Hippe dynamiek

In onze door interfaces gedomineerde wereld vol overbodig design zijn we het zicht op de dingen kwijtgeraakt.

MENSEN HOUDEN van dingen die op iets lijken. Daarom zit er een stuurwiel in onze auto’s terwijl een joystick beter werkt en bootsen computerprogramma’s met digitale middelen de fysieke wereld van het kantoor na. De kalender op mijn iPad is een orgie van digitaal leder en pseudo-papier, eBooks staan in een zorgvuldig nagemaakt houten kastje. De interface van het hipste digitale muziekprogramma bestaat uit een doos met oude cassettebandjes. Er zijn zelfs appjes waarmee de iPhone net zulke slechte foto’s kan maken als onze ouders in de jaren zestig. De Kunsthal heeft er een tentoonstelling over gemaakt die in het kromme marketinglingo van de verkopers van alles dat overbodig is als volgt wordt aangeprezen: ‘Met zijn gemanipuleerde foto’s geeft Hipstamatic een nieuwe, hippe dynamiek aan de soms saaie werkelijkheid.’
Toen ik mijn eerste geluidsinstallatie kocht (eind jaren zeventig) liep ik vastberaden naar het setje met de minste knoppen en de kleinste boxen. Een weifelachtige blik in de ogen van de verkoper. Voor dat geld kon je betere geluidskwaliteit krijgen. Ik ben aan één oor doof en hoor met het andere veertig procent. Stereo is voor mij wat Neil Armstrongs maanwandeling is voor de lui die denken dat het Apollo-programma is gefilmd in de woestijn van New Mexico. Mijn enige overweging was de interface: eenvoudig en zonder geldingsdrang. Zeg maar: een saaie werkelijkheid die het best zonder nieuwe, hippe dynamiek kon stellen.
Interfaces zijn metaforen. Ze lijden vaker wel dan niet aan technologische nostalgie. Daarom doen eBooks hun best om pagina’s te laten krullen waar geen pagina’s zijn en lezen we de digitale NRC nog steeds in krantenopmaak. Het toppunt is de wereld van de steampunk. Die wordt gevormd door mensen die digitale camera’s voorzien van een negentiende-eeuws uiterlijk met veel koper, overbodige moeren en bouten en bepoteld leer. Steampunkcamera’s, -horloges of -computers zien eruit als het visioen dat Jules Verne had van technologie die pas honderd jaar na zijn dood zou worden uitgevonden. Het punt ontgaat mij, maar het zal wel iets te maken hebben met de behoefte aan nieuwe, hippe dynamiek en die verdraaid saaie werkelijkheid.
Misschien is voor veel mensen de wereld te kaal als de dingen zijn wat ze zijn en boetseren autofabrikanten daarom maandenlang op enorme hompen klei om hun wagen 'een gezicht’ te geven en spreken autojournalisten (net zo'n contradictio in terminis als sportjournalisten) met de hijgerigheid van een Italiaans staatshoofd over 'de kont’ van de Alfa Romeo. In de wereld van de dingen zijn de Bauhaus-principes een ver verschiet en is 'more’ bijna altijd 'more’.
Wat mij op de een of andere manier op John Fowles brengt, voor wie de vorm van het boek de expressie was van, laten we zeggen, de ziel van de roman. Dat leidde ertoe dat elk van zijn boeken in meer dan één opzicht anders was en soms zelfs het resultaat van het succesvolle mengen van olie en water van twee schijnbaar onverenigbare genres. Fowles introduceerde zowel Freud als het postmodernisme in de Britse literatuur (voordat dat en vogue was) en schreef een socialistisch-existentialistische roman (A Maggot, over de moeder van de stichtster van de Shaker-gemeenschap) die zowel historisch als sciencefiction was en niet alleen brieven bevatte maar ook krantenstukken, klassieke negentiende-eeuwse vertelling en essay, en die desondanks razend meeslepend was.
De interface is bij Fowles elke keer anders en had ook niet anders kúnnen zijn. De literaire kritiek vond dat moeilijk. Fowles zat daar niet mee. Hij bracht het grootste deel van zijn leven onverstoorbaar door in de diepe provincie van Lyme Regis. Kom daar eens om in deze tijd van spannende boeken met een begin, een midden en een eind, die hun bestaansrecht ontlenen aan hun marktaandeel.
We leven in een door interfaces gedomineerde wereld en in het visuele geweld van overbodig design zijn we het zicht op de dingen kwijtgeraakt. Er is, en nu voor de laatste keer, veel nieuwe hippe dynamiek die over de werkelijkheid ligt. Het is zoals 10CC zong: 'I keep your picture on the wall. It hides a nasty stain…’
A nasty stain… Ah, laat ik het over mijn nieuwe wasmachine hebben: een fijn apparaat dat schoon wast, stil is en ontzettend zuinig. Maar waarom beschikt dat ding over twaalf programma’s die eigenlijk alleen maar tijd- en temperatuurvariabelen bevatten en ook nog eens tien toetsen voor andere overbodige extra’s: on en off (waarom heb je daar twee knoppen voor nodig?), intensive, extra rinse, prewash, easy ironing, temperatuur, toeren, tijd en mode. Ik heb maar behoefte aan drie knoppen (duur, temperatuur en toerental) en kan het goed stellen zonder de fictie van instellingen voor sportkleding, beddengoed en strijkvriendelijk. En dat is dan alleen nog maar de wasmachine. De magnetron/oven/grill beweert zelfs te kunnen voorspellen hoe lang het duurt om een pak diepgevroren spinazie te ontdooien en heeft het altijd met een marge van honderd procent mis. Over de knop die 'gratineren met een heus korstje’ belooft zwijg ik.
In de interfaces waardoor wij met de wereld van de dingen communiceren ontmoeten hubris en redundantie elkaar en op de een of andere manier zegt dat veel over onze behoefte aan overbodige nieuwe, hippe dynamiek.