Massahysterie

Hilhorst


Coca-Cola heeft vorig jaar 220 miljoen gulden verloren in de crisis rond de onwel geworden Belgische schoolkinderen. Meer dus nog dan het bedrag waarvoor Nina Brink haar aandelen World Online verpatste. Nadat de meldingen van vergiftigingen door het drinken van de frisdrank de honderd passeerden, moest de fabrikant op last van de overheid haar producten uit de schappen halen. Uit een afgelopen week verschenen rapport van de Belgische Hoge Raad voor de Volksgezondheid bleek dat de affaire een klassiek voorbeeld is geweest van massahysterie. Alleen bij de eerste gevallen bij een school in Bornem was iets mis. Er was een minuscule maar ongevaarlijke hoeveelheid zwavel verwerkt waardoor de frisdrank anders rook. De rest was inbeelding. Een tiental kinderen werd zelfs ziek zonder een blikje of flesje te hebben gedronken.


De frisdrankfabrikant kan niemand aansprakelijk stellen voor de geleden schade want niemand draagt schuld aan zo’n massale zinsbegoocheling. Mensen raken erdoor bevangen. De Belgische schrijver Tom Lanoye vertelde me vorig jaar dat hij dacht dat het was begonnen met een misverstand. Na de dioxine-affaire, waarbij de overheid het bestaan van vergiftigde kippen had verzwegen, lagen de zenuwen open. Het minste gerucht was voldoende om nieuwe paniek te veroorzaken. De minister die verantwoordelijk was voor Volksgezondheid heette Marcel Colla. Om de dioxine-crisis lag hij onder vuur. In het scenario van Lanoye ging het zo. Een ouder zegt tegen de ander: ‘Er zijn problemen met Colla.’ Hun kind hoort het en vertelt aan zijn klasgenootje: ‘Er zijn problemen met Cola.’ Die vertelt het weer door en de paniek slaat toe. In zijn potsierlijkheid is de verklaring wonderschoon. Het lijkt op die Amerikaanse cartoon over de beurs. Een handelaar gaat eerder weg en groet zijn driftig biedende collega’s: ‘Bye.’ Zijn buurman vraagt ‘Buy?’ en roept dan ‘Buy!’ en alle anderen volgen hem, uit angst iets te missen: ‘Buy!, Buy!, Buy!’


De Duitse socioloog Ullrich Beck stelt dat we leven in een risicomaatschappij. We staan niet zozeer aan meer gevaar bloot dan vroeger, maar door de grootschaligheid van de productie zijn de gevaren grootschaliger. Kernenergie is het klassieke voorbeeld. De kans op een ongeluk is klein, maar als er een ongeluk gebeurt, zijn de gevolgen ongekend groot. Voor de voedselproductie geldt hetzelfde. De controle is beter dan ooit, maar door de grootschaligheid van de voedselindustrie is elke misser onmiddellijk een kapitale fout. Omdat de gevaren bovendien onzichtbaar en onvoorspelbaar zijn, worden consumenten achterdochtig. Dit leidt tot een vreemde paradox. Terwijl het voedsel door de bank genomen veiliger is dan ooit, neemt het wantrouwen van de consument toe. En dus moeten bedrijven en overheden bij het minste of geringste draconische maatregelen nemen om het vertrouwen te herstellen. Beck vreest dat mensen hierdoor op den duur het geloof in autoriteiten zullen verliezen. Het ontstaan van de risicomaatschappij is daarom niet een technisch gezondheidsprobleem, maar een politieke kwestie.


Toch is ook een optimistische lezing mogelijk. Juist door de vatbaarheid van de massa voor paniek moeten leidinggevenden extreem op hun tellen passen. Het kleinste gerucht kan de stemming al laten omslaan. Garanties voor het uitblijven van schandalen zijn er niet, maar zorgvuldige controle en smetteloos opereren helpen wel. Wie dat niet doet, kan hard vallen. Kijk naar het debacle rond de zo op haar familie gestelde Nina Brink. Daarom is er maar één conclusie mogelijk. Massahysterie is heilzaam.



PIETER HILHORST