In het spoor van mijn vader: Laura Weeber Architecte

‘Hij werkte altijd’

‘Mijn vader droeg een veel te korte broek, een bontjas en had een Vietnamese rijsthoed op. Zo sprong hij op zijn racefiets en ging hij naar zijn werk. Ik schaamde me als kind voor hoe hij eruitzag. Dat hij architect was, daarvan had ik geen flauw idee.

Medium lauraweeber4821

Toen ik zelf aan de TU Delft bouwkunde ging studeren merkte ik pas hoe beroemd mijn vader was. Mijn studiekeuze was gemakzuchtig: ik kende de wereld, ik had de kwaliteiten, was technisch en creatief. En ik vond het ook wel aantrekkelijk om in de buurt van mijn vader te zijn, die daar professor was. Mijn ouders waren op mijn vierde gescheiden en ik zag mijn vader alleen in het weekend. Hij werkte altijd. Als we bij hem waren, zat ik met mijn broer te tekenen en dan zat hij tegenover ons aan tafel te werken. Het was geen familiemens.

Wat in de jaren tachtig gebouwd werd, gaf weinig aanleiding tot enthousiasme. Maar de opleiding was erg leuk. Ik discussieerde met een fanatieke groep mensen. Veel jaargenoten zijn bekende architecten geworden. Ik zocht mijn vader, Carel, natuurlijk niet echt op en studeerde af bij andere mensen. Ik heb één keer een college bij hem gevolgd. Achteraf jammer, ik denk dat hij een van de beste docenten was.

Tijdens mijn studietijd was Carel onderdeel van heftige discussie. De “menselijke schaal” van Aldo van Eyck en Herman Hertzberger leidde volgens hem tot truttige architectuur. Hij vond dat een stad gevormd moest worden door rationele gebouwen. Zijn “Zwarte Madonna” heeft veel weerstand opgeroepen omdat het kil zou zijn. Het is niet het allerbelangrijkste gebouw. Maar mensen woonden er gelukkig en het paste in de stad. De grond werd te duur voor de sociale woningbouw en daarom is het afgebroken. Dat vind ik pure kapitaalvernietiging.

Carel is uitgesproken monomaan, ik ben genuanceerder. Hij is intelligent en provoceert graag. Ik ben daar niet zo mee bezig. Zijn aandacht gaat altijd uit naar architectuur. Ik ben ook geïnteresseerd in mensen, kunst en cultuur.

Ik heb me gespecialiseerd in woningbouw. En in collectief opdrachtgeverschap: samen goedkoper en zonder projectontwikkelaars bouwen. Ik vind het belangrijk dat bewoners zo veel mogelijk zelf bepalen. Dat wordt nu erg gestimuleerd. Mijn vader pleitte er al voor. Hij noemde het “het Wilde Wonen”. En keerde zich daarmee tegen de “staatsarchitectuur” waarmee hij eerder zijn sporen had verdiend.

Met zo’n beroemde vader twijfel je vaak of het je eigen kwaliteiten zijn waardoor je werk en waardering krijgt. Mensen noemen me nog steeds wel eens “Carla”. Ze zien mij, maar ze denken aan mijn vader. Eén keer hebben we in dezelfde wijk gebouwd, toen heeft hij in een interview gezegd: “Mijn dochter heeft mij duizend keer verslagen.” Dat was fantastisch, hij had nog nooit een schouderklopje gegeven.

Wat ik heb gebouwd heeft veel positieve aandacht gekregen. Ik raak een snaar en ben veel zelfverzekerder geworden. Mijn laatste ontwerp, een rij witte huizen met een bijzondere kapvorm, is genomineerd voor de Rotterdam Architectuurprijs. Ik ben blij, maar het project voelt niet af: er zijn maar twee huizen van gebouwd, toen stortte de huizenmarkt in.

Mijn vader woonde tot zijn zeventiende op Curaçao. Hij kwam hier om naar de TU Delft te gaan. Op zijn 65ste is hij geremigreerd. Daarvóór zag ik hem nooit als Antilliaan. Ik had niet door dat Curaçao zo’n belangrijk onderdeel was van zijn identiteit. Misschien bekijkt hij daardoor de Nederlandse bouwwereld en -cultuur van een afstandje. En voelt hij zo goed aan wat er speelt, wat nodig was en mis was. Het was altijd net alsof hij er niet tot aan zijn nek in zat. Omdat hij zich nooit echt onderdeel heeft gevoeld van deze cultuur. Ik denk dat het belangrijk is waar je opgroeit. Zelf ben ik pragmatisch, met twee voeten in de klei geboren.

Nu hij op afstand woont, hebben we juist meer contact. Ik ga één keer per jaar naar Curaçao. Dan rijden we samen twee weken over het eiland en bekijken en bespreken we zijn gebouwen. Want hij werkt gewoon nog. Ik weet dat hij dat erg waardeert. En ik maak 3D-modellen voor hem in de computer, want dat kan hij niet.’


Carel Weeber, (1937), hoogleraar, architect, bouwt nog steeds