Himmlers droom

De concentratiekampen belichaamden, meer dan welke institutie in het Derde Rijk ook, het wezen van het nazisme. In ruim duizend pagina’s wordt een even systematisch als indringend beeld geschetst van de oorsprong, ontwikkeling en werking van het stelsel van Konzentrationslager.

Het gebeurt niet vaak dat een studie, geschreven onmiddellijk na een historische gebeurtenis, het schopt tot standaardwerk. De SS-Staat: Het systeem der Duitse concentratiekampen, van de hand van de katholieke socioloog en politicoloog Eugen Kogon, een van de grondleggers van de Bondsrepubliek, behoort tot die zeldzame categorie. Het boek verscheen in 1946 en bevatte precies wat de ondertitel beloofde: een zakelijke, systematische en gedetailleerde analyse van de werking en inrichting van de nazistische concentratiekampen, inclusief het dagelijks leven en het gedrag en de mentaliteit van de bewakers en de gevangenen.

De SS-Staat was gebaseerd op het materiaal dat Kogon als vrijwilliger verzamelde voor een rapport van een Amerikaanse onderzoekscommissie over het concentratiekamp Buchenwald – maar niet alleen daarop. Hij had zelf zes jaar in het kamp doorgebracht, nadat hij in 1938, voor de derde keer, wegens antinazistische activiteiten door de Gestapo was opgepakt. Als gevangene nummer 9093 werd hij halverwege zijn verblijf aangesteld als klerk van een kamparts die voor zijn onderzoek naar vlektyfus experimenteerde met gevangenen, een positie die Kogon gebruikte om mensen in veiligheid te brengen.

Het boek was onmiddellijk na verschijnen een groot succes, zowel in Duitsland als daarbuiten. Alleen al van de Duitse editie werden meer dan een half miljoen exemplaren verkocht. Het voorzag in een diepgevoeld en wijdverbreid verlangen te begrijpen wat zich in de concentratiekampen had afgespeeld. Die belangstelling werd ook gevoed door het feit dat er, in tegenstelling tot de nazistische vernietigingskampen, relatief veel overlevenden uit de concentratiekampen waren teruggekeerd: zo’n zeshonderdduizend, waaronder ook veel politieke gevangenen, afkomstig uit heel Europa, bijna een kwart van het totaal. In de eerste jaren na de bevrijding vonden, behalve Kogons overzichtswerk, ook veel andere boeken, zoals dagboeken en herinneringen, hun weg naar het grote publiek.

Dat De SS-Staat vervolgens jarenlang zou fungeren als onbetwist standaardwerk had evenwel niet alleen te maken met de kwaliteit ervan, maar ook met het ontbreken van vervolgstudies. Vanaf het einde van de jaren veertig verflauwde de aandacht voor de concentratiekampen, hun bevrijding en de verhalen van de overlevenden; er werd zelfs gesproken van ‘apathie’ bij het publiek.

Het zou dan ook bijna een kwart eeuw duren voordat De SS-Staat serieuze concurrentie kreeg. In het kielzog van de hernieuwde belangstelling voor de concentratiekampen, gevoed door geruchtmakende rechtszaken als die tegen SS-officier Adolf Eichmann – de ‘schrijftafelmoordenaar’ die verantwoordelijk was voor de transporten van miljoenen joden naar de vernietigingskampen – verschenen er nieuwe baanbrekende studies, zoals die van de jonge Duitse historici Martin Broszat en Falk Pingel. Maar omvattend waren deze werken niet: daarvoor ontbrak het volgens Broszat simpelweg aan voldoende gedetailleerd onderzoek.

Die situatie is inmiddels radicaal veranderd, en dat is gebeurd langs twee lijnen. Aan de ene kant groeide vanaf de jaren zeventig de belangstelling voor de nazistische vervolging en vernietiging van het Europese jodendom, met als resultaat een nog altijd wassende stroom van wetenschappelijke studies en overzichtswerken, memoires, films, romans en musea, zowel in Europa als Amerika. De aandacht ging – en gaat – daarbij in de eerste plaats uit naar de geschiedenis van de vernietigingskampen, zoals Auschwitz-Birkenau, Sobibor en Treblinka, en veel minder naar de ‘gewone’ SS-kampen. Sterker nog, het fenomeen ‘concentratiekamp’ werd – en wordt – als gevolg daarvan dikwijls vereenzelvigd met de nazistische vernietigingspolitiek, terwijl de meeste concentratiekampen daar voor een belangrijk deel buiten stonden.

