Interview James Ellroy

Hijgend schrijven

Drie keer interviewde Bart Vanegeren James Ellroy. Over zijn obsessie voor misdaad, de moord op zijn moeder en zijn egocentrisme. Al Ellroy’s boeken gaan over het systeem van misdadigheid dat alomtegenwoordig is en het dagelijkse leven grotendeels bepaalt. Hij wil dat zijn lezers niet de kans krijgen om te pauzeren, maar doorjakkeren.

«God, wat zou ik graag een hond zijn», mompelt James Ellroy (53), de «Demon Dog of American Literature», en schiet af op een stel honden dat door een nietsvermoedende burger wordt uitgelaten. Hij knuffelt ze, blaft ze toe en huilt met ze mee. De intensiteit van het tafereel herinnert aan zijn beste werk: de autobiografie My Dark Places, waarin hij veertig jaar na de moord op zijn moeder haar dossier heropent; de thriller The Black Dahlia, het hyperventilerende verhaal van een speurder die geobsedeerd raakt door een lustmoord; en de turf American Tabloid, waarin met de nagedachtenis aan president John Fitzgerald Kennedy wordt gerotzooid.

Het tweede deel van Ellroy’s USA Underworld Trilogy, The Cold Six Thousand (onlangs vertaald als Zes ruggen), begint vijf minuten na de dood van Kennedy en eindigt vijf jaar later met de moord op zijn broer Bobby. Daartussen schiet Ellroy achthonderd bladzijden lang met scherp: de moordaanslag op Martin Luther King, de nasleep van de Cubaanse crisis en het gerotzooi van Cubaanse ballingen, de oorlog in Vietnam en de heroïnesmokkel vanuit het oosten, de poging van Howard Hughes om Las Vegas op te kopen en de acties van de mensenrechtenbeweging. Dit alles passeert in een pulserend ritme de revue.

The Cold Six Thousand is Ellroy’s dikste. «Bigger is better», grijnst Ellroy. «De plot is complexer, de personages zijn rijker en de stijl is directer. Ik gebruik vaak schuine strepen, dan gaat het echt van bam-bam-bam. Er staat nauwelijks een komma in de roman. Een komma dient immers om de lezer aan te geven dat hij moet pauzeren. Maar ik wil helemaal niet dat de lezer pauzeert, hij moet almaar doorjakkeren. Mijn boeken moeten hijgend worden gelezen. The Cold Six Thousand is wat dik om in een ruk uit te lezen, maar het is wel mijn bedoeling de lezer zo weinig mogelijk rust te gunnen.

Het woord slash betekent zowel de houw, het gehak, de snee als de schuine streep. Dat zegt het helemaal. Die directe, hakkende stijl sluit naadloos aan bij de tumultueuze historische gebeurtenissen in de roman en bij de gewelddadige aanpak en gedachtewereld van de hoofdpersonages.»

Ik spreek Ellroy voor de derde keer. In mei 1997 zocht ik hem op in Kansas City, het volstrekt rimpelloze stadje in het midden van de Verenigde Staten waar hij zich heeft teruggetrokken om te schrijven. Kansas en Ellroy vullen elkaar perfect aan: Kansas heeft zowat de laagste criminaliteitscijfers van Amerika, de boeken van Ellroy de hoogste. Terwijl het zorgeloze renteniersleven in Kansas zijn gang ging, vertelde Ellroy ijskoud over hoe zijn moeder in 1958 werd vermoord en hoe hij bijna veertig jaar later een speurtocht naar de moordenaar heeft ondernomen. «Ik ben aan My Dark Places begonnen met de bedoeling de moordenaar van mijn moeder te vinden, maar al gauw heb ik ontdekt dat het me minder om de moordenaar dan om mijn moeder zelf was te doen. Ik kénde haar eigenlijk niet. Door dit boek is ze van een mythe en een fantasma een echte vrouw geworden. Het begin van het boek bestaat uit eerder afstandelijk geschreven stukken over ‹een roodharige›, nadien gaat het over een ‹mens›, Geneva Hilliker. Voor mij is nu eindelijk afgesloten wat op mijn tiende is begonnen. Nooit zal een obsessie nog de controle over mijn leven overnemen.»

De moord op zijn moeder is de oerscène uit het leven van James Ellroy: alles wat volgde, is terug te brengen naar die schokkende gebeurtenis in een bar in El Monte in de nacht van 21 op 22 juni 1958. «Toen mijn moeder stierf, raakte ik verslingerd aan misdaadverhalen. Haar dood veroorzaakte een immense nieuwsgierigheid bij me naar alles wat met misdaad te maken had.» Zodra hij een pen op papier zette, trad Ellroy de wetten van het misdaadgenre met voeten. Al in de Lloyd Hopkins-trilogie uit de jaren tachtig (Because the Night, Suicide Hill en Blood on the Moon) gaat de nobele inborst van de private eye van weleer ten onder in een mix van racisme, homofobie en hyperventilerend kapitalisme.

Het boek LA Quartet, gepubliceerd tussen 1988 en 1992, wijkt nog opvallender af van het misdaadgenre: The Black Dahlia is vooral het verhaal van een obsessie, The Big Nowhere een round-up van de communisten- en homohaat in LA aan het eind van de jaren vijftig, LA Confidential een wervelstorm van vehemente scènes en White Jazz een hectische stream-of-consciousness van een ten onder gaande, corrupte cop.

Bij Ellroy gaat het niet om een of andere misdaad die moet worden opgelost, maar om het systeem van misdadigheid dat altijd en overal aanwezig is en de gang der dingen stuurt. De USA Underworld Trilogy is in dit opzicht zijn radicaalste project: «Ik toon dat de Amerikaanse maatschappij wordt gestructureerd door criminaliteit. Ik ben ervan overtuigd dat de meeste politici misdadigers zijn en dat verklaart dat er zoveel slechtheid in de wereld is. De politiek huist simpelweg in het achterkamertje van de criminaliteit.

Literatuur op z’n best toont op indringende wijze de wereld zoals hij eigenlijk is, en het kan voor de lezer revelerend werken als de maskers vallen. De USA Underworld Trilogy gaat over de onderbuik van Amerika: ik toon de onderhuidse krachten die de gang der dingen voortstuwen, ik krab het vernis van de gepolitoerde geschiedschrijving. Ik heb het over afvallige CIA-agenten, maffiosi, labiele Cubaanse ballingen, corrupte politici, nachtclubluizen, de onbetrouwbaarste elementen in de politietop, Ku Klux Klan-leden en andere racistische fanatici.»

In American Tabloid laat Ellroy zien dat de morele bloei en de beloftevolle perspectieven ten tijde van Kennedy slechts schijn waren. Hij toont de zwarte zijde van het Witte Huis, de keerzijde van de medaille van the American Dream. «De Amerikaanse politiek was voor, onder en na het bewind van Jack even corrupt. Amerika heeft zijn onschuld helemaal niet verloren door de moord op JFK. Amerika was nooit onschuldig. Hoe kan een land dat op grote schaal slavernij heeft geïnstitutionaliseerd, het in godsnaam over onschuld hebben?»

Toch is in de geschiedschrijving van de Amerikaanse mythe de kogel die Harvey Lee Oswald in Dallas afvuurde cruciaal: die beëindigde zogezegd niet alleen het leven van JFK, maar ook Amerika’s gouden tijd.

Ellroy: «De gigantische rouw om Jack heeft het zicht op de werkelijkheid vertroebeld. Die irrationele opstoot van rouw was seksueel geladen: Jack was de vrouw, Amerika de minnaar, en de vrouw werd verwijderd vóór de seks routine werd. We zaten nog in de wittebroodsweken met Jack toen hij verdween. We hadden geen enkel vervelend moment met hem beleefd, dus maakten we iets van hem dat hij nooit is geweest. Hij werd een god en een heilige, maar de waarheid is dat hij corrupt was.

De periode na Jack was luizig, maar zeker niet erger dan de jaren dat JFK president was. Alleen werden de Amerikanen door de opkomst van de massamedia veel beter op de hoogte gehouden van alle luizigheid. De dagelijkse verslaggeving over de oorlog in Vietnam en de sociale onrust in Amerika zorgden voor een massale bewustwording. De mensen zágen de vuiligheid meer dan voor de dood van JFK, en daarom gingen ze JFK verheerlijken. De confrontatie met de corruptie van Amerikaanse politiek en instituten was hard.»

In The Cold Six Thousand bouwt Ellroy verder op de conclusies van American Tabloid. Zou zijn paranoïde web van samenzweringen de historische waarheid kunnen benaderen?

Ellroy: «Dat weet ik niet en dat maakt ook niet veel uit. Zelfs als we door een wonderlijke speling van het lot morgen te weten zouden komen wie Jack en Bobby Kennedy en Martin Luther King heeft vermoord en waarom, zou dat uiteindelijk niet veel uitmaken. Het historische en politieke klimaat van de jaren zestig zou er niet door veranderen. Wie denkt dat de Amerikaanse ziel zou veranderen als de waarheid over de moord op JFK aan het licht komt, vergist zich compleet.

Ik wil de grenzen slechten tussen echt gebeurd en verzonnen, of zoals ik in de proloog van American Tabloid schrijf: ‹Het verhaal is zo vertroebeld dat er geen peil meer op te trekken valt. Slechts een onbekommerde schijnwerkelijkheid kan licht in die duisternis werpen.› Ik heb een uitgebalanceerd evenwicht tussen waar en niet waar gevonden en dat verleent het boek een zekere magie. Maar dan mag ik niet verklappen wat echt is en wat niet. Iedereen vraagt zich zeker ook af of de CIA echt de hand had in de moord op Lumumba, of de georganiseerde misdaad werkelijk in opdracht van de politie Las Vegas controleerde, en of J. Edgar Hoover, die Martin Luther King liet volgen, echt beelden had van King die een blanke vrouw neukt. De rol van Hoover blijft trouwens helemaal onduidelijk: hij kan wel of niet op de hoogte geweest zijn van de moord op JFK, hij weet misschien niet wat er aan het eind van The Cold Six Thousand gebeurt. Mijn boek is tegelijkertijd direct op een brutale manier én subtiel in zijn complexiteit.»

Met veel overtuiging en doortastendheid promoot Ellroy zijn ambitieuze project, dat in al zijn complexiteit niet bepaald op maat van het grote publiek is gesneden. Daarvoor heeft hij zichzelf geleerd de entertainende klootzak uit te hangen. Toen ik hem de tweede keer interviewde, zette hij Amsterdam op stelten: de opname van een tv-spotje moest tot zes keer toe over omdat hij in plaats van het gevraagde «Read us» vijf keer «Read us, motherfuckers» mompelde; een promotioneel boottochtje langs de grachten verliep anders dan verwacht toen Ellroy begon te schelden dat iedereen op de boot stomdronken was; tijdens een publiek interview hield hij de interviewer herhaaldelijk met wijs- en middelvinger gevormde ezelsoren achter het hoofd; toen na een lezing een dame uit het publiek hem tijdens het vragenrondje iets over zijn vader vroeg, keek hij haar vijf seconden ijskoud aan en blafte toen «Read the book!».

Hij forceerde de doorbraak naar het grote succes door zichzelf voor te stellen als een man van wie het leven bepaald werd door twee vermoorde vrouwen. «Ik was me bewust van de enorme kracht van de verhalen over de moord op Elisabeth Short en op mijn moeder. Ik wist dat ze zouden verkopen, zeker in combinatie met mijn eigen verhaal. Het was ook een mooi verhaal, makkelijk te begrijpen door een groot publiek: een jongen verliest zijn moeder bij een onopgeloste moord, hij werpt zich vervolgens op de gelijkaardige Zwarte-Dahlia-zaak om de pijn uit te drijven die hij nooit heeft gevoeld bij de dood van zijn moeder, hij leidt tot zijn dertigste een zeer tragisch leven maar verrijst na een crisis, hij wordt een bestsellende schrijver en schrijft uiteindelijk een boek over en voor zijn moeder. Het is een perfect verhaal. Maar dat betekent niet dat het schrijven van die boeken, en vooral dan van My Dark Places, soms moeilijk was. Maar ik dwong me ertoe, ik forceerde mezelf.»

Ben jij een exhibitionist?

Ellroy: «Ik zal wel iets van een exhibitionist hebben, ik wil oproepen hoe het was en dat breeduit etaleren. Twee jaar geleden heb ik in GQ nog mug shots gepubliceerd. 95 Procent van de mensen zou hun mug shots verbranden, ik druk ze af. Ik heb nooit veel schaamte moeten overwinnen, het schrijven van My Dark Places was een serene, rustgevende bezigheid. Iedereen mag weten dat mijn moeder vermoord werd toen ik tien was, dat mijn obsessie met seks op mijn twintigste met me aan de haal ging, dat ik verslaafd was aan drugs en drank, en dat ik in huizen inbrak om meisjesslipjes te besnuffelen.»

Ellroy put uit een vast repertoire om de aandacht op zijn werk te vestigen: schelden op Bill Clinton («He’s a scumsucking, cocksucking, low-life foxing, sexual harassing, fucking pig. Clinton eats shit»), vertellen over zijn seksuele ontsporingen («Op mijn zeventiende ontdekte ik speed, een onwaarschijnlijke stimulator die ook je bloeddruk de hoogte instuwt. Speed-trips werden mateloze masturbatiesessies, ik kon makkelijk een uur of acht aan de gang blijven. Ik trok met een Playboy en een Penthouse de bosjes van het park in om me van de rest van wereld af te sluiten en me tot bloedens toe te masturberen»), en zich bekwamen in one-liners («Mijn drijfveren zijn positief, ik heb een enorme levenslust, ik ga met een gigantische erectie door het leven»). De extremen van zijn publieke masker, de sterke verhalen uit zijn verleden en zijn labiele personages hebben het beeld van Ellroy danig gekleurd. Zijn ex-uitgever Otto Pensler verklaarde: «Hij is compleet egocentrisch en gek. Dat is de achterkant van de medaille.»

Ellroy: «Ik ben helemaal niet gek. Ik ben egocentrisch, maar je moet nu eenmaal een klootzak zijn om prachtboeken als de mijne te kunnen schrijven. Maar ik houd het onder controle, ik ben lang niet zo erg als de meeste andere schrijvers. Het probleem is dat op tournee het slechtste in me naar boven komt. Ik raak in de loop van zo’n wereldtournee compleet geobsedeerd door mezelf. Ik word gek, schizofreen en paranoïde, ik ga denken dat een geboortevlek op mijn rug kanker is en zo.

Ik kom van Italië en Frankrijk, ben nu in Nederland en België, ga dan naar Spanje en Amerika en nadien nog naar Duitsland, Zweden en Japan. Een mens is niet gemaakt om op deze schaal te reizen. Weet je waarom er bijbels in hotelkamers liggen? Omdat mensen bang zijn in hotelkamers. Ik ook. Ik ben blij dat die bijbel er ligt, ik lees er elke avond in. Reizen is mijn zwarte beest.»

Waarom doe je het dan allemaal?

«Mijn boeken verdienen het. Ze zijn steengoed, ze moeten door zoveel mogelijk mensen worden gelezen. Maar zo’n tournee put me uit. Op zo’n wereldtournee ontmoet je ook veel domme journalisten die twintig bladzijden in het nieuwe boek hebben gelezen of een oud interview van internet hebben gehaald, LA Confidential hebben gezien en over films willen praten. Het allerergste zijn tv-interviews. Ik word ook niet graag gefotografeerd. Ik sta er altijd versteld van hoe oud ik op foto’s lijk, terwijl ik er in de spiegel altijd veel jonger uitzie. Dat komt omdat ik kaal ben. Laat ik toch maar een gekte opbiechten: ik ben stikjaloers op mannen met haar. Dat is niks in vergelijking bij de wandelende verzameling neuroses die ik 25 jaar geleden was. Voor een gewezen slipjesbesnuffelaar ben ik goed terechtgekomen.»