In het spoor van mijn vader: Judith Cooiman-Bouma Predikant

‘Hij zat altijd op zijn studeerkamer’

‘Eigenlijk wilde ik vroeger vooral en alleen moeder worden. Net als mijn moeder. Ik dacht: ik doe eerst het gymnasium, ga vervolgens studeren, en uiteindelijk trouw ik om een gezin te stichten en voor de kinderen te zorgen. Maar ik ben predikant geworden, net als mijn vader, Jan Bouma (64), die nu met emeritaat is.

Medium judithcooiman4695

In januari 2011 heeft hij mijn intrede begeleid. Hij heeft mij “bevestigd”, zoals dat heet, in mijn ambt als predikant voor de Nederlands Gereformeerde Kerk in Zeist. Ik ben daarmee de eerste vrouwelijke predikant binnen de vrij behoudende ngk van 33.000 leden.

Als jij mij als puber had verteld dat ik predikant zou worden, had ik heel hard gelachen. Ik was een typische tiener, een etterbakje. Ik vond de wereld buiten de kerk veel interessanter. Ik wist ook niet wat ik moest studeren. Sociologie? Filosofie? Op advies van een decaan werd het theologie omdat het zo’n brede studie is. In 2006 werd binnen de ngk besloten dat ook vrouwen tot het ambt mogen toetreden. Ik ben pas daarna, in 2007, met het idee gaan spelen om zelf predikant te worden. Ik had catechisatie gegeven, en ik mocht al een paar keer preken in een kerk. Zo ben ik er een beetje ingerold.

Ik had allesbehalve de droom om in de voetsporen van mijn vader te treden. Niet omdat ik zijn werk stom vond; hij vertelde er alleen nooit zo veel over. Het was een beetje een mysterie. Ik zag hem wel in de kerk, maar thuis was het zelden een gespreksonderwerp. Hij zat ook altijd op zijn studeerkamer. Wat hij daar deed, deelde hij niet.

Toen ik theologie ging studeren had ik eerder het idee om verder te gaan in de wetenschap. Ik ben pas gaan beseffen wat het prediken inhoudt toen ik stage ging lopen in een kerk. Daar zag ik hoe mooi dat eigenlijk is, het werken met mensen in een geloofsgemeenschap. Ik moest het eerst zelf ervaren. Je leert mensen op hun hoogte- en dieptepunten kennen. Dat vind ik heel gaaf.

Mijn vader glimt natuurlijk van trots. Hij is altijd voorstander geweest van een vrouw in het ambt. Dat zijn dochter de eerste is geworden vindt hij uiteraard erg fijn. Maar hij schreeuwt het niet van de daken. Ik heb ook niet het gevoel dat ik hem ben opgevolgd. Toen ik overwoog om predikant te worden, speelde de relatie met mijn hemelse vader een grotere rol dan met mijn aardse vader. Of dit werk voor mij bedoeld is, of ik het aankan – dat moest ik met God de vader uitvechten. Niet zozeer met mijn eigen vader.

Waarin hij zeker een voorbeeld voor mij is, is zijn omgang met zijn mensen. Hij is heel herderlijk, heel vriendelijk. Als het gaat om dogma’s kan hij heel veel ruimte bieden. Hij zal mensen nooit laten vallen, hij zal altijd het gesprek zoeken.

Ik wil wel minder opgeslokt worden door werk dan hij. Het moet zijn: eerst God, daarna je gezin en dan de kerk. Voor mijn vader was het: eerst God, dan iedereen. Hij wilde er altijd voor iedereen zijn. Hij is nu de schade aan het inhalen. Hij brengt veel tijd door met zijn familie. Ik ga het anders doen. Ik heb net een kind gekregen. Ik wil mijn dienstverband ook terugschroeven naar parttime.

We hebben het niet gek vaak over ons werk. Het enige en ook het belangrijkste advies dat hij mij heeft gegeven is: blijf altijd dicht bij jezelf. Dat dicht bij mezelf blijven doe ik door voor ngk Zeist te kiezen. Het is een kleine gemeenschap van 150 man. Mijn vader was predikant in een gemeenschap van tweeduizend man. Ik zou daarin verzuipen. Die gemeente is ook behoudender dan de mijne.

Ik hoef ook niet zo nodig van alles te bereiken. Ik ben geen carrièremens. Ik heb ook veel respect voor mijn moeder. Ik vond het heerlijk dat ze altijd thuis was als ik uit school kwam. Een goede moeder zijn, dat vind ik ook belangrijk. Dat combineren met het predikantschap, dan heb ik the best of both worlds.’