Medium wachsmann

Toch kwamen sinds de jaren tachtig ook de 27 kampen en ruim duizend satellietkampen die deel uitmaakten van het systeem van de Konzentrationslager meer in de belangstelling te staan. Die ontwikkeling vloeide deels voort uit een toenemende interesse voor lokale geschiedenis en persoonlijke geschiedenissen, maar had ook te maken met het einde van de Koude Oorlog en het opengaan van de archieven in Oost-Europa. Wie wel eens de bibliotheek van de Topographie des Terrors in Berlijn heeft bezocht, weet welke oogst het onderzoek van de laatste decennia heeft opgeleverd. Deze instelling, gelegen aan de Prinz Albrecht Strasse, waar de SS, de Sicherheitsdienst én de Gestapo zetelden, verzamelt sinds 1987 zo ongeveer alles wat er op het gebied van kampen, terreur, vervolging en vernietiging ten tijde van het Derde Rijk is verschenen – een ontelbare hoeveelheid min of meer gedetailleerde studies, waarvan de overgrote meerderheid aan de aandacht van het brede publiek, zeker buiten Duitsland, voorbijgaat.

Waar Broszat in 1970 nog klaagde over een schaarste aan detailstudies, daar wordt de historicus vandaag de dag dus overspoeld door zijn materiaal. Alleen om die reden al dwingt het jongste overzichtswerk KL: Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen van Nikolaus Wachsmann respect af. Maar dat is uiteraard niet de enige reden. Met deze goed geschreven, analytische en omvattende studie heeft Wachsmann, hoogleraar aan University of London en een rijzende ster aan het firmament van de Duitse moderne geschiedschrijving, een werk van formaat geleverd, een standaardwerk dat niet snel overtroffen zal worden.

Hoewel de concentratiekampen – vanaf de inrichting, in maart 1933, van het eerste geïmproviseerde kamp in Dachau, nabij München, in een voormalig kantoorgebouw van een vervallen munitiefabriek, tot de bevrijding van kamp Stuthof door de geallieerde legers op 9 mei 1945 – ingrijpend van karakter veranderden, belichaamden ze volgens Wachsmann meer dan welke institutie in het Derde Rijk ook het wezen van het nazisme. Het waren enerzijds proefterreinen van de wetteloze terreur waarop het regime rustte, en anderzijds de plaatsen waar de nazi’s hun ideologische obsessies in praktijk brachten. Juist daarin zat een opmerkelijke continuïteit, aldus Wachsmann, ook al veranderden de omvang en de samenstelling van de kampen in de loop van de jaren aanzienlijk.

De ontwikkeling van de kampen verliep niet langs een rechte lijn, maar volgde de logica van de geschiedenis van het Derde Rijk. Keerpunten als de Rijkskristalnacht, de inval in Polen, het begin van de oorlog tegen de Sovjet-Unie, de nederlaag bij Stalingrad en het oprukken van de geallieerde legers drukten hun stempel op die ontwikkeling – zoals ze ook bepalend waren voor het verloop van de antisemitische vervolgingspolitiek. Anders gezegd: in de kern veranderde het KL-systeem, als instrument van terreur en wetteloze onderdrukking, niet, maar tegelijk paste het zich telkens moeiteloos aan de verschuivende eisen van het regime aan. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het enige kamp op Nederlandse bodem, kamp Vught.

Wachsmann slaagt erin de stemmen van de slachtoffers niet te laten verdwijnen achter de zakelijke analyse van het kamp­systeem

De eerste keer dat dit gebeurde, was tegelijk beslissend. In de loop van 1934 dreigden de eerste concentratiekampen, opgericht in de eerste maanden na Hitlers machtsovername in januari 1933 om de oppositie met terreur het zwijgen op te leggen, leeg te lopen. Het regime zat stevig in het zadel en de verhoudingen leken min of meer genormaliseerd. Als onderdeel daarvan werden veel gevangenen, voornamelijk communisten, socialisten en andere politieke tegenstanders, vrijgelaten – zeer tegen de zin van Heinrich Himmler, leider van de SS en architect van het KL-systeem. In zijn optiek was die vrijlating ‘gekkenwerk’: alle krachten van het georganiseerde Untermenschentum dat de Duitse natie bedreigde, moesten met alle middelen worden bestreden – communisten, socialisten, vrijmetselaars, zigeuners, criminelen, priesters, jehova’s getuigen, asocialen en, bovenal, joden.

Himmlers roep om ongebreidelde terreur, gebaseerd op een permanente noodtoestand, om zo te komen tot een zuivere, gezonde en homogene nationale gemeenschap, ontdaan van ‘volksvijandige’ en ‘volksvreemde’ elementen, vond een welwillend oor bij de Führer, al liet deze zich daar in het openbaar zelden over uit. En zo konden Himmler en zijn SS hun gang gaan – en raakten de kampen geleidelijk weer voller. Vanaf het midden van de jaren dertig stroomden zogenaamde ‘asociale elementen’ – onbemiddelbare werklozen, alcoholisten, zwakzinnigen, zigeuners, criminelen – de kampen binnen, niet alleen om de samenleving te ‘zuiveren’, maar ook om invulling te geven aan het streven van de SS een nieuw arbeidspotentieel aan te boren.

Dat patroon zou zich tot het einde van de oorlog herhalen. Zo leidde de antisemitische uitbarsting rond Reichskristallnacht in november 1938 tot een massale toevloed van joodse gevangenen, als voorbode van de meedogenloze en grootschalige terreur die spoedig zou volgen. Intussen breidde het aantal concentratiekampen zich uit, in Duitsland, maar ook daarbuiten. Het eerste buitenlandse kamp werd gevestigd in Auschwitz, in juni 1940, als verzamelplaats van gevangen genomen Polen en, na de Duitse inval in de Sovjet-Unie, Russen. De gedachte was dat de kampen in Oost-Europa zouden fungeren als onderdeel van het net verworven Germaanse Lebensraum: Polen, Russen en andere Slavische Untermenschen zouden daar te werk worden gesteld, met als doel ‘vernietiging door arbeid’ ten dienste van het Derde Rijk.

Onderwijl nam de wetteloze terreur ook in de oudere concentratiekampen ongekende vormen aan. Zo werd vanaf begin 1941 in Dachau en andere kampen, in het kader van de nazistische moordcampagne tegen lebensunwertes Leben ‘euthanasie’ gepleegd op duizenden zieke en andere arbeitsunfähige gevangenen, een actie die kort daarop werd uitgebreid tot vele honderden joodse gevangenen en – in Auschwitz – Russische krijgsgevangenen. Laatstgenoemde groep werd vermoord in provisorische gaskamers, een moordmachine die het hart zou gaan vormen van het tweede kamp dat daar begin 1942 werd gerealiseerd: het Vernichtungslager Auschwitz-Birkenau.

Uiteindelijk zijn er tussen 1933 en 1945 meer dan 2,3 miljoen mannen, vrouwen en kinderen in de concentratiekampen van de SS terechtgekomen. Het overgrote deel, naar schatting 1,7 miljoen, kwam daarbij om het leven, waarvan bijna een miljoen joden in Auschwitz, het enige kamp dat zowel fungeerde als vernietigingskamp als deel uitmaakte van het KL-systeem. Onder de overige zevenhonderdduizend waren ook de Polen en Russen oververtegenwoordigd – zoals in alle statistieken van de nazistische barbarij. Een groot deel van de slachtoffers verloor het leven in het laatste half jaar van de oorlog, toen de SS, bij het naderen van de geallieerde troepen, massale slachtingen onder de gevangenen aanrichtte en tienduizenden anderen in dodenmarsen op de vlucht met zich meesleepte.

De kracht van Wachsmanns boek is niet alleen gelegen in de omvattende en analytische behandeling van zijn materiaal, maar ook in zijn benadering. Daarbij heeft hij zich laten inspireren door Saul Friedländer, auteur van de even indrukwekkende als gezaghebbende studie Nazi-Duitsland en de joden 1933-1945. Friedländer had zich ten doel gesteld een ‘integrale geschiedenis’ te schrijven, door het combineren van verschillende lagen, stemmen en perspectieven. Wachsmann doet hetzelfde, door de microkosmos van de kampen en de individuele ervaringen en gedragingen van daders, slachtoffers en omstanders te verbinden met een macro-analyse van de naziterreur. Tegelijkertijd worden de samenhang en de complexiteit van het KL-systeem geïllustreerd aan de hand van contrasterende ontwikkelingen tussen en binnen de afzonderlijke kampen.

Door deze aanpak slaagt Wachsmann erin de stemmen van de slachtoffers niet te laten verdwijnen achter de meer zakelijke, historische analyse van de ontwikkeling van het kampsysteem. De twee perspectieven versterken elkaar – wat het lezen van dit boek ook tot een opgave maakt, met alle hartverscheurende details van martelingen en vernederingen, de meedogenloze terreur en de weerzinwekkende medische experimenten, de ontmenselijking van daders en slachtoffers, en tegelijk de moedige pogingen iets van de menselijke waardigheid en solidariteit te behouden.

En dan nog – het is niet het hele verhaal, zoals Wachsmann zelf in zijn inleiding al aangeeft. Hij is zich ervan bewust dat zijn boek onvermijdelijk tekortschiet: de taal heeft immers niet genoeg woorden om de verschrikkingen te beschrijven waarmee de gevangenen van de concentratiekampen werden geconfronteerd.


Medium kl

Nikolaus Wachsmann, KL: Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen. Vertaald door Paul Heijman, Nannie Plasman, Jan Willem Reitsma, Pon Ruiter en Frits van der Waa. De Bezige Bij, 960 blz., € 79,90


Beeld: Himmler bezoekt met een aantal SS -officieren het concentratiekamp Dachau, datum onbekend (Spaarnestad Photo / HH)