Zonder vijanden

Hilhorst

Geen steen is door mijn ruit gegooid. Geen dreigbrief heb ik ontvangen. Ik heb zelfs geen felle polemiek gevoerd of vete uitgevochten. Een spraakmaker die nooit in opspraak komt is die naam niet waardig. Hij moet bakken boze brieven krijgen op elk stukje dat hij schrijft. Gemeten aan de oude maten heb ik als columnist gefaald. Zo bezien is het maar goed dat ik volgende week voor de laatste keer dit rubriekje schrijf. Want in de twee jaar dat ik het doe, heb ik bij mijn weten niemands toorn voor eeuwig over me afgeroepen. Van niemand ben ik het favoriete haatobject geworden. Het kost me zelfs grote moeite om te benoemen wie ik als vijanden beschouw. Ik heb de spot gedreven met fantasieloze technocraten en dom links een hak gezet. Maar het waren ergernissen die nooit aanleiding gaven tot briesende woede, hooguit tot een melancholieke verzuchting. In de logica van Madeleine Albright is dat een ultiem bewijs van mijn karakterzwakte. In een interview stelde zij: «Je herkent iemand aan zijn vijanden.» En met enige trots voegde ze eraan toe: «En ik heb de goede.»
In de Volkskrant schreef Stephan Sanders al met lichte jaloezie dat bij Saddam Hoessein tegenstanders als Joost Zwagerman natuurlijk in het niet vallen. Maar mijn lot is nog triester. Ik heb niet eens Joost Zwagermannen. Er is niemand die ik te pas en te onpas op de korrel neem. En dus is er ook niemand die de moeite neemt mij te beschimpen.
Maar zoals dat hoort in deze tijd van therapeutisch taalgebruik, geloof ik dat juist mijn zwakte mijn kracht is. Want achter de verheerlijking van het vijandschap schuilt een dwaze opvatting van politiek. De tirade hoort bij een tijdsgewricht waarin de goeden tegen de slechten streden en er voor elk ongeluk een schuldige bestond. Het bestrijden van de tegenstander brengt het heil binnen handbereik. Deze gepolariseerde manier van denken is geen alleenrecht van linkse revolutionairen.
In zijn boek De verwarde natie hanteert Hendrik Jan Schoo hetzelfde sjabloon. Vol vuur keert hij zich tegen de politiek correcte ideologen van de Multiculturele Samenleving. Ooit was dat zinnig, want met taboes is niemand geholpen. Maar inmiddels is zo'n kruistocht misleidend. Hij suggereert ermee dat de gebrekkige integratie en omvangrijke immigratie de schuld zijn van de politiek-correcten. Hij kent ze zo een buitensporige macht toe en verhult dat ook harde maatregelen de immigratie niet kunnen uitbannen. De wereld laat zich nu eenmaal niet temmen. En ook nadat het politiek-correcte denken is uitgebannen, blijft integratie een ingewikkelde zaak. Het is altijd verleidelijk om herkenbare boosdoeners aan te wijzen. Het klinkt stoer, maar tot beter begrip van het probleem leidt het niet. Ik zoek mijn oorzaken van maatschappelijke misstanden daarom liever in de dynamiek van onbedoelde gevolgen dan in de kwade genius van politieke tegenstanders. Juist met de beste intenties gaat veel mis. Problemen bij de uitvoering van een besluit zijn vaak belangrijker dan de meningenstrijd die eraan voorafging. De juiste metafoor voor de politiek is niet het duel, maar de tragedie. Altijd tegenstanders zoeken is daarom geen teken van kracht, maar een zielige poging om de onzekerheid van het bestaan te reduceren tot een simplistisch wereldbeeld. De enige vijanden die ik heb, zijn de politieke dieren die altijd en overal vijanden zoeken.