheid, over het onheil dat hij aanschouwd had, en zoveel verhaalde.’ De tweede alinea. Alleen maar meer raadsels, raadsels die van zin naar zin vloeien in een nevel van beelden, vermoedens en verwachtingen.
Onderweg naar huis begon ik te bedenken dat Van Schendel waarschijnlijk nog beter was dan ik dacht. Ik wist niet of ik dat prettig vond. Ik had mijzelf niet zo lang geleden voorgenomen wereldkampioen schrijven te worden. Concurrentie, ook al was het van de doden, was iets waar ik nog aan moest wennen.
Misschien heb ik een voorkeur voor oneigenlijke teksten, voor boeken die binnen het oeuvre van een schrijver de indruk wekken vreemd te zijn. Of misschien is het mijn liefde voor boeken waarin weinig gebeurt, maar die de zintuigen de ene sensatie na de ander bezorgen. Joyce, Beckett, Gogol, Paustovsky, Flaubert, een korte roman van Richard Ford, Oek de Jongs Inktvis, Reves Werther Nieland, Mulisch’ Paralipomenica Orphica. Dat zijn de boeken waarvan ik houd. Maar dat is niet het enige.
VAN SCHENDEL schreef die twee merkwaardige, lichte, novelle-achtige teksten en ook romans die diep en donker Hollands zijn. Zijn stijl is altijd perfect en altijd de aangewezen vorm voor het verhaal dat wordt verteld. In die Zwerver-boekjes vloeit het proza als water, het weerspiegelt, het glijdt, het kabbelt, het staat soms even stil. Maar steeds is het soepel en vitaal. De zinnen zijn doordesemd met beelden, indrukken, hele en halve gedachten. Nergens is het alleen maar verzorgd proza met welgekozen adjectieven. Het is een taal die de lezer omstroomt en als het de juiste lezer is die zo'n boekje treft, dan zal hij zich laten meevoeren op Van Schendels stroompje en hij zal de schaduw van een wolk over het veld zien trekken en 'sochtends vroeg de nog bleke zon en de al verblekende maan in de hemel zien. Ja, het is erg mooi allemaal, idyllisch soms, maar het was het begin van de eeuw toen Van Schendel die korte teksten schreef. Blijkbaar was er hoop, blijkbaar was het niet vreemd om ernstig te spreken over 'het hogere’, blijkbaar kon men 'mooi’ ervaren als iets wat niet noodzakelijk tegengesteld was aan lelijk. Nu is dat moeilijk geworden. Het sprookjesachtige staat niet in hoog aanzien. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat die prachtige novellen van Oek de Jong in De Inktvis zo weinig aandacht hebben gekregen. Terwijl zij hetzelfde vertegenwoordigen, en met evenveel aandacht voor de taal, als Van Schendels Zwerver-boeken.