Hilarisch ‘een opgeschudde krabbenmand’

Thomas Rosenboom, Gewassen vlees. Uitgeverij Querido, 732 blz., f65,-
Volgens Umberto Eco zijn er drie manieren waarop je over het verleden kunt vertellen, althans als je spreekt over het genre van de historische roman. Het is mogelijk het verleden gewoonweg als decor te gebruiken, als een voorwendsel om de fantasie de vrije loop te laten. Deze vertelwijze manifesteert zich in de romance, van de gothic novel tot Tolkien. Daarnaast is er de methode die in de avonturenroman vaak wordt gebruikt. De schrijver kiest een reeel en herkenbaar verleden.

De roman wordt bevolkt door personages die we uit de geschiedenisboeken kennen. Daartussen schuift de verteller personages die aan zijn fantasie zijn ontsproten en hij verschaft ze een psychologie die niet tijdgebonden is. Wat d'Artagnan doet als hij de juwelen van de koningin terughaalt, had hij ook in de vijftiende of zeventiende eeuw kunnen doen. En dan is er de derde vorm, die zonder meer Eco’s voorkeur heeft: wat de personages doen, kon alleen maar gedaan worden in de periode waarin zij zijn gesitueerd. Gebeurtenissen en personages zijn in die romans bedacht, maar toch vertellen ze ons dingen over een tijdvak die de geschiedenisboeken ons nooit met zoveel duidelijkheid hebben gezegd. De historische roman brengt gedachten en beelden naar voren die iemand uit de tijd waarin de roman speelt, misschien nooit zo heeft opgeschreven, maar gedacht zou kunnen hebben en niet uitgesproken (omdat de conventies het niet toelieten).
De vuistdikke roman van Thomas Rosenboom zou ik tot de derde categorie van Eco’s laconieke indeling rekenen. De roman speelt zich af in het midden van de achttiende eeuw, eerst in Friesland, later in Bergen op Zoom. Of de (hoofd)personages die in het verhaal worden opgevoerd werkelijk hebben bestaan, weet ik niet, maar ze worden in een reeel kader geplaatst. Drie hoofdstukken zijn gereserveerd voor historische informatie over de Oostenrijkse successieoorlog en de expansiedrift van de verschillende naties, met name die van Frankrijk. Het verhaal begint als het Franse bezettingsleger zich uit Zeeland terugtrekt en het beleg van Bergen op Zoom, de schier onneembare vesting in de zuidelijke barriere, heeft opgegeven. Europa was tegen het midden van de achttiende eeuw ‘een opgeschudde krabbenmand waarin de dieren, strijdend om lucht, elkaar verstikken en verminken om tenslotte toch weer, al was het maar van uitputting, tot ruste te komen in precies dezelfde mand.’
Prins Willem van Oranje had zich in die woelige tijd een glanzende militaire carriere gedacht, maar de regenten dwarsboomden hem in dat streven en lieten hem verkommeren in Leeuwarden. De onlusten die zich in de periode van maart tot september 1748 ook in Friesland openbaarden, bepalen de gebeurtenissen in de roman. De jarenlang opgepotte ergernis over de gesloten regentenkaste en haar belastingen, ontlaadde zich. De rebellen hadden hun hoop op de stadhouder gericht maar werden door diens weifelende houding diep teleurgesteld.
Naast deze (controleerbare) historische informatie vinden we heel wat scenes waarvan ik niet weet of ze op enigerlei wijze de geschiedboeken hebben gehaald: ze werpen een schril licht op een virulent antisemitisme, waar in kringen van het bestuurlijke apparaat geen taboe op rustte. Ze getuigen soms van een onthutsend racistische mentaliteit, die in de pruikentijd nog voor goede smaak doorging. Heel wat scenes brengen het paternalisme in beeld, de hypocrisie van de uitgeholde conventies, de onmetelijke kloof tussen de schijn van de kwezelachtige vroomheid en de werkelijkheid van economische speculatie.
Het aardige van de roman is dat het beeld van de tijd wordt geschetst aan de hand van de geschiedenis van een rare snijboon wiens breedsprakig vertoon omgekeerd evenredig is aan het inzicht in de werkelijke gang van zaken. Door de keuze van een dergelijke hoofdpersoon wordt een hilarisch beeld gegeven van de intrigepolitiek die het staatsleven beheerste, van de clubvormige kransjes waarin het sociale leven van de hogere klassen zich in die tijd voornamelijk afspeelde. De complicaties waar de held in verwikkeld raakt zonder dat hij ook maar het minste benul heeft wie er aan de touwtjes trekt, kenmerken zich door de specifieke historische signatuur; het verleden speelt in de roman beslist niet alleen maar een decoratieve functie. De hoofdpersoon is een historisch type, wiens handelen de tijd waarin hij rondloopt voelbaar maakt.
Mocht het woord 'type’ het misverstand oproepen dat het slechts om de uitbeelding van een schematische figuur zou gaan, dan wil ik dat direct terugnemen. Op alle mogelijke manieren wordt het plezier zichtbaar waarmee de auteur aan het tekenen van dit personage bezig moet zijn geweest: een achttiende-eeuwse versie van Don Quichot. Evenveel plezier valt af te lezen aan de wijze waarop de auteur het woelige jaar 1748-49 voelbaar heeft proberen te maken in de stijl, waarin hij gretig gebruik maakt van het achttiende-eeuwse idioom, van de enorme rijkdom aan vergeten woorden en van de genrestukjes en de epistolaire traditie van die tijd. In een aantal van de briefwisselingen en dialogen tussen de personages weet hij zelfs de humor en de satire die ook in die periode in de literatuur opgang maakten, naar voren te halen. De achttiende eeuw is ook de tijd van Sterne en Weyerman.
Daarnaast kent de roman een ijzersterk plot, waarvan de ontknoping in het slothoofdstuk van de roman werkelijk nog verrassingen te bieden heeft. Voor de uitwerking van de intrige met haar vele nevenintriges kreeg ik allengs tijdens het lezen bewondering: de voortgang van het verhaal, telkens afgewisseld door uitweidingen, nieuwe wendingen, zijwegen, grappen, anekdoten, natuurscenes, sentimentele episoden, de (allesbehalve slappe) verhalen over de erotische avonturen van de held: ze worden op een voortreffelijke wijze gedoseerd over de ruim zevenhonderd pagina’s.
De roman begint, na een proloog, op de oudejaarsavond van het jaar 1748. Willem Augustijn van Donck bevindt zich op de trekschuit naar Workum. Drie dagen eerder is hij op audientie bij de Prins in Leeuwarden in zijn hemd gezet door zijn vermeende verloofde Catharina. Voor de zoveelste keer heeft zijn overspannen verbeelding, waardoor hij de werkelijkheid alleen maar in lyrische verzen kan lezen, hem parten gespeeld. Drie dagen heeft hij buiten zichzelf van verdriet door het land gelopen. Hij had zich een belangrijke rol toegedacht in het bestuur van het land, maar wat hij in zijn fantasieen ook allemaal voor zichzelf had uitgedacht, hij bracht het niet verder dan tot baljuw van Hulst in Vlaanderen. Dat ambt had niets te betekenen zolang de Fransen de stad bezet hielden. En ook de wetten van de regenten hadden de daadwerkelijke uitvoering van dat ambt tot een lege huls gemaakt.
Verder had hij zijn hoop gevestigd op de uitvinding van een zekere Dorrius die het recept had ontdekt om uit bieten witte suiker te maken. Die witte suiker werkt als dope op zijn geest, waarvan de overspannenheid regelmatig tot absences leidde. Willem Augstijn droomde al van suikerfabrieken waardoor hij zijn macht definitief zou vestigen en waardoor hij eindelijk ook eens de goedkeuring van zijn vader zou winnen. Maar Dorrius, die hij in een listig contract aan zich had weten te binden, verliest vroegtijdig het leven. Hij steelt diens aantekeningen van het recept uit het laboratorium. Ze zullen in de roman een onthutsende rol gaan spelen, evenals het merkwaardige gesprek dat hij ooit op twaalfjarige leeftijd afluisterde tussen Bergsma en zijn vader. Op die gedenkwaardige dag (zijn verjaardag) had zijn vader hem een speciaal cadeau gegeven: een weeskind, dat op dezelfde dag nog met zijn eigen naam (die van Willem Augustijn) werd gedoopt.
De merkwaardige afstandelijkheid die zijn vader jegens hem al die jaren had betracht en de aantekeningen voor de suikerproduktie zullen hem in een ondoorzichtig netwerk van intriges vangen, waarvan de apotheose plaatsvindt als hij ten slotte in het derde deel van de roman afreist naar Hulst om dan eindelijk zijn nutteloze ambt te aanvaarden. Hij strandt in Bergen op Zoom. Daar blijkt hij het slachtoffer te worden van een activiteit waaraan hij altijd het meest verknocht was geweest en waarbij hij zich altijd op zijn gemak had gevoeld: het bespieden van anderen in hun doen en laten. Daarbij had zijn fantasie altijd vrij spel gehad, zozeer zelfs dat hij het onderscheid tussen verbeelding en werkelijkheid wel eens uit het oog was verloren.
Misschien bestaat de kracht van de roman - naast het historische inlevingsvermogen, de stilistische kwaliteiten, de sterke plot en het uitgekiende ritme waarin deze wordt ontvouwd - nog het meest in de vaardigheid waarmee Rosenboom de verschillende registers weet te bespelen, waardoor de hilarische, komische tonen van zijn Don Quichot vloeiend worden afgewisseld met de schrille toonzetting van het midden van de achttiende eeuw